Lap zie ik hem daar niet aan de einder verschijnen, de stratus… dat voorspelt een druilerige regen indien ik me niet vergis. Of is het een nimbus, dat belooft een reeks regenachtige dagen. Welnee het blijkt allicht een cirrus te zijn, windveren, gestage regen. Gelukkig geen cumulonimbus, met zijn zware regenval… Grrr… regens. Ze rukken onvervaard op. Waarom ik er een hekel aan heb? Mijn grootste bezwaar is dat ik er zo verduiveld nat van word! En een hekel hebben is nog wel heel zwak uitgedrukt, ik haat dat vervloekte hemelvocht. Ik steiger zohaast ik vermoed dat de lucht donker wordt – overdag -, dat er wolken dreigen, dat die weliswaar fraaie en tot dromen aanzettende constellaties boven mijn hoofd op het punt staan hun last te lossen in mijn buurt. Mooie grillige vormen bezitten ze soms, je kan er allerlei in lezen, fantaseren. Dat genoegen is evenwel vaak van korte duur. Haast je, rep je… daar komt hun dodelijke lading (nu ja) op uw onschuldig hoofd terecht. En op de rest van uw al even kwetsbare onderdelen.
Is het de schuld van de weergoden? De Noorse Frea, of deze van de Maya, Chaac. Isjkoer wellicht die door de Hettieten vereerd werd, of Rudra en Parjanya van de Hindoes… Zeus bij de Grieken en Jupiter bij de Romeinen bemoeiden zich er ook graag mee, de laatste werd trouwens ook Pluvius genoemd. Een recent verschijnsel is de regen duidelijk niet, in 3000 voor Christus kende men in Anatolië de regengod Perkwunos al. En dichterbij, enfin wie weet waar, dé Ark. Maar wij bezitten hoe dan ook de heilige Victor, gestorven te Marseille in 287, 21 juli. Deze van ‘Sint Victor regen zit de landman tegen’ en ‘Met Sint Victor regen, Oogst valt ontzettend tegen’. Of nog deze: ‘Met Victor regendrop levert niks op’. Enfin met zo’n halfwas heilige weet ik ook niks aan te vangen. Zoals ik evenmin veel vertrouwen heb in het scanderen van ‘No rain, no rain’, dat spreekkoor uit duizenden kelen op Woodstock bleek niet bepaald efficiënt – ja uiteindelijk wel, zoals steeds, indien je voldoende lang wacht houdt het ooit op natuurlijk, geduld vrienden, volgende week schijnt weer de zon! Je kan het zelfs zingend verwoorden zoals de band Blind Melon in ‘No rain’: “I like watching the puddles gather rain, and all I can do is just pour some tea for two”. Zo triest en landerig word je er van, wat een zielig troosteloos beeld! Regengoden, verwarrend, baden de adepten tot hen om regen te vragen in een droge periode, of smeekten ze om de overvloedige regenval en storm te laten ophouden… Of beide, beurtelings naar noodwendigheid? Wellicht wisten die goden het uiteindelijk zelf ook niet meer en raakten ze het noorden kwijt zodat ze maar wat aanmodderden. Mijn hemelwaartse vloek telkens de pluviometer in de tuin overliep, daarmee hielden ze geen rekening blijkbaar. (De barometer had ik allang op een 2de handssite gezet, die voorspelde toch uitsluitend regen). Mijn smeekbeden werden hoe dan ook nooit verhoord. Die van Noah tot zijn Oppergod evenmin. Dus bouwde hij een Ark. Ik ben niet het type dat overweegt een atoomschuilkelder in zijn tuin te construeren, nee er kome wat komt. Maar een ark… telkens het langer dan vier dagen onophoudelijk hemelwater druppelt bekruipt me de lust. Tenslotte blijk ik toch over voldoende fatalisme en een gezonde dosis luiheid te beschikken: nee, ik begin er niet aan. En dus ontdoe ik mij van mijn regenkledij, gooi mijn regenscherm weg en trotseer het watergeweld.
