Het staat nu wel vast, het is bewezen: het vuur werd naar de mensen gebracht door Prometheus. Hij stal het van de Olympus en bracht het als geschenk naar de wereld waar wij er onze zin mee konden doen. Waarom anders zou Zeus hem anders zulke vreselijke straf opgelegd hebben? Vastgeketend liggen aan een rots op een berg van de Kaukasus, de Elbrus of de Kazbek, en hem daar iedere dag door Zeus’ arend, zijn lieveling, zijn bliksemwerper, de lever laten uitrukken en verorberen. Waarna dat orgaan prompt weer aangroeide zodat de volgende dag de kwelling en pijn konden hernomen worden. Tot Heracles die geliefde vogel van de oppergod zou doden en dan Prometheus, onze vuurbrenger, verlossen.

Men zal opwerpen dat er bij de uitgang van het Aards Paradijs, toen Adam en Eva een schop onder hun blote derrière kregen, een engel stond met vlammend zwaard, met vuur. Nee, dat kan geen vuur geweest zijn. Dat moet een stralend licht geweest zijn. Wat werd er in de zesdaagse werkweek onder meer geschapen, jawel licht en donker; van vuur was geen sprake. Dat heeft de schepper schromelijk vergeten of doelbewust uit zijn plan geschrapt. Er was in die illustere tijden ook al een soort koude oorlog aan de gang in het hemelgewelf. Tussen het zuiden en het noorden. Terwijl Prometheus als een dief met het vuur naar de aarde sloop, zou volgens wat de goden uit het noorden beweerden, hùn god Loki hetzelfde gedaan hebben. Hij zou daar niet voor gestraft zijn, wel later omdat hij betrokken was in het complot bij de moord op de god Balder. Toen werd hij opgesloten in een grot, vastgebonden met de ingewanden van zijn zoon terwijl boven zijn hoofd een slang hing die voortdurend gif in zijn gelaat druppelde. Nee het waren geen doetjes die goden. Het vedisme claimt dezelfde vuurdiefstal, begaan door Matarishvan. Misschien was het een triumviraat, een complot waarbij elk het vuur naar zijn deel van de wereld bracht? Een rare bende die goden.     

Wat een zegen dat dit element tenslotte toch tot ons gekomen is. In extremis. Stel u voor dat u bij uw geliefde frietkot stond, dat men u een zakje in de handen stopte met onder een flinke klad mayonaise de in de bekende langwerpige vorm gesneden conform de oerdegelijke frietjes, dit product zich zou aandienen in rauwe ongebakken vorm. Harde, niet gegaarde, koude aardappelen – knabbelen maar. Of u hebt een fraaie steak van de barbecue gehaald en uw partner protesteert “ik had toch ‘bien cuit’ gevraagd’ en deze is erger dan ‘bleu’!”, tja dan sta je mooi voor aap met een rauwe lap koe bij je Green Egg waar je nog zoveel aanmaakblokjes aan mag spenderen op kokosnoot briketten, zonder vlam geen rook. En we weten, waar geen rook is, was ook geen vuur. Dan mag je nog zo hard blazen. 

Wanneer het vuur nu precies tot de aarde nederdaalde is niet zo precies te bepalen. Men gaat ervan uit dat het 440 giga-annum geleden gebeurd is, maar het kan een jaartje meer of minder zijn – pin mij er niet op vast. De locatie waarheen het door de ene of de andere god (ik meng mij veiligheidshalve niet in hun twist) werd gebracht is ook niet zo duidelijk. Wetenschappers beweren dat het ‘ergens’ in Afrika of Eurazië was. Ja zo kan ik het ook, daar hoef je geen geograaf, brandweerman of pyromaan voor te zijn. Wat weet men dan wel voor zinnigs te vertellen? Dat het vuur actief in gebruik genomen werd zo’n 400.000 jaren geleden, in de prehistorie, nog voor de homo sapiens. En waar het zo langzamerhand allemaal dienstig was voor onze voorouders: koken, warmte, licht, en tenslotte pottenbakken en smeden. Niet dat iedereen zomaar al dadelijk zijn eigen potkachel, fornuis of cv in huis had. Wel zorgde men ervoor dat de mensen over het begeerde om hun lamskoteletje te roosteren en hun sigaret op te steken konden beschikken door het bewaren van het kostbare vuur in een soort vuurhuis. Wat de Grieken begiftigden met de naam prytaneion. De Romeinen, altijd nogal frivool en sensueel, vertrouwden het vuur toe aan de Vestaalse maagden; nu ja sensueel, ze moesten maagd blijven, het vuur dat nooit mocht doven was meteen symbool van hun ‘reinheid’. De Germanen kenden een gebruik dat tamelijk onzinnig was en hen af en toe behoorlijk wat werk bezorgde, het ‘nodfyr‘, het noodvuur. Telkens er een besmettelijke ziekte uitbrak of er een natuurramp was moesten alle vuren gedoofd worden. Zodat ze daarna verplicht waren het opnieuw te fabriceren en zaten ze wellicht collectief houtjes tegen elkaar te wrijven tot ze een vonk zagen opspringen. 

