In 2000 verschijnt de roman “Geheime kamers” van Jeroen Brouwers. Het is het eerste boek dat ik van hem lees, zo’n twintig jaar later…

Tot mijn verbazing leest het erg vlot. Dat komt omdat het eigenlijk tamelijk rechtlijnig een eenvoudig liefdesverhaal vertelt tussen een klassieke zangeres en een neuroot, een angsthaas, een “broekschijter”, zoals men in het dialect zegt en wat hier helaas maar al te letterlijk op te vatten is. Toegegeven, de diva gebruikt de verliefde ik-persoon om het wantrouwen van haar echtgenoot (een jeugdvriend van de ik-persoon) af te leiden van een andere, veel belangrijker liefdeshistorie, maar toch is het verhaal hoegenaamd niet “gelaagd”, zoals de modeterm dan luidt. Men ziet de “plotpoints” al van verre aankomen. Ook de titel mag hiervan een goed voorbeeld zijn. Alhoewel het reeds op het eerste gezicht (zelfs zonder het lezen van de roman) duidelijk is wat hij wel zou kunnen betekenen, wordt dit toch nog eens omstandig uitgelegd op p.87.
In recensies wordt er nogal eens met “Madame Bovary” van Gustave Flaubert geschermd, maar dat is helemààl ten onrechte. Toevallig had ik vóór “Geheime kamers” net een werk van Flaubert gelezen (“Salammbô”) en dàt was dan weer naar aanleiding van het feit dat ik dààrvoor “Flaubert’s parrot” van Julian Barnes had gelezen (aangezien ik “Madame Bovary” jaren geleden al eens gelezen had, gaf ik de voorkeur aan een ander meesterwerk van Flaubert). Welnu, de tegenstelling met deze twee auteurs kan niet groter zijn. Het overmatig tentoonspreiden van eruditie die ik bij Brouwers meende te vinden, is inderdaad veeleer bij Barnes aanwezig, en de wijdlopige stijl van Flaubert staat helemaal haaks op het vlotte proza van Brouwers. Nee, als er één naam is die mij te binnen schiet als vergelijking, dan is het die van… Tim Krabbé, al wordt die in kringen van Brouwersfanaten (“Jeroen Brouwers schrijft een boek”…) wellicht als “ontspanningsliteratuur” afgedaan.
Het ziet er dus naar uit dat ik om totaal verkeerde redenen Brouwers al die tijd links heb laten liggen. Waaraan kan dat gelegen hebben buiten het feit dat Brouwers in bepaalde kringen zozeer werd opgehemeld dat ik mij van de wederomstuit van hem heb afgekeerd? Het heeft ongetwijfeld ook te maken met zijn werkzaamheden bij Manteau. Ik herinner me denigrerende opmerkingen over haast alle Vlaamse auteurs, die Brouwers naar eigen zeggen voor het grootste gedeelte zou hebben herschreven vooraleer men tot publicatie kon overgaan. Het spreekt dus vanzelf dat ik vooral aandacht had voor het taalgebruik van Brouwers. Maar ik moet toegeven: dat was uitstekend. Een beetje overdreven zelfs. Soms leek hij wel met een woordenboek naast zich te schrijven (*), maar over het algemeen moet ik stellen: het is wellicht de beste stilist uit het Nederlandse taalgebied.
Ik heb uiteindelijk slechts enkele opmerkingen. Zo gebruikt Brouwers regelmatig (namelijk altijd) het bijwoord “regelmatig” als hij “geregeld” bedoelt. Slechts één voorbeeld uit de velen: “zoals ik dat in onze studentenjaren ook regelmatig had gedacht” (p.195).
Daarnaast gebruikt hij ook voortdurend tangconstructies. Hier heb ik enkele voorbeelden bij elkaar gebracht, maar ook deze reeks is quasi eindeloos: “Ik weet echt niet waar je het over hebt.” (p.163) “Ik bleef bedremmeld staan bij de deur van deze paleiszaal, waar Daphne zich in rond bewoog…” (p.230) “een soapserie, waar Paula zo verslaafd aan was…” (p.231).
In de loop der tijden heb ik echter al lang afgeleerd zowel het eerste als het tweede als een “fout” te benoemen. Nee, de enige échte fout waarop ik Brouwers tenslotte heb kunnen betrappen, is merkwaardig genoeg de titel van de opera van Gaetano Donizetti “Lucia di Lammermoor”, wat Brouwers als “Lammermore” schrijft (p.108). Aangezien hij aangehaald wordt in een context van snikken en huilen, dacht ik eerst nog dat het een woordspeling was: “to lammer more”, naar analogie met ons dialectwoord “laméren”. Maar dat “laméren” is in het Engels “to lament”, dus dat zou wat vergezocht zijn…

Ronny De Schepper

(*) Eigenlijk is dit een allusie op een stupiditeit die ikzelf eens heb uitgehaald bij het schrijven van “Twice upon a time”. Zoals ik daar heb uitgelegd, is dit boek oorspronkelijk tot stand gekomen uit een briefwisseling tussen Johan de Belie en mij. Toen het op een bepaald moment “mijn beurt” was en ik zonder inspiratie zat, nam ik letterlijk een woordenboek, sloeg dat open en dwong mijzelf om het eerste woord dat ik niet kende in een zin te gebruiken. Dat heb ik zo ongeveer een pagina lang volgehouden. Alhoewel de tekst later nog herhaalde malen is bewerkt, kan een aandachtig lezer de resultaten van dit onzinnige experiment nog steeds terugvinden in de roman.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.