080011100, hoe vaak ik ook iedere dag dit telefoonnummer aan mijn netvlies voorbij zie paraderen, het weigert zich in mijn geheugen te verankeren. Het is geen moedwil. Ik weiger het niet bewust. Het is mijn onderbewuste dat zich verzet, dat niks wil te maken hebben met wat schuilgaat achter deze opeenvolging van cijfers. Stel u voor dat ik werkelijk dit nummer intoets en een levend wezen (m/v) akoestisch ontmoet, iemand die mij zalvend verwelkomt maar toch reeds met een licht verwijt doortrillend in zijn of haar stembanden! Vermoedelijk zal dat individu me bovendien feliciteren omdat ik de stap gezet heb te telefoneren. Want dit is, zo zal mij misschien meegedeeld worden, belangrijk, die eerste stap. Die eerste telefoon naar ‘tabakstop’. Nee, dat nummer zal er nooit in slagen zich binnen te dringen in mijn grijze massa die afgeschermd wordt door een nevelsliert die bestaat uit meer dan zeventig kankerverwekkende stoffen.

Ontwaken. De slaap uit de ogen wrijven. Uit bed. Koffiezetten. Het ‘moment suprême’ nog even, heel even uitstellen. Een kwelling. Een zoete kwelling. Want ik weet, de beloning zal des te groter zijn. Hoe langer ik wacht des te groter zal de impact zijn. Mét de seconde stijgt het verlangen. Na elke minuut is de begeerte gegroeid. Recht evenredig. Een snel stijgende curve. Ik weet dat het geen Tantaluskwelling is, daarom kan ik van deze ogenblikken van zelfopgelegde pijn genieten. Dan is het daar. Het blinkt me als de meest getrouwe gezel, als een vriend voor de eeuwigheid tegemoet. Het lijkt onooglijk. Een pakje, een kartonnen kubus in cellofaan gewikkeld. Nauwelijks de grootte van de palm van mijn hand. Maar wat herbergt het. Wat gaat in deze grot van Ali Baba schuil. Welke schat ligt hier vierentwintigvoudigmaal verborgen. Gretig open ik het omdat ik weet welke rijkdom zich aan mij zal openbaren. Nu duld ik geen uitstel meer. Het zijn twee bevende vingers die het kleine sieraad, de begeerde edelsteen tevoorschijn toveren. Hem trefzeker – mijn ogen zijn halfgesloten in verwachting van het zo lang uitgestelde genot – naar het gelaat, de gestulpte, verwachtingsvolle lippen brengt. Daar wordt hij enthousiast onthaald, in een liefdevolle omhelzing begroet, stevig omkneld, bijna gewurgd. Wat een marteling nu! Terwijl reeds een voorsmaak de papillen binnendringt, een bitter genot zich meester maakt van de mondholte, hunkert hij naar de ultieme verlossing. Het vuur.

De aansteker trilt in mijn hand. Bijna zou ik in een vlaag van opperste verdwazing en misplaatste religiositeit een schietgebed hemelwaarts zenden opdat hij mij op dit cruciale ogenblik niet onverhoeds in de steek zou laten. Maar voor gebeden ontbreekt nu tijd en geduld. Bovendien: daar flitst reeds het verlossende, hoopgevende vlammetje, het nadert licht bevend het voorwerp van mijn uitgesteld verlangen, en dan… De smaak neemt bezit van elke vezel in mijn mond, verspreidt zich over mijn tong. Terwijl seconden later de bedwelmende stoffen na acht uren van kwellende onthouding zich meester maken van mijn brein. Een nevel, een mist verspreidt zich in mijn hersenen. Mijn brein zuigt zich met genot vol, laat me duizelen. Die eerste aanval van de nicotine en bloedverwanten, niet te vergelijken met welke sensatie ook. Hier kan geen avontuur tegenop. Deze seconden wedijveren, iedere dag, met om het even welk gevoel van trots na een prestatie, hiervoor schenk ik vriendschappen weg, doe ik liefdes cadeau, geen orgasme kan zich meten met de sensatie die mijn geest op dit ochtenduur mag beleven. Pas nu start mijn nieuwe dag definitief.

