Het is vandaag ook al zestig jaar geleden dat de Britse satiricus Evelyn Waugh is overleden.

Evelyn Arthur St. John Waugh werd geboren in Hampstead (Londen) op 28 oktober 1903. Hij was de tweede zoon van de uitgever en criticus Arthur Waugh en broer van romancier Alec Waugh. Hij studeerde geschiedenis in Lancing en Hertford College (Oxford).
In 1925 gaf hij les aan een privéschool in Wales. In zijn autobiografie schreef Waugh dat hij in die tijd een zelfmoordpoging ondernam door de zee in te zwemmen, nadat hij een afscheidsbrief had geschreven in het Grieks. Hij keerde echter terug nadat hij door een kwal was gestoken.
In 1927 werd zijn eerste werk uitgegeven, een biografie van Dante Gabriel Rossetti. Waugh werkte vervolgens o.a. als journalist, tot in 1928 zijn eerste roman, “Decline and Fall”, werd uitgegeven. Het boek werd een succes.
Alhoewel hij in zijn studententijd verwikkeld was geweest in een aantal homoseksuele affaires, huwde hij in 1929 met Evelyn Gardner, die She-Evelyn werd genoemd en hij He-Evelyn. Misschien had hij het puur voor de grap gedaan, want een jaar later liep het huwelijk al op de klippen. He-Evelyn had eigenlijk helemaal geen belangstelling voor She-Evelyn, die er dan maar vandoor ging met een zekere Heygate, die zo kleurloos was dat zijn naam zijn weg gevonden heeft naar het Engelse vocabularium: “doing a Heygate” is zoiets als iets heel formalistisch ondernemen (*).
Gardner zou Waugh wel lang overleven (ze stierf pas in maart 1994 op 90-jarige leeftijd), wat zeer ironisch was, want Waugh had de gewoonte aangekweekt om in het buitenland altijd een Engelse krant te kopen. Gevraagd naar het waarom (de Engelse politiek interesseerde hem totaal niet) placht hij te antwoorden: “Oh, just to see if there was any good news I might otherwise have missed – such as, for instance, the death of Mrs Heygate…”
Daarna huwde Waugh met Laura Herbert, die net als Gardner van adel was. Daar weet ik niet zo veel over, maar wellicht zal het ook wel geen boeiend leven geweest zijn met een homofiel die weigerde uit de kast te komen. Typisch voor dat soort figuren is dat hij levenslang een platonische vriendschap zou aanhouden met de schrijfster Nancy Mitford. Zij was even snobistisch als Waugh, maar – allicht om hem te irriteren – koketteerde ze ook met socialistische sympathieën, wat Waugh inderdaad razend maakte (Christopher Sykes schreef over hem: “Socialists he feared and hated as people in a conspiracy to introduce Communism into Britain by means of a bloody revolution”) maar dat zij uit een extreem-rechts nest kwam, maakte allicht veel goed. Haar ene zus (Unity) aanbad Hitler zozeer dat ze geen andere uitweg zag dan zelfmoord te plegen toen Hitler Engeland de oorlog verklaarde. Een andere zus (Diana) huwde met Sir Oswald Mosley, de bekende leider van de Britse fascisten.
De He-Evelyn bekeerde zich rond die tijd (van zijn scheiding, wil ik zeggen) tot het katholicisme, maar ook hier vond hij geen soelaas voor de twintigste eeuw van “Picasso, sunbathing and jazz”.
VILE BODIES
In 1930 schreef Waugh “Vile Bodies”, dat in 2003 werd verfilmd door Stephen Fry als “Bright young things”. Op 5 januari 1970 schreef ik de volgende samenvatting “for personale use” voor de werkgroep Engelse literatuur in de eerste kandidatuur Germaanse.

De mensen in het boek zijn eerder figuren dan volledig uitgewerkte personages: het zijn typen of karikaturen. Hoe dan ook, ze vormen een levendige verzameling van de Londense high society. Door middel van de sociale setting, de sociale status van de meeste personages en de filmische presentatietechniek weet Waugh de roekeloosheid van een maatschappij op de rand van de afgrond, de valsheid van haar waarden, haar hypocrisie en zelfbedrog te satiriseren. Hij doet dit voornamelijk via de jezuïet pater Rothschild, die als enige in de roman zijn verantwoordelijke, realistische en eerlijke gevoelens verwoordt.