Regenschermen, paraplu’s… ook zoiets! Je hebt er geen bliksem aan. Probeer met dat ding maar tegen de wind op te boksen, tracht maar een positie te vinden zo dat het water terechtkomt waar het hoort. Op het ogenblik dat je het vervloekte onding op zijn plaats denkt te hebben verandert de wind van richting of bereik je een straathoek en begint de lol opnieuw. Bovendien is er die valse romantiek! Om te gruwen. “Onder moeders paraplu liepen eens twee kindjes…” Al ooit kindjes zien worstelen met een grote paraplu van papa of mama, ja om je te bescheuren, arme donders. En twee volwassenen, geliefden, gezellig toch. Uiteraard, van elk blijft het middengedeelte droog maar de ene kan zijn linker-, de andere zijn rechterhelft uitwringen. Nee, met een beetje geluk bemoeit de wind zich er definitief mee en belandt het gevaarte uiteindelijk zieltogend, als een skelet op de grond. Weggeworpen. Het tere zogezegd waterafstotend nylon in flarden om zich heen als een bos verwelkte kerkhofbloemen. Exit paraplu. Dan toch maar liever een regenjas? Hoewel, of die nu kort of lang is, er blijft toch steeds onvermijdelijk een uiterste benedengrens tenzij je voortdurend op de slippen wenst te trappen. Gevolg: doorweekte broekspijpen, sokken die voldoende water bevatten om twee kopjes thee mee te zetten en soppende schoenen. Die laatste herinneren je er drie dagen later door hun natte staat en mogelijk witte kringen (uitslag niet te verwijderen door dermatoloog noch door twee dozen schoenpoets) nog aan welke heldendaad ze hebben verricht om jou veilig maar niet droogvoets naar huis te brengen. Indien zo’n jas, bijgenaamd parka, voorzien is van een attribuut gemeenzaam ‘een kap’ genaamd: zie boven bij paraplu. Wat je ook doet, de wind blaast het beschermend kopdeksel af van het lichaamsdeel dat het voor wateroverlast moet behoeden. Je tracht het op te lossen door ruggelings tegen de wind in te lopen, botst dan uiteraard op evenzeer door de nattigheid gekwelde en derhalve humeurige medemensen of erger, je struikelt over een losse steen (want je kan er donder op zeggen, net dààr ligt een losse steen) of knalt tegen een of ander paaltje of zijn grote broer aan. Rampscenario’s in overvloed en ongetwijfeld pik je er één uit. Gegarandeerd trap je daarna ook nog op zo’n steen waaronder zich een plasje heeft gevormd: dat water blijft volgens natuurkundige wetten niet ter plaatse maar wipt gezien de neerwaartse druk erop uitgeoefend, omhoog, recht tegen jouw broek en sok aan om zich daar te verlustigen terwijl het restant afdruipt in jouw schoen. Weet je wat nog zo’n leuk attribuut is bij regenweer? Behoor je tot het begenadigd heir der brillendragers… Welnu, het motregent, er hoeft slechts één armzalige druppel op het glas te belanden of lap jouw beeld van de realiteit ligt al aan flarden. De glimlach op het gelaat van de toevallige passant verandert bij toverslag in een grimmige grijnslach. Uiteraard herken je zelfs, nadat er zich zes druppels over de glazen hun weg zochten, je moeder niet meer en vraag je je af wie die rare dame is die je daarnet omhelsde. Terwijl je, nadat je voor de vijfde keer getracht hebt de bril van het overtollige nat te ontdoen, je zakdoek kan uitwringen en als een natte prop in de broekzak laten verdwijnen waar het vocht langzaam doorheen het textiel nu ook nog jouw dij aangenaam bevochtigt.