Toch moet ik bekennen dat ik sedert enkele jaren een afvallige geworden ben. Niet helemaal gelukkig maar toch bijna, in ieder geval durf ik me niet meer beschouwen als een volwaardig lid van het achtenswaardig gezelschap der rokers. Vermits ik dagelijks nog slechts zo’n zes of zeven sigaretten consumeer – een verwaarloosbaar contingent ik besef het en schaam me hiervoor diep. Terwijl ooit…! Het gros der rokers herinnert zich hoe hij zijn eerste stap op het pad van de verslaving heeft gezet. Een gedachtenis die vaak pijnlijk is en zelfs met schaamrood gepaard gaat. Mijn memorie dienaangaande is blank. Ik was geen onschuldig bloeike meer toen ik mijn eerste stappen zette op de weg van wat toen nog een trede richting volwassenheid heette maar nu een stap naar de hel (de maatschappelijke inzichten evolueren bizar snel). Het was mijn aanstaande die, zelf een gulzig consument van het product dat uit de tabaksplant gewonnen wordt, mij de richting wees. Ik bezweek. Voor de gezelligheid wellicht. Om mee te doen. Weet ik veel? Zij rookte Bastos. Ik, gek op Franse muziek en luisterend naar Franse radiostations, stortte me op Gauloises en Gitanes, het zware spul. Het zou er niet bij blijven. De tijd zou ooit rijp blijken voor het genot van sigarillos, het kleine, verfijnde broertje van de sigaar. Imiteerde ik daarmee onze huisdokter-vriend?

Jawel, je kon hem zelden zonder zo’n lichtbruin stokje in mond of hand ontmoeten, hij was een levende reclame. Getuige het feit dat hij me toen hij de bevalling deed van onze dochter die ons, en hem, op kerstavond nogal verraste en zijn kerstdiner met vrienden danig verstoorde (hij had ons, autolozen, bovendien nog thuis in allerijl opgehaald), wanneer het wicht te snel de veilige haven verliet, hij me zijn stomp nicotine in de handen duwde: “hou eens vast”. Zo had hij zijn handen vrij om de baby op te vangen en stond ik in de kraamkamer als was ik een verslaafde die men de toegang tot de steriele locatie had moeten weigeren. Het bleef er niet bij, een tijdje greep ik naar het heavy spul, de grote broer, de sigaar. Die bleek me dan toch minder te bevallen zodat ik de overstap waagde naar de pijp. Wat de beweegreden was weet ik niet meer, vermoedelijk heb ik haar zelfs nooit gekend. Er was geen voorbeeld, dus geen na-aperij; het was vast evenmin om mezelf een artistieke look aan te meten. Mogelijk was ik nieuwsgierig. Ook deze uitstap duurde niet lang en ik schakelde over naar het uiterste, een heel lichte, dunne, vrouwelijke sigaret, Dunhill. Om tenslotte eeuwige trouw te zweren aan Stuyvesant, de rode versie, die sindsdien mijn trouwe compagnon gebleven is, in storm en ontij.

Hij trotseert alle doemgedachten, alle aanvallen van buitenaf, uit de medische wereld, me uit de media bestormend. We trotseren samen alle misprijzende blikken, alle meewarige lachjes. Ja zelfs de gruwelijke foto’s en bijhorende waarschuwende teksten die men op buik en rug van mijn lieveling waagt te printen. Dat in de hoop ons genot te beknotten, een bel te laten rinkelen. Een krampachtige, totaal nutteloze poging. Wat een tijden voor ons rokers, verschoppelingen, outlaws. Verbannen uit de maatschappij. Zie ons staan, op een kluitje verbannen op het voetpad in de kou bij de deur van café of restaurant. Waar zijn ze heen de tijden van geoorloofde gezelligheid toen we zelfs in de bioscoop ongestoord aan een saffie konden lurken. Beseft u dat er jaren waren – ik heb hen nog gekend – dat een slogan de ether ingeslingerd werd die de sigaret prees als ‘het snoepje van de sportman’. Op affiches van Laurens was het ook te lezen: ‘Laurens, dé snoep van de sportman’. Er bestond zelfs een merk dat zich ongegeneerd ‘Sportsman’ noemde! Terwijl nu… Campagnes tegen, schuldgevoelens aanpraten, reclame voor nicotinepleisters en -kauwgom, therapieën, soms wordt een en ander zelfs vergoed door het ziekenfonds. We kunnen ook overschakelen op de e-sigaret: wat een aanfluiting van de goede zeden, een beschimping van alles waar de echte roker voor staat, een aanfluiting, een bespotting, een slag in het gelaat van de tabaksconsument. 

