Het is vandaag ook al dertig jaar geleden dat de Ierse gitaargod Rory Gallagher is gestorven.

Rory Gallagher begon zijn carrière in de vroege jaren zestig als gitarist met de Fontana Showband. In de jaren 1964 en 1965 speelde hij in de Impact Sound Show Band (later The Impact Sound en tenslotte The Impact). In 1966 formeerde hij het powertrio Taste met Eric Kitteringham (bas) and Norman Damery (drums). In 1967 nam dit trio wat demo’s op die in de jaren zeventig op LP verschenen onder de titel Taste In The Beginning. Nog in datzelfde jaar werden John Wilson en Richard “Charlie” McCracken resp. de nieuwe drummer en bassist van Taste en met hen zou Gallagher drie jaar samenwerken. Deze periode leverde twee studioalbums op: Taste en On The Boards. Een stortvloed van bootlegs werd in die tijd uitgebracht. Om dit tegen te gaan bracht platenmaatschappij Polydor zelf Live in Montreux en Live At The Isle Of Wight uit. Taste werd in 1970 ontbonden na onenigheid over de financiële huishouding en de rol van het management hierin.
Met Gerry McAvoy (uit Deep Joy) op bas en Wilgar Campbell (uit The Method) op drums ging Gallagher vervolgens verder onder zijn eigen naam: The Rory Gallagher Band of Rory Gallagher and his band. In 1973 vertrok Campbell naar The Mick Abrahams Band en werd vervangen door Rod de’Ath uit Killing Floor. Korte tijd later werd ook de toetsenist van Killing Floor, Lou Martin, lid van Rory’s begeleidingsband.
Gallagher werd door het muziekblad Melody Maker in 1972 en 1974 uitgeroepen tot ’s werelds beste gitarist. De elpee “Live in Europe” was een grandioos succes en hij speelde ook mee op de London Sessions van Jerry Lee Lewis.
Rory Gallagher genoot ook in het Oostblok een grote populariteit. De band zou een naam opbouwen met marathonoptredens tijdens veelvuldige tournees. Zo speelden zij op 15 december 1973 tijdens een nachtconcert voorafgaand aan een autoloze zondag in De Doelen in Rotterdam net zo lang door tot de bezoekers de eerste trein naar huis konden nemen. In de jaren zeventig speelde ook de Belgische bluesgitarist Roland Van Campenhout vaak mee in de band van Gallagher. Ik moet ze ooit samen gehoord hebben op de Gentse Feesten, maar was helaas in dergelijke toestand dat ik mij er niets meer kan van herinneren.
Gallagher had veel succes met zijn live-optredens, maar scheen er nooit in te slagen dat in de studio op de plaat vast te leggen. Hij schuwde met zijn houthakkershemden en zijn afgeragde Fender Stratocaster alle vormen van glamour en deed ook nooit een poging een hit te maken. De ’61-stratocaster had dit afgeragde uiterlijk overigens vooral gekregen door het zweten Gallagher en niet zozeer door ruw gebruik: door een zeldzame bloedgroep zweette de gitarist dermate zuur dat het als een soort verfafbijt fungeerde. Hij had een grote schare trouwe fans onder wie vele epigonen die tijdens zijn concerten luchtgitaar speelden.
Tijdens een concert in januari 1995 in Nighttown in Rotterdam bleek Gallagher zo ernstig ziek, dat het voortijdig moest worden afgebroken. De zanger werd opgenomen in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en later overgebracht naar een ziekenhuis in Londen. Daar onderging hij in april 1995 een succesvolle levertransplantatie. Hij overleed echter twee maanden later aan een longontsteking. Hij ligt begraven aan de Saint Oliver’s Cemetery in Cork.
Gallagher wordt jaarlijks herdacht met de tributeconcerten “Cork rocks for Rory” in Cork en “Going to my home town” (ook de titel van mijn meest geliefkoosd nummer van hem) in zijn geboorteplaats Ballyshannon. In Ierland is hij geëerd met standbeelden en zijn verscheidene straten naar hem genoemd. Postuum werd door zijn broer Donal het album Wheels within wheels uitgebracht, waarop Gallagher onder andere samenwerkt met de Spaanse gitarist Juan Martín, Ronnie Drew van The Dubliners en Béla Fleck.
In 1997 bracht de firma Fender een speciale Rory Gallagher Signature Stratocaster op de markt, die tot in de kleinste details (inclusief alle beschadigingen) op Rory’s favoriete gitaar lijkt. Gallagher had zijn exemplaar (gefabriceerd in 1961) in 1963 tweedehands in Cork gekocht voor 100 pond. Als ik mij niet vergis, is het op dit moment in het bezit van Roland Van Campenhout.

Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia)

2 gedachtes over “Rory Gallagher (1948-1995)

  1. De stratocaster van Rory Gallagher had zijn afgeragde uiterlijk dus vooral gekregen door het zweten Gallagher. Tijdens de cellowedstrijd vroeg ik me daarom af waarom dit bij cellisten (en overigens ook violisten) niet méér voorkwam. Ik heb één deelnemer gezien bij wie het vernis bovenaan de cello wat verdwenen was (ik weet helaas niet meer wie het was), maar als men weet dat men een gitaar op de buik speelt, dan zouden cello’s en violen die men onder de kin houdt, daar toch meer last van moeten hebben? Ettore Pagano b.v. die liet heel wat zweetdruppels achter op zijn instrument, maar toch viel er niks aan te merken. (Misschien kwam dat ook omdat hij op een moderne cello speelde, die daarvoor misschien resistenter zijn dan de oudere modellen?) Ik vroeg het aan chatgpt.

    Interessante observatie. De verklaring zit waarschijnlijk in een combinatie van materiaal, afwerking, speelhouding en onderhoud.

    Bij de beroemde Stratocaster van Rory Gallagher speelde inderdaad mee dat zijn zweet uitzonderlijk zuur zou zijn geweest. Sommige bronnen spreken over een zeldzame bloedgroep, andere over een combinatie van huidchemie, intensief zweten en jarenlang vrijwel onafgebroken gebruik. Hoe dan ook: de nitrocelluloselak van Fender-gitaren uit die periode was relatief kwetsbaar, zodat zweet, huidvetten en wrijving de lak geleidelijk konden aantasten.

    Bij violen en cello’s ligt dat anders.

    1. Het vernis van strijkinstrumenten is anders samengesteld

    Het traditionele vernis op een viool of cello bestaat meestal uit harsen en oliën en wordt in zeer dunne lagen aangebracht. Het is weliswaar niet onverwoestbaar, maar reageert anders dan de lak van een elektrische gitaar. Bovendien zijn veel historische instrumenten al eeuwenlang blootgesteld aan zweet en gebruik; restaurateurs weten precies hoe ze slijtage moeten beperken.

    2. Het zweet komt niet op dezelfde plaatsen terecht

    Een gitarist heeft voortdurend contact met het instrument:

    • rechteronderarm op de klankkast;
    • buik en borst tegen de achterzijde;
    • beide handen op hals en toets.

    Een cellist raakt zijn instrument veel minder met de huid:

    • de linkerhand zit vooral op de toets, die uit ebbenhout bestaat en niet gevernist is;
    • de cello rust grotendeels tegen kleding;
    • het zweet dat van het gezicht loopt, bereikt meestal niet de kwetsbaarste vernislagen.

    Bij een violist is er wel rechtstreeks contact tussen kin/hals en het instrument, maar precies daarom is er een kinsteun aangebracht. Die neemt het grootste deel van de belasting op.

    3. Strijkers poetsen hun instrument voortdurend

    Professionele strijkers vegen na vrijwel elke repetitie of elk concert hun instrument af met een zachte doek. Dat gebeurt niet alleen om zweet te verwijderen, maar ook om harsstof van de strijkstok weg te nemen. Daardoor blijft agressief zweet zelden lang op het vernis liggen.

    4. Slijtage komt wel degelijk voor

    Als u oude instrumenten bekijkt, ziet u vaak:

    • afgesleten vernis aan de hals;
    • kale plekken rond de schouders van de cello;
    • slijtage naast de toets;
    • beschadigingen onder de kin bij violen.

    Sommige beroemde instrumenten vertonen zelfs zeer uitgesproken gebruikssporen. Alleen ziet dat er meestal anders uit dan de “relic”-uitstraling van Gallaghers Stratocaster.

    5. Moderne cello’s zijn niet noodzakelijk resistenter

    Dat Ettore Pagano’s moderne cello er ongeschonden uitzag, hoeft niet te betekenen dat ze beter bestand is tegen zweet. Een nieuwe cello heeft simpelweg nog niet de duizenden speeluren achter de rug van een instrument dat al tientallen jaren intensief gebruikt wordt. Bovendien worden wedstrijdinstrumenten vaak bijzonder zorgvuldig onderhouden.

    Wat ik tijdens de Elisabethwedstrijd zelf opvallend vond, is dat sommige kandidaten inderdaad zichtbaar transpireerden — Pagano was daarin zeker niet de enige — maar dat het zweet meestal op de handen, het voorhoofd of de armen terechtkwam en niet langdurig op het vernis bleef liggen. Een gitarist die avond na avond met zijn onderarm op exact dezelfde plek van de klankkast schuurt, stelt zijn instrument aan een veel intensere combinatie van zweet én mechanische slijtage bloot.

    Daarom is de vergelijking met Gallagher eigenlijk minder evident dan ze op het eerste gezicht lijkt: bij hem was niet alleen het zweet, maar vooral de combinatie van zweet, wrijving, dunne lak en jarenlang onafgebroken gebruik verantwoordelijk voor dat legendarische afgeragde uiterlijk.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.