Van een hoofd vol luizen tot een erotiserende trilmachine, mijn eerste kennismakingen met Brussel leerden mij bitter weinig over Brussel.

Van die eerste uitstap naar de hoofdstad herinner ik mij zelfs niets. Behalve wat de woorden, de summiere verhalen van mijn ouders in mij nalieten. Ik moet zo’n vijf of zes jaar geweest zijn toen mijn moeder mij meenam op bezoek naar mijn oma die, dement, ‘geplaatst’ was in een opvanghuis bij nonnen in Brussel. Zij had in ons gezin, bij haar dochter, ingewoond maar de toestand was wegens haar ziekelijke agressiviteit die blijkbaar gevaar opleverde voor de kleuter die ik was, onhoudbaar geworden. Dus: naar een instelling die als één der beste des landes gold naar zeggen van haar zoon, een kopstuk van CM – hij zou het wel weten! Tot we arriveerden en er vastgesteld werd hoe verwaarloosd oma er lag, hoe de luizen over haar kussen kropen. Er diende andere opvang gezocht… maar de dood was iedereen tenslotte te vlug af, misschien een zeisje geholpen door de abominabele verzorging van de heilige zusters… Voor mij alleen een verbale herinnering.

De tweede was iets concreter, enkele jaren later, maar inmiddels ook overspoeld door talrijke beelden die af en toe voorbijkomen op het televisiescherm. Expo 58. Met mijn ouders. Enkele flarden. De indrukwekkende negen bollen, glinsterend. De rit in het treintje rond het terrein. Maar vooral – wat is het geheugen vreemd, selectief, of wat maakt indruk op een kind – dat rare toestel dat beloofde de vermoeidheid uit de benen weg te nemen door de trilling wanneer je er op ging staan; je diende natuurlijk een muntstuk in de voorziene gleuf te deponeren om het ding aan de praat te krijgen. Expo 58 en de sidderende machine, alsof professor Barabas om de hoek loerde. Maar Brussel zelf had ik niet gezien. 
Dat zou nog ettelijke jaren duren. Gelukkig bevond ik mij in een provincieplaats die zich situeert tussen twee grotere steden, Antwerpen en Gent. Vanuit die slaperige stede waar weinig te beleven was en ik mijn eigen vertier diende te creëren, mij uitlevend in toneel en literatuur, was dat slechts een stap. Die richting koekestad, ‘over het water’, vooral in zomermaanden vaak gezet werd per autostop. Toen een heel vlug vervoermiddel, we (twee onschuldig ogende knapen) dienden zelden langer dan tien minuten te wachten op een min of meer geschikt vehikel om ons van een ritje richting Brabo te verzekeren. Waar we onze schreden steevast richtten naar de Mechelse Steenweg waar zich bevond: een platenzaak die alle 45-toeren plaatjes zohaast ze uit de toptien verdwenen, liquideerde aan dumpingprijs. Wij waren ongetwijfeld de gretigste afnemers. Later zou ik jarenlang als student een job vinden in die bruisende stad en haar goed leren kennen, vooral de bruine kroegen, de boekhandels en de musea – een boeiende kronkelweg.

Maar toch genoot die andere stad mijn voorkeur. Gent bezat voor mij meer sfeer, meer eigenheid. Ontving mij meer. Ik voelde mij er thuis. Het was er warm, intiem en toch groots. De Arteveldestad openbaarde zich pas iets later. Student, al dekt dat woord niet bepaald de lading van wat ik gedurende twee jaren uitspookte. Het was veeleer proeven van wat faculteiten als de Germaanse en de Psychologie te bieden hadden. Interessant dus, en mooi meegenomen voor wat ik daarna echt wou doen: ik belandde in het Gentse conservatorium, woordkunst. Inmiddels had ik kennis gemaakt met de vele bekende en ook wel minder bekende hoekjes van de fiere stede. De studentenbuurt, van de Overpoort tot het Glazen Straatje, van het Zuid tot de Muide en de Kouter. Ik snoof en rook de geschiedenis. Dwaalde en verdwaalde tussen de gevels en de graven van het Campo Santo te Sint-Amandsberg. Genoot van het dialect. En was inmiddels gehuwd om als tweespan deze stad tot favoriete winkelbuurt uit te roepen.

