Je hoort het niet zo vaak meer, logisch vermits het al zo’n oud nummer is, maar vanochtend werd het dan toch nog eens gedraaid. Zodat het via Radio 2 en mijn boxen de huiskamer binnenkwam. Ik werd in de tijd gekatapulteerd. Het is de eerste herinnering die ik aan mijn broer overhou. Heel vreemd vermits ik toen toch al negen jaar was. Alleen te verklaren door het feit dat hij in het gezin vooral een afwezige was vermoed ik.

Een jongen met veel, hoofdzakelijk uithuizige bezigheden. Vriendjes op straat, de scouts, het koor, ieder jaar musicals op school waar hij de hoofdrol voor zijn rekening kreeg. En het groot leeftijdsverschil tussen ons, negen jaren – hij zal zich misschien weinig om zijn kleine broertje bekommerd hebben. Een sterke band hadden we in ieder geval niet. Toen niet. Die zou pas later komen, wanneer hij het ouderlijk huis verlaten had.

Die eerste herinnering, zijn achttiende verjaardag, eind december 1957. Het grote geschenk was een platendraaier. Waar, je moet hem ook kunnen gebruiken, een plaatje bij hoorde. Dit liedje dus, dat mij aan het mijmeren bracht. Harry Belafonte, Day-O, bekender als the Banana Boat Song, een volkslied uit de Caraïben. Het zou de ganse dag door het huis schallen, afgewisseld met de B-side die er erg op leek, Star-O. Gelukkig was er ’s avonds een feestje en brachten de gasten, op de hoogte van het cadeau, allen als geschenk een single mee zodat er enige variatie in het muzikaal aanbod gecreëerd werd.

Of dat aan mijn smaak beantwoordde herinner ik me niet. Wel kan ik zeggen dat mijn broer enkele jaren later van die smaak niet op de hoogte bleek: toen ik in het ziekenhuis lag had hij voor mij een LP gekocht met de hits van Jo Leemans, een oranje hoes – zij is nog steeds in mijn bezit, zij overleefde bijna zestig jaren. Het betekent ook dat ik veel vlugger dan hij in het bezit kwam van zo’n toestel om het ding te beluisteren, ik moest niet tot mijn 18de wachten – het kakkenestje

Johan, mijn broer. Hij vergezelt mij nog steeds. Ik praat nog met hem. Beter: ik mompel tegen hem, hij antwoordt nooit. Niet verwonderlijk. Hij vertoeft al meer dan vijftig jaren niet meer op dit ondermaanse of waar dan ook. Wat zou hij dus te vertellen hebben. Als ik tot iemand spreek is het tot de jongeman, de nog maar enkele jaren gehuwde, de prille vader van een dochter van nog geen twee jaar – niet tot een oude man van 81 die hij nu zou zijn mocht hij alle eventuele ziekten of ongevallen die op zijn pad konden gelegen hebben, overleefd hebben.

Dat we in onze jeugd geen band hadden klopt niet helemaal. Hij was heel concreet aanwezig in mijn kamer via de mooie muurschilderingen: Sneeuwwitje en haar zeven kompanen conform de Disneyfilm, hij was een begenadigd tekenaar. En al werd er zelden gepraat, toch nam hij me wel eens op sleeptouw. Vreemd genoeg moet hij een soort bewondering gevoeld hebben voor de stille, wat vereenzaamde broer. Hij was een doener, ik een lezer en denker wat hem blijkbaar intrigeerde. Toen hij zijn beroepskeuze definitief bepaald had, banketbakker, en die studie had aangevat met bijhorende stages, heeft dat voor mij een aantal herinneringen opgeleverd die zich letterlijk in de suiker wentelen maar die ook geestelijk een zoete nasmaak blijken te hebben. Zo verraste hij mij op Pasen met een op school zelfgemaakte reuzegrote klok in chocolade; in die tijd waren pronkstukken van die omvang nog ongezien in onze contreien.