Gelukkig weet ik me geruggesteund door een aantal beroemdheden zoals Sherlock Holmes, Maigret, Hercule Poirot, het pleit voor de sigaret als stimulans van het speurdersbrein. Maar ook Basil en Sybil Fawlty waren verstokte rokers. En mijn jeugdidolen in de Nerostrips, madam Pheip (heerlijke naam!), detective Van Zwam lurkend aan een sigaar terwijl hij door een vergrootglas de oplossing van ieder raadsel zocht, een sigaar die Nero zelf zich telkens veroorloofde wanneer hij in een album rijk geworden was. Nog zo’n stripper met een onafscheidelijke peuk: Lucky Luke, nonchalant tussen zijn lippen geklemd; tot hij in 1983 bezweek voor de anti-tabakslobby en zich tot een grashalm ‘bekeerde’, het watje! Niet bepaald mijn dada maar kom, dat zij met een sigaartje over het Vlaamse scherm blijft defileren neemt mij toch in voor Carmen Waterslaeghers uit ‘De kampioenen’. En verduiveld, duikt daar ook niet de kerstman op, affiches waar hij reclame maakt voor Pall Mall, voor Camel, voor Lucky Strike! Ook in real life weet ik mij wel omringd door een massa dampende lotgenoten. Wie kan zich Churchill indenken zonder een knots van een sigaar. En rookte Barack Obama niet reeds toen hij nauwelijks tien jaar was – hij zou gestopt zijn toen hij president was maar werd gelukkig betrapt op stiekem toch nog bezwijken, hoera, driemaal hoera! Het lijkt of iedereen in de film, muziek en show zich in de nevelen hult. Lady Gaga, Rihanna, Cameron Diaz, Michael Fassbender, Ryan Gosling, Brad Pitt, Leonardo DiCaprio, Naomi Campbell. Zelfs sporters zijn niet vies van een rokertje om hun zuurstofgehalte op peil te houden, zo stak Anna Kournikova geregeld een stokje op; ze tenniste er niet slechter door. Hét boegbeeld in het Vlaanderen van de laatste decennia is Herman Brusselmans. Deze auteur kwam er met blozende wangen en getuite lippen voor uit dat hij sigaretten verslond. Helaas zou hij nu, bezwijkend voor de smeekbede van zijn vriendin, afvallig geworden zijn – de liefde kan rampzalige gevolgen hebben!

Met de wet van 1999 heeft de wetgever de reclame voor tabak aan banden gelegd. Hij verdween van het scherm. En er werden in de programma’s geen rokertjes meer opgestoken, een journalist walmde niet meer uit de mond tenzij hij in de vrieskou stond; een praatgast moest zijn nervositeit onderdrukken middels het spelen met een elastiekje, de sigaret werd hem tussen de vingers uitgerukt eer hij de studio betrad. Geen personage in een soap of feuilleton bleek nog deel van het rokersgild uit te maken, bizar. Of dat alles, de wetgeving, de campagnes, het roken een hak gezet heeft? De diehards zijn natuurlijk onversaagd. De statistieken beweren dat er zoetjesaan minder gerookt zou worden. Een hoera voor de gezondheidszorg allicht, ik geef het toe. En ik beken: het is één der domste dingen die ik ooit deed, beginnen roken! Wat een zinloze, gevaarlijke, tijd- en geldverslindende verspilling. Het kon nog dommer: mijn echtgenote en ik stopten dat verfoeide rokersgedrag gelijktijdig toen we zwanger bleken van onze eersteling – een logische beslissing natuurlijk, maar: zeer onlogisch was de stap zo’n tien jaren later toen we samen de sigaret opnieuw ter hand namen en tussen de lippen stopten. Dom? Heel dom! Oerdom! Stomstomstom. Hopelijk zijn onze kleinkinderen verstandiger dan hun grootouders…   

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.