Aha dan heb je de auto’s die jou, argeloze voorbijganger, slachtoffer, ook nog zijdelings belagen. Want natuurlijk bevindt zich, terwijl jij je voort haast om iets minder dan verzopen de thuishaven te bereiken en aan wal te stappen, precies ter hoogte van jouw frêle lichaam een plas op het wegdek. De niets ontziende, in het droog zittende automobilist raast daar grijnslachend doorheen, jou bespattend en besmeurend. Niet dat het er nog veel toe doet natuurlijk, nat was je toch al. Maar het gaat om het gebaar! De auto, daarin kan het gezellig zijn. De regen die roffelt op het dak terwijl je je er lekker niet om hoeft te bekommeren. Tenzij je in een doorgeroeste oude bak rijdt, dan riskeer je een druppel op je neus, voorhoofd, vleesklak, of waar dan ook. En de ellende met de ruitenwissers is ook niet te overzien. Te traag, te snel. Of ze schuren krassend over de ruit want die spullen zijn in ons klimaat uiteraard binnen drie weken versleten: ze zouden in roestvrij staal moeten zijn!
Niet alles is zo negatief, ik wil best erkennen dat er wel wat moois is aan al dat water. De regenboog bijvoorbeeld, ik mag hem graag al eens zien opdagen. Of het fenomeen ‘duiveltjeskermis’, zon en regen tegelijk, kan fraai zijn – tenminste wanneer ik binnen zit. Zo weet ik ook wel te genieten van een fikse bui op een landerige zondagnamiddag, de lucht inktzwart, het kletteren tegen de ramen, dat past bij de stemming. Of druppels die traag van het glas glijden en de wereld een ander aanzien geven zodat ik mijn eigen film weet te creëren, poëzie… Alles indien ik maar niet nat word! Dan mag het voor mij oude wijven regenen, zo met die belletjes en blaasjes op de grond… En herinneringen zijn er ook, aan gezellige natte dagen die binnenshuis doorgebracht werden, knus, lezend, laat het water maar stromen over de wereld. Hoewel – mijn jeugd – ik meteen daaraan associeer de dracht van de afschuwelijke bivakmuts, mij over hoofd, oren, neus, mond gedrapeerd door het ouderlijk gezag. Zo’n onding dat nog net de ogen min of meer vrij liet. Ter bescherming tegen kou en tegen… de regen. Vergeet het. Na vijf minuten hemelvocht was het aartslelijke, liefst grijze spul (kleur van onze kniekousen notabene), doorweekt en woog het loodzwaar. Je hoofd verdrievoudigde niet in volume maar wel qua gewicht. Het hoofd niet de grijze massa zoals de domste van de klas dan vermoedde die zich op dat ogenblik eventjes een genie waande – profiteerde toch iemand van het natuurfenomeen. Inmiddels is zij voor dat doel in onbruik, uiteraard. Nog enkel dienstig voor amateurboefjes die bij dageraad of valavond een snoepwinkeltje binnenduiken om daar het dametje achter de toonbank het trauma van haar leven te bezorgen, 41,82€ uit de lade te grissen, en er op een gammele damesfiets vandoor te racen (of geavanceerd op een opgefokte snorfiets).
De regen, nee, niks voor mij. Dat had u misschien al begrepen. Ik hoor u al protesteren: deze zomer, meerdere hittegolven, extreme droogte! Ja dat is niet in orde. Vooral wanneer die notoire weerman van Eén, Frank De Boosere, ons telkens een glas water in de maag splitst alsof hij een verzorger in een bejaardentehuis is. Maar goed het was te warm, ook voor mij. Al prefereer ik toch een helderblauw uitspansel, met de tint van het kleed van de Maagd. Waarbij ik de bedenking maak waar dat vandaan kwam. Ik kan me niet voorstellen dat zij daarin smetteloos in de stal lag te bevallen. Het zal ooit een poëtische of religieus geïnspireerde vrijheid van een kunstenaar geweest zijn vermoed ik, en voorbeelden strekken. Of gebaseerd op een visioen. Regen, weet je er is slechts één gelegenheid waarbij ik hem wil verwelkomen: bij begrafenissen. Dan mag hij voor mijn part zijn plicht als sfeerelement naar behoren vervullen. Daar, en uitsluitend daar! Maar anders: de sluizen dicht. Tenslotte nog deze vraag: weet iemand het antwoord op de vraag van CCR, Who’ll stop the rain?
Johan de Belie