Er waren de stageplaatsen waar ik, het jonger broertje, telkens welkom was wanneer hij mij meenam of uitnodigde. Zo belandde ik in de keuken van Moeder Ciska in Knokke, het Zwin, werd er vertroeteld door de diensters en volgepropt met wafels en rozijnenbrood. De uitstap besloot hij met een geschenkje, een bezoek aan een souvenirwinkel waar ik een plastic benzinestation kreeg, geschikt als speeltje bij mijn collectie Dinky Toys.

Soms ging ik zelf op pad, hem even opzoeken. Waar ik zelfs een flinke fietstocht voor veil had, naar Lokeren. De markt daar, patisserie Prevenier inmiddels ter ziele. Ze hadden daar verrukkelijke taart, een eigen recept, met veel marsepein; ik keerde nooit met lege handen terug. Niet alle stageplaatsen lieten zo’n zoete nasmaak achter, voor hem dan. Ik zie hem nog als publiekslokker in het uitstalraam van een zaak die louter de befaamde babelutten maakte. Hij stond er in het zweet zijns aanschijns de zware materie, dikke worsten die op rubber leken, uit de machine te trekken, te manipuleren. Bandwerk waar een aankomend banketbakker weinig van opstak! Dat verblijf in Heist leverde wel een anekdote die ons levenslang medeplichtig zou maken; zwijgplicht tegenover onze ouders! We waren samen naar het strand in Heist, waar het gezin logeerde en hij werkte, getrokken. Mijn geliefde plek was, het gewoel en lawaai achter mij latend, zo ver mogelijk een golfbreker op te gaan – waar ik me alleen kon wanen met de onmetelijke zee. Johan volgde die dag mijn spoor; we merkten niet hoe vlug het vloed werd. Tot bleek dat we terrein verloren om tenslotte volledig ingesloten te zijn door het water, er restte ons nog een vierkante meter geprangd tegen de steile dijk. Hij, lenig en begiftigd met scoutservaring slaagde er in zijn alpinisme te bewijzen, ik evenwel… Ik kon gered worden dankzij een kleine ketting die enkele omstaanders welwillend vormden. Nee dit avontuurtje mocht de oren van onze ouders nooit bereiken… Intiemer zou het voorlopig toch niet worden tussen ons. Daar zou iets meer drastisch voor nodig zijn. Een huwelijk bijvoorbeeld.
Vreemd toch hoe twee broers zoveel jaren afstandelijk naast elkaar konden leven. Hij maakte geen deel uit van mijn bestaan. Zelfs in de herinnering aan cruciale, of toch belangrijke momenten, duikt zijn beeld niet op. Waar was hij bij feestelijke gelegenheden, verjaardagen, kerstavond, sinterklaas, het feestmaal van mijn communies, al die festiviteiten bij de familie van vader in Boom. Hij moet ons toch vergezeld hebben op die reizen daarheen, ook met nieuwjaar – jarenlang per trein, later in de auto. Soms duikt hij op in een flits. Zoals dat moment, een minuut, een flard slechts toen we op een eerste januari verkleumd het huis binnenkwamen, we allebei naar de heet gestookte kachel stormden die ik met uitgestrekte armpjes als eerste bereikte, hij tegen me aanbotste zodat ik met mijn handen op het gloeiende metaal belandde. Of een beeld, hij boven op de trap – hij moet me mateloos geërgerd hebben: ik, de stille, introverte, schreeuw mijn woede machteloos tegen hem uit terwijl hij me blijft uitlachen. Welk nut hebben zulke herinneringen…  Ze zijn zonder betekenis, voegen niets toe aan de persoonlijkheid, aan wie hij was. Toch sleep ik hen decennia mee, staan ze al die jaren in mij opgeslagen als korte filmpjes van een jongen die mijn broer bleek te zijn.
