Op 5 april 1566 kwamen zo’n 200 edelen bijeen afkomstig uit alle delen van de Nederlanden. Ze verschaften zich toegang tot het Paleis op de Koudenberg en overhandigden het zogenaamde Smeekschrift der Edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma. (Schilderij van Edouard de Bièfve uit 1841)

Het verzoekschrift veroordeelde de Inquisitie in felle bewoordingen en dreigde nauwelijks verholen met gewapende opstand als er geen einde zou komen aan de vervolging. Nochtans keerde het smeekschrift zich voor het overige niet tegen het gezag van koning, regering of kerk.
Bij de overhandiging werden de edelen bedacht met de naam gueux (bedelaars), die ze als een eretitel gingen aannemen (vandaar: geuzennaam). Margaretha reageert oorspronkelijk positief: de Inquisitie werd opgeschort en een delegatie werd naar Spanje gestuurd om een ​​petitie in te dienen bij Filips II. De koning liet lang op zich wachten en wees de verzoeken uiteindelijk af. Ondertussen was een groot aantal protestanten uit ballingschap teruggekeerd en andere protestanten durfden zich nu openlijk te vertonen. Grote aantallen protestanten, met name calvinisten, begonnen gebedsbijeenkomsten te houden buiten de stadsmuren. Deze openluchtpreken van calvinistische predikers, hoewel aanvankelijk vreedzaam, veroorzaakten veel onrust bij de lokale en centrale autoriteiten. In augustus 1566 begon in het verarmde industriegebied rond Steenvoorde een golf van aanvallen op katholieke kerkgebouwen, waarbij religieuze beelden werden vernield door woedende calvinisten, die van mening waren dat deze beelden in strijd waren met het Tweede Gebod tegen beeldenverering. Al snel overspoelde deze Beeldenstorm het hele land. Hoewel de centrale autoriteiten deze opstand uiteindelijk onderdrukten, leidde deze tot de strenge repressie door de hertog van Alba, die de aanleiding zou vormen voor de Nederlandse Opstand en de Tachtigjarige Oorlog.

Ronny De Schepper

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.