De plot is een behendige puzzel van amusante situaties, beginnend (hoofdstuk één) met een beschrijving van een mislukte overtocht over het Kanaal. We maken kennis met de hoofdpersonen: pater Rothschild, een man met een buitengewone kennis; mevrouw Melrose Ape en haar engelen: Geloof, Liefde, Standvastigheid, Kuisheid, Nederigheid, Voorzichtigheid, Goddelijke Onvrede, Barmhartigheid, Rechtvaardigheid en Scheppende Streven; juffrouw Runcible; Miles Malpractice, zoon van Lady Fanny Throbbing en broer van Edward Throbbing; Mrs.Kitty Blackwater, een oude dame; Walter Outrage, de premier van vorige week, die chloral (een soort drug) gebruikt, en zijn twee rechercheurs; en Adam Fenwick-Symes, een jonge man die zijn autobiografie in Parijs heeft geschreven en nu terugkeert omdat hij verloofd is.
Hoofdstuk twee: in Dover verbrandt de douane het manuscript van Adam, omdat ze het als pornografisch beschouwen, en Miss Runcible wordt tot op haar huid ontkleed omdat ze wordt aangezien voor een bekende juwelensmokkelaar. Bijna iedereen komt naar het feest van Archie Schwert in het huis van Edward Throbbing. Dit geldt ook voor Nina Blount, Adams verloofde. Adam zelf krijgt een nieuw contract voor het schrijven van een boek van Sam Benfleet, die hem bedriegt.
Hoofdstuk drie: in het Shepheard’s Hotel. Lottie Crump (de eigenaresse van het hotel), Adam, de majoor, de ex-koning van Ruritanië, de Amerikaanse rechter Skrimp en een jongeman met een snor raken dronken tijdens een waanzinnig gesprek. Adam wint duizend pond door te wedden met de jongeman. Het is zijn enige geld en hij wil het gebruiken voor zijn bruiloft, maar hij zet alles in op een (slecht) paard, Indian Runner. Hij geeft zijn geld aan de majoor, die belooft het voor hem te regelen, maar hij verdwijnt ermee. Verontwaardiging, die ook in het hotel verblijft, wordt gebeld door pater Rothschild, die zegt dat hij morgen premier zal zijn en dat hij de Japanse barones Yoshiwara, die bij hem in de kamer is, moet laten gaan.
Hoofdstuk vier:Het feest van Archie is saai en daarom gaan ze allemaal op zoek naar een andere plek om zich te vermaken. Onder de gasten bevinden zich twee journalisten (Vanburgh en Balcairn) en een zekere juffrouw Jane Brown, die is uitgenodigd door juffrouw Mary Mouse, die het hele feest heeft gefinancierd. Juffrouw Brown stelt voor om naar haar huis te gaan en daar vermaken ze zich uitstekend. Juffrouw Runcible brengt de nacht daar door en wanneer ze ’s ochtends wakker wordt, ontdekt ze dat Jane de jongste dochter is van de zittende premier, James Brown.
Hoofdstuk vijf: In het hotel is een zekere juffrouw Florence Ducane overleden, terwijl ze aan de kroonluchter slingerde. Adam ontmoet kolonel Blount, die erg vergeetachtig is, maar niet gek. Daarom ondertekent hij de cheque van duizend pond die hij Adam gaf met “Charlie Chaplin”. Nina vertelt Adam oorspronkelijk niet dat de cheque waardeloos is, dat doet ze pas nadat ze de nacht samen hebben doorgebracht.
Hoofdstuk zes: Het feest van Lady Margot Metroland. Balcairn is niet uitgenodigd, maar hij glipt naar binnen met een valse baard. Hij wordt ontmaskerd door pater Rothschild en nadat hij naar huis is gegaan, verzint hij een sensationeel verhaal over de preek van mevrouw Ape op het feest, dat hij telefonisch naar de krant stuurt. Vervolgens pleegt hij zelfmoord door de gas open te draaien.
Hoofdstuk zeven: Adam neemt de baan van Balcairn over als “de column van meneer Kletskous” in de “Daily Excess”. Omdat er een rechtszaak loopt over het verhaal dat Balcairn schreef, mag hij de namen van een van hen niet in zijn verhalen gebruiken. Daarom begint hij, na een reeks over gehandicapte leden van de hogere kringen, “interessante” mensen te verzinnen, zoals de beeldhouwer Provna, graaf Cincinnati, kapitein Angus Stuart-Kerr, meneer en mevrouw Quest en kapitein “Ginger” Littlejohn (gebaseerd op een vriendin van Nina, genaamd Ginger). Hij probeert ook nieuwe mode te creëren (bijvoorbeeld flesgroene bolhoeden en zwarte suède schoenen).