Toen was daar de aankondiging van het huwelijk. Besefte hij dat hij een andere levensfase inging en een broer zou achterlaten? Speelde het feit dat, niet zozeer de persoon van de bruid maar haar afkomst en dan nog (vreemd genoeg) de politieke constellatie een obstakel bleek voor onze ouders zodat ik een steunpilaar vormde. Die politiek, onbegrijpelijk behalve voor wie vertrouwd was met de toen nog heersende sfeer in een stad als deze van de familie van vader waar katholieken en socialisten met geslepen messen tegenover elkaar stonden. Een huwelijk tussen die twee, dat was een Romeo en Julia-drama. En ik, zag ik mijn broer met een andere blik? De volwassen man met wie een gesprek mogelijk werd. In ieder geval nam hij me mee op winkeltochten, aankopen voor de uitzet, kiezen van een outfit – loodste mij als eerste het appartement binnen waar het paar zich zou vestigen. Terwijl we praatten, en praatten… Toen hij getrouwd was, bovendien voor mij bijna onbereikbaar woonachtig in Schoten, werden de contacten zeldzamer. Maar telkens hij op bezoek kwam bleken ze aan intensiteit gewonnen te hebben. En ging ik zelfs niet enkele dagen bij hen logeren, gelegenheid om me als verrassing kennis te laten maken met de drive-in cinema. Of hij had een reeks plaatjes gekocht en liet mij er eentje kiezen, een gift; die ‘Poupée de cire, poupée de son’ van France Gall koester ik nog steeds, een kleinood. Inmiddels was hen reeds een dochtertje geboren. De opgewonden oom snelde bij het nieuws naar een winkel om er met een roze jurkje vol franjes en frullen buiten te komen – of het in de smaak viel bij de ouders is nog maar de vraag, de baby zal het een zorg geweest zijn. 
Werk, een gezin… het contact werd beperkt. Soms kwam het drietal op bezoek maar ook dan bleek er weinig gelegenheid om de broers te laten converseren. Tot die bewuste namiddag dat hij mij de France Gall schonk. Toen hij in zijn eentje opdook. Het werd een lang, intiem, vooral weemoedig gesprek. Een monoloog veeleer. Met een trieste ondertoon. Was hij niet gelukkig? Zat hem iets dwars? Het cruciale werd niet uitgesproken. Er werd gesuggereerd. Ergens doemde een schim op. Vaag werd een verlangen geuit. En onderdrukt. Over pijn gesproken. Uitzichtloosheid. Raad gevraagd waar die onmogelijk kon gegeven worden. Er werd geen oplossing voor het leven aangereikt – dat werd allicht ook niet verwacht. Het enige was: zich even uitspreken, al bleef het deels in bedekte termen. We waren broers. 
Enkele dagen later was hij er niet meer. Zijn 2-chevaux, een mistbank in de vroege ochtend, een vrachtwagen die de snelweg opreed, een uitgebrande wagen… Momenteel is hij nog een foto, voortdurend zichtbaar hier, soms valt mijn blik er op, toevallig. Ik spreek hem niet aan dan. Dat gebeurt soms op andere ogenblikken. Het is eenrichtingsverkeer. Antwoorden doet hij niet. Hoe zou hij kunnen, hij is niet meer. Hij zou nu, zonder bezweken te zijn aan een of andere kwaal, zonder ander ongeluk, zonder welke catastrofe het leven anders in petto mocht gehad hebben voor hem, 81 jaar zijn. Een heel oude broer. Ik klaag en zeur wel eens, denkend dat hij luistert. Ik protesteer dat het leven, al die jaren, ook niet zo fraai is om geleefd te worden. Of ik vraag me af of hij wat ik schrijf kan appreciëren. Ik denk dat hij monkellacht, net als op die foto. En knikt – maar de foto blijft star, het is schijn, een schim. Gedurende 3’02” zitten we zwijgend naast elkaar, luisteren naar Belafonte, de jaren trekken ons voorbij. Te weinige jaren samen, te korte momenten, te zeldzame woorden, te korte zinnen. Beelden, klanken, een stem… alles vervaagt, en daagt dan weer op uit de nevel van een verre herinnering en een weemoedig gemis. 

Johan de Belie          

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.