Wetenschappers beweren dat het vuur op de aarde ontstond door blikseminslagen en/of door vulkaanuitbarstingen. Een theorie als een andere, laten we hopen dat de vloek van Zeus of de speer van Wodan hen niet zal treffen, de ongelovigen! Wat hebben ze ons nog meer te vertellen? Dat er voor het vuur nodig zijn: brandstof, zuurstof en hitte; zonder deze drie krijg je blijkbaar geen vlam te zien. Tot spijt van wie het benijdt zoals iedere pyromaan die het aan deze elementaire kennis ontbreekt. Ach dat ras van geobsedeerde vuurstokers, net als de brandweer zijn zij de grote genieters van het vuur. Ja de pompiers, wat zouden ze zonder het vuur, een brandje op tijd en stond, moeten beginnen? Hun ganse loopbaan werkloos in de kazerne doorbrengen naast de doel- en zinloze rode glimmende wagens? Wie zo’n stokebrandje ook weten te genieten zijn de jeugdgroeperingen. Het hoogtepunt van hun bestaan is toch het jaarlijks kampvuur dat het bivak moet besluiten: in dweperige sentimentele roes in de vlammen staren, geest en ziel verheven, met schorre stemmen een afscheidslied aanheffend… Zo zorgt het bij tijd en wijle voor enig entertainment, laat ons al eens genieten van vuurwerk; een vuurspuwer lijkt me ook een adept. En hoe zouden we ons moeten laten cremeren zonder het bestaan van de vlammen die onze ijskoude botten tot wel 1100° verwarmen, leute verzekerd!

Vuur, niet weg te denken uit ons bestaan. Het heeft ook een plaatsje veroverd in het taalgebruik. Hoeveel spreekwoorden kennen we niet waar het een prominente plaats veroverde. We halen de kastanjes uit het vuur, of leggen het vuur aan de schenen. Het heeft overal wel symbolische betekenissen opgeëist. Ze liggen voor de hand: hartstocht, liefde, haat, vitaliteit… En deze die zelfs binnen gemeenschappen ‘functioneel’ zijn. De niet meer te doven vlam bij de vele monumenten voor de onbekende soldaat, de joodse zevenarmige menora en hun negenarmige kandelaber die ritueel belangrijk zijn terwijl op feestdagen geen vuur mag gemaakt worden. Het boeddhisme kent het homa-ritueel waar het vuur alles, materie en het mentale, kan vernietigen en/of zuiveren. Dan is er wat de wereld zou moeten verbinden, het olympisch vuur, dat telkenmale naar de heilige plaats van de festiviteiten moet gedragen worden – soms, want de afstand is niet altijd sportief overbrugbaar, mag dat al eens in een vliegtuig. Stel je voor, dé vlam in business seat terwijl jij daar niet eens een sigaretje mag opsteken. Het vuur zit dan misschien wel veilig in een lantaarntje opgesloten maar toch, dit noem ik discriminatie.

Liefde, hartstocht… het ligt voor de hand dat dit een onderwerp is voor liedjesteksten. En zo duikt het vuur hier en daar onvermijdelijk op. Hier en daar? Het is een onoverzichtelijke reeks. Van Adele met ‘Set fire to the rain’ over ‘Light my fire’, The Doors, ‘Burning down the house’ van Talking Heads. Of Tink met ‘Just like fire’, en ‘Fire’ van U2. Natuurlijk niet vergeten: Johnny Cash ‘Ring of fire’. Maar bovenal Arthur Brown met ‘Fire’: “I am the god of hellfire and I bring you FIRE”! De romantiek terzijde, we danken veel aan het bestaan van het vuur. Meer nog, zonder zouden we niet bestaan – het zou hier een frisse ijstijd zijn zonder de zon. Anderzijds hebben we ook heel wat met al die vlammen te stellen. Ze kunnen ons via natuurrampen en allerlei nogal vaak spectaculaire ongemakken het leven behoorlijk zuur maken. De spreekwoordelijke keerzijde van een gouden medaille.

De doopkaars zal allicht de eerste vlam geweest zijn die mijn levenspad belichtte. Daarna volgden jaarlijks mooi in lijn telkens de kaarsjes die op een taart mijn leeftijd moesten duiden. De vurige tongen van Pinksteren, bedoeld om me inzicht en wijsheid te verlenen, nee ik vrees dat ze mijn weg niet gekruist hebben. Evenmin heb ik – hoezeer ik ook gespeurd heb – ergens een brandend braambos gevonden dat mij de nodige rust en contemplatie zou verleend hebben. En nu… nu kan ik nog slechts hopen dat ik niet na al dit zwoegen en zweten binnenkort geconfronteerd zal worden met het verzengende hellevuur. Dat zou 69 maal heter zijn dan een vuurtje op aarde… ik vrees dat zelfs het brandwondencentrum van Neder-Over-Heembeek mij daarna niet meer zou kunnen helpen.        

Johan de Belie

Illustratie: “Prometheus steelt het vuur” door Jan Cossiers in het Museo del Prado

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.