Hoofdstuk acht: Dit is het eerste serieuze hoofdstuk, waarin ideeën over de jonge generatie worden besproken, geïllustreerd door twee feiten. Het eerste is dat Adam het zat is om naar al die feestjes te gaan met al diezelfde “walgelijke figuren”. Nina troost hem. Voor het eerst ontdekken we echte liefde tussen deze twee. Het tweede feit betreft Lady Ursula, de oudste dochter van de hertogin van Stayle, die niet met Edward Throbbing wil trouwen, maar door haar ouders daartoe gedwongen wordt.
Hoofdstuk negen:Adam gaat opnieuw naar kolonel Blount, maar deze keer maken ze een film over John Wesley in zijn huis en tuin, en Blount zelf speelt een rol in de film. Adam krijgt geen geld van hem los. Ondertussen heeft Nina zijn dagelijkse verhaal voor de Excess in zijn plaats geschreven. Ze heeft het nieuws over de verloving van Edward en Ursula van Van Burgh gestolen, maar helaas schrijft ze ook: “Ik zag graaf Cincinnati Espinosa’s binnengaan in een groene bolhoed”, precies de drie dingen waarover Lord Monomark Adam had verboden te schrijven. Zo verliest hij zijn baan en kan hij niet meer trouwen. Miles is nu de nieuwe kletskous.
Hoofdstuk tien: Adam, Miles, Archie en Miss Runcible gaan naar de autoraces, omdat Miles’ vriend, een coureur op onverharde circuits, meedoet. Al snel valt hij uit de race, omdat zijn belangrijkste tegenstander, de Italiaan Marino, een moersleutel op zijn schouder heeft gegooid. Bij toeval wordt Agatha Runcible aangewezen als reservecoureur en moet ze de race voortzetten. Nadat ze de Italiaan van de weg heeft geduwd, verdwijnt ze spoorloos, omdat ze de verkeerde kant op is gereden. Ondertussen ontdekt Adam de dronken majoor, die hem vertelt dat hij inderdaad duizend pond had ingezet op Indian Runner, die de race won, hoewel niemand dat had verwacht. Op deze manier had Adam een ​​fortuin van vijfendertigduizend pond gewonnen. De majoor belooft hem te betalen, maar nadat hij wat geld van Archie heeft geleend, verdwijnt hij opnieuw. Dan komt het nieuws over Agatha’s auto, die in stukken wordt teruggevonden nadat hij tegen een monument is gebotst. Agatha zelf heeft de trein naar Londen genomen, waar ze in een donkere kamer wordt geplaatst omdat haar hersenen in de war zijn.
Hoofdstuk elf: Adam krijgt een telefoontje van Nina, die hem vertelt dat ze verloofd is met Ginger.
Hoofdstuk twaalf: Een feestje in de ziekenkamer van Miss Runcible maakt haar erg ziek. Adam nodigt Nina, die daar ook is, uit om bij hem te komen eten. Ze vertelt hem dat ze niet van Ginger houdt en dat ze met Adam zou trouwen als hij maar wat geld had. Nadat ze vertrokken is, presenteert Miss Lottie Crump hem de rekening en komt Ginger binnen om hem te vertellen dat hij Nina met rust moet laten. Adam antwoordt dat als Ginger de rekening betaalt, hij het land zal verlaten. De volgende dag krijgt Adam nieuws over de dronken majoor, dus belt hij Nina op om haar te vertellen dat hij haar terug zal kopen, maar helaas is ze al getrouwd en vertrekt ze net op huwelijksreis.
Hoofdstuk dertien: Kerstmis. Nina keert terug naar het huis van haar vader in Doubting Hall, Aylesbury, met… Adam! Ginger, die dringend nodig is in zijn regiment, is vertrokken, dus Adam heeft zijn plaats ingenomen in de hoop dat hij snel het geld van de majoor krijgt. We komen te weten dat Agatha dood is en dat Miles het land heeft verlaten. De kolonel heeft de film van meneer Isaacs gekocht en wil die nu aan Adam verkopen. Maar dan komt de dominee binnen en kondigt aan dat er een oorlog is uitgebroken!