Niet zo vanzelfsprekend: de inwoners van onze stad die hun gading niet meer vonden in wat toen het Koopcentrum heette en inmiddels aangepast aan de noden van de tijd (niet iedereen spreekt Nederlands) omgedoopt is tot Waasland Shopping, waren (en zijn nog steeds) georiënteerd op de andere richting van de E17, Antwerpen met zijn Meir of desnoods nog een ritje verder tot Wijnegem. Wij hadden ons hart verpand aan de smalle Veldstraat, de Korenmarkt, de Vrijdagmarkt, Sint Jacobs… Hoe vaak arriveerden we niet in het station Dampoort om na een stevige wandeling inclusief een korte klim over een Leiebrug die bij regen of sneeuw verraderlijk glad kon zijn, te gaan winkelen of vooral sfeer te snuiven. En de dag af te sluiten met een gebakje bij de gerenommeerde Bloch in de Veldstraat (en daar nog iets mee te nemen om het genot thuis te prolongeren).  
Toen was er eindelijk Brussel. Dankzij het RITCS, opleiding toneelregie en dramaturgie. Er waren de heerlijke uren in de trein, pendelen, toen nog in een rechtstreekse lijn van mijn hometown naar de grootstad, het senateurken genaamd, blijkbaar om gewichtige politici van een comfortabele rit naar hun werkplek te verzekeren (en ’s avonds terug naar huis); beperkt tot twee per dag in de piek. Hoeveel boeken heb ik daar niet verslonden, de wereldliteratuur is me daar voorbij gedefileerd. Node sloot ik de Livre de Poche of een of andere Russische klepper bij het binnenrijden van de Noord-Zuid-verbinding – uitstappen in Centraal. De mooie Ravensteingalerij, ik kwam bovengronds en zag mij geconfronteerd met het Paleis voor Schone Kunsten waar ik jarenlang een adept van de tentoonstellingen zou blijven. Het Koninklijk Paleis voorbij, de Naamse Poort onderdoor… naast de ‘achterdeur’ van de koningsfamilie, daar bevond zich de tempel waar men film en toneel kon ‘studeren’. De Naamsestraat, meteen de sluis naar Elsene met zijn prachtige museum dat wellicht garant stond voor de beste tentoonstellingen die ik in die jaren kon vinden. Al versleet ik mijn zolen in veel ook kleine musea waar ik reeds een Hoekje aan opdroeg.

Er waren de restaurants, in de loop der jaren – het ene al wat exotischer dan het andere. Terwijl de vaste stek voor de theaterstudenten op het middaguur een oerdegelijk Brussels buurtcafé was, den Appel. Waar we voor een prik een half stokbrood royaal besmeerd met gekruide paté verorberden – heerlijke smakelijke herinnering. Net als deze aan het wekelijks eetfestijn, op maandag om 19u na de slopende twee uren van professor Ghysbrecht over zelfmoord en dubbelzelfmoord in Gent, toen we met een vast kliekje naar een klein restaurant trokken om er onveranderlijk een smeuïge omelet met garnalen en frieten te degusteren. Een perfect antidotum opdat we niet met een collectieve sprong van de Minnemeersbrug ons einde zouden zoeken in de Leie.

De boekhandels, natuurlijk, hoofdzakelijk de tweedehandse – wat een schatkamers, welk een grot van Ali Baba. Al versmaadde ik zeker Tropismes niet, in de Prinsengalerij, een zijgalerij van de Sint Hubertusgalerij (foto Pbrundel via Wikipedia) waar het, snuffelend in het nieuw gekochte boek, goed toeven is bij een koffie in de Mokafé of de Taverne du Passage. Waar de schimmen van Verlaine en Rimbaud nog dwalen.
Als goede pater familias en opvoeder mocht ik mijn kroost de kennismaking met het culturele erfgoed van ons land, de hoogtepunten Unescowaardig, niet onthouden. Zodoende togen wij ooit richting kloppend hart van het vaderland om hen kennis te laten maken met dé cultuur die ze noodzakelijk in hun prille geest dienden op te slaan. Het Atomium. Manneke Pis. En, als lokker, Mini Europa. Toegegeven, hiermee werden de grenzen overschreden, maar een ruime blik die hen de Eiffelknots en de Toren van Pisa leerden kennen was tenslotte ook niet te versmaden. Misschien stond er na al dit onroerend goed ook nog dit item van de werelderfgoedlijst op het programma, de Brusselse wafel; maar het was mogelijk een ordinair ijsje.

Veel beter deed ik het toen zoonlief tot de jaren des onderscheids gekomen was. Tijd voor een echte culturele trip. Die ons langs echte kunstschatten voerde in het Instrumentenmuseum en dit voor Schone Kunsten waar we enkele malen David Bowie ontmoetten die net als wij zich de ziel volzoog aan dat al geschilderd en gebeeldhouwd fraais. Geciviliseerd als we waren spraken we de god van de pop niet aan, stoorden we hem niet in zijn culturele en geestelijke beleving. Daarna werden mijn uitstapjes naar la capitale minder frivool, misten ze het ludieke aspect. Ambtelijk: ik werd er vaak op uitgestuurd richting ministerie justitie, dienst vreemdelingenzaken – vergaderingen jawel. Soms begaf ik mij met de trein, nostalgisch. Soms vereiste het thema de aanwezigheid van de twee agenten gespecialiseerd in de materie en reed ik met hen mee in de anonieme politiewagen. Door het drukke Brusselse verkeer: geen probleem, er werd dan, regels aan de politiebottinen lappend, een zwaailicht op het dak gedeponeerd en de sirene geactiveerd. Telkens ik, zo’n droge kwebbelsessie achter de rug, tijdig of liefst voortijdig wist te ontsnappen, pikte ik toch nog een museumbezoek, een boekhandel mee. Om de ambtenaar in mij tijdelijk het zwijgen op te leggen – dan bleek Brussel nog maar eens een noodzakelijk en schitterend tegengif met duizend mogelijkheden.   

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.