Franco Corelli debuteerde op 27 januari 1961 in de Metropolitan Opera in New York als Manrico in Il trovatore , tegenover sopraan Leontyne Price als Leonora die die avond ook haar huisdebuut maakte in The Met. Na afloop werden ze maar liefst 35 minuten lang toegejuicht.
Een week later, op zaterdag 4 februari 1961, werd de matineevoorstelling van Trovatore live uitgezonden op het radionetwerk van de Texaco-Metropolitan Opera. New York was getroffen door een zware sneeuwstorm, maar de zaal zat vol met een enthousiast publiek, dat door de recensies was geattendeerd op de sensationele nieuwe zangers. Deze opname werd later op CD uitgebracht.
Leontyne Price was in New York al een bekende naam dankzij optredens op Broadway, in concerten en op televisie, en ze had al triomfen gevierd in operahuizen in Wenen, Milaan, Londen, Chicago en San Francisco vóór haar debuut bij de Metropolitan Opera. Haar eerdere successen zorgden voor hoge verwachtingen. Daarbij kwam nog dat ze een belangrijke Afro-Amerikaanse zangeres was die een cruciaal debuut maakte op een belangrijk moment in de burgerrechtenbeweging, en elk nieuwsbericht besteedde er aandacht aan. Ondanks dit alles voldeed Price aan alle verwachtingen en liet ze critici naar superlatieven zoeken.
“Ze is uitgegroeid tot een prachtige zangeres,” schreef New York Times-criticus Harold Schoenberg. “Haar stem, warm en welluidend, heeft genoeg volume om de zaal met gemak te vullen, en ze heeft een goede techniek om die stem te ondersteunen.”
De voorpubliciteit rond Franco Corelli concentreerde zich vooral op zijn knappe uiterlijk, met een krant die kopte: “Zal Corelli’s stem zijn uiterlijk evenaren?” De reactie van het publiek liet daar weinig twijfel over bestaan. “Zijn stem heeft iets opwindends en dierlijks in zich… Er is iets aan zijn werk dat het publiek enorm in vervoering bracht,” merkte de Times op. En de Herald-Tribune schreef: “Zijn keel barstte van de gouden tenortonen, met de heldere, krachtige stoten in de hoogte die zo betoverend waren voor het Italiaanse oor… Het was gisteravond betoverend voor alle oren…”
Zowel Price als Corelli waren in topvorm voor de uitzending. Price zong haar aria’s met grootse, meeslepende frasen en verbluffende schoonheid. Corelli’s briljante, heroïsche timbre had precies de “opwindende, dierlijke drive” die de criticus opmerkte, ondanks het feit dat de tenor na de eerste akte backstage zijn enkel had verstuikt. De ervaren Fausto Cleva dirigeerde (op de première was dit Herbert von Karajan, RDS), Irene Dalis was Azucena, Mario Sereni verving Robert Merrill op het laatste moment als Di Luna, en de zeer jonge Teresa Stratas zong de bijrol van Inez.
Leontyne Price en Franco Corelli werden natuurlijk legendes. Price zong nog vierentwintig jaar bij de Met, en afgezien van
Aida was de Leonora-rol in Trovatore de rol die ze het vaakst vertolkte. Corelli zong 365 voorstellingen bij de Met voordat hij in 1975 met pensioen ging.