Happy end:Adam vecht in Frankrijk en krijgt een brief van Nina, die een kind van hem verwacht, maar Ginger denkt dat het van hem is (?). Archie zit opgesloten als ongewenste vreemdeling en het huis van de kolonel is nu een ziekenhuis. Adam ontdekt eindelijk de dronken majoor, die nu generaal is. Hij wil Adam terugbetalen, maar een pond is tegenwoordig bijna niets meer waard. In plaats daarvan gaan ze in de auto van de generaal op zoek naar champagne. In de auto vinden ze Chastity, die, nadat ze door Lady Metroland naar Buenos Aires was gestuurd, zich nu bij alle legers heeft aangesloten. De generaal wil met haar de liefde bedrijven, Adam valt in slaap en de gevechten zijn weer begonnen.
BRIDESHEAD REVISITED
Alhoewel een satire op de journalistiek reeds terug te vinden is in “Vile bodies” (met name over Mr.Chatterbox’s column), zette Waugh zijn voormalige collega’s vooral te kakken in “Scoop” (1938), en eveneens maar in geringe mate de high society, de politiek en de (verarmde) landadel. Alles draait om een journalist die een kleine rubriek verzorgt en plots bij vergissing als belangrijk buitenlands correspondent naar een fictief Afrikaans land gestuurd wordt waar een burgeroorlog zou uitgebroken zijn. Een onwaarschijnlijk verhaal, wat niet zo erg is, mocht de humor waarmee de roman doorspekt is enigszins voldoen. Humor… helaas haalt Waugh in dit opzicht hier geen niveau. Het blijft allemaal voorspelbaar, grappen en grollen. Zowel de personages als de situaties zijn clichématig. Alles mist het subtiele. Kolder, burleske, het ligt er vingerdik op. Zo de landadel b.v., een groep overwegend bejaarde mensen die bijna stervensdood (net als hun bedienden) en bedlegerig is – overdreven schetsen zijn het. Of een vrouw uit de high society die, beroemd wegens echtgenote van een politicus, met haar auto de files ontwijkt door over het voetpad Londen te doorkruisen, de mensen de stuipen op het lijf jaagt maar toch minzaam door hen wordt nagezwaaid omwille van haar status; en dan met haar auto een trap afrijdt en in het herentoilet belandt… nu ja! Nee dit boek rangschik ik niet onder de hoogvliegers.
Voor “Scoop” had hij Bill Deedes van The Morning Post als model genomen en hij baseerde zich verder op zijn eigen ervaringen als oorlogscorrespondent in Abessinië. Die ervaringen komen trouwens nog veel explicieter aan bod in de trilogie “The Sword of Honour” met “Men at arms” (1952), “Officers and Gentlemen” (1955) en “Unconditional surrender” (1961). Hierin maakte hij het zo bont dat hij reeds in 1957 (toen de trilogie dus nog niet eens àf was) moest verdedigen in “The Ordeal of Gilbert Pinfold”.
Toch is hij vooral bekend door zijn enige niet-satirische roman, “Brideshead revisited” (1945), een nostalgische terugblik op zijn studententijd in Oxford als één van die arrogante, intelligente, steenrijke jongelui (“bright young things”) die hij later zo onbarmhartig zou ontleden.
In “The loved one” (1948) haalde hij vooral uit naar het gebrek aan enig niveau in de Amerikaanse samenleving, meer bepaald in verband met de dodencultus.
Het Tweede Vaticaans Concilie was een klap in het gezicht van deze anti-semitische snob, die een hekel had aan kinderen. Aan Mitford schreef hij: “Dat Tweede Vaticaans Concilie wordt nog mijn dood.” En effectief, Waugh stierf op Paaszondag van 1966 aan een hartinfarct in Combe Florey, bij Taunton (dat was op 10 april). Zijn zoon Auberon Waugh kreeg later ook bekendheid als journalist en schrijver.

Johan de Belie & Ronny De Schepper

(*) Het moet voor zo iemand wel een verschrikkelijke slag geweest zijn dat hem de communie werd geweigerd zolang hij zich niet had verzoend met de man “wiens vrouw hij had verleid”. Dus stuurde hij een brief in die zin naar Waugh. Deze antwoordde met een prentkaart met daarop slechts vier letters: “O.K. – E.W.”

Referenties
Selena Hastings, Evelyn Waugh, a biography, Londen, Sinclair-Stevenson, 1994.
Dirk Martens, Stijve bovenlip, slecht karakter, De Standaard, 1 februari 2003.
Charlotte Mosley, The letters of Nancy Mitford & Evelyn Waugh, Londen, Hodder & Stoughton, 1996.
Marcel van Nieuwenborgh, He-Evelyn & She-Evelyn, Standaard der Letteren, 19 november 1994.
Marcel van Nieuwenborgh, “Fuck the socialists!”, Standaard der Letteren, 9 januari 1997.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.