Het is vandaag 35 jaar geleden dat in het Gentse Nieuwpoorttheater de première plaatsvond van “Een slagerszoon met een brilletje”, een soloprogramma van Tom Lanoye, gebaseerd op zijn prozadebuut met dezelfde titel dat enkele weken eerder was uitgekomen. Dus hieronder vind je eerst een bespreking van het boek door Johan de Belie en pas daarna van de theatervoorstelling door mezelf.

Het boek “Een slagerszoon met een brilletje” bestaat uit vier verhalen (151 blz.) die gedeeltelijk reeds verschenen in “Vrij Nederland”, “NRC Handelsblad” en “Het Nieuw Wereldtijdschrift”. Overtuigd van de kwaliteiten van Lanoye als dichter en als performer in eigen poëzieprogramma’s, bevestigt hij zich hierin als proza-auteur, zij het dat in de ogen van Frank Hellemans het titelverhaal dat de bundel opent, “veruit het meest geslaagd (was) omdat Lanoye, zoals gezegd, een concrete stimulus nodig heeft om zijn mimetisch talent de vrije loop te kunnen laten.” Want, aldus Hellemans: “Wie samenzweert met de werkelijkheid, krijgt inderdaad soms toegang tot haar magische krachten.”
In het titelverhaal laat Lanoye één van zijn voorouders aan zijn zwangere moeder in een “droom” vertellen over de familiegeschiedenis; dit als voorbereiding op de geboorte van haar jongste zoon, de auteur, na drie zoons en één dochter. Op een laken worden beelden uit het verleden geprojecteerd, beschrijvend hoe de familie Lanoye te Sint-Niklaas strandde, “het Peyton Place van België, het Madurodam van Vlaanderen” en hoe vader Roger zijn slagerij startte. Dit verhaal, evenals het laatste, is zeer sterk autobiografisch. Onmiddellijk bij zijn geboorte “voorspelt” baby Tom die niet kan beslissen of hij ja dan nee de strijd zal aanvatten, welk onheil de maatschappij van de jaren tachtig ons voorbehoudt. Cynische, sarcastische of gewoon humoristische commentaren begeleiden de verhalen, minder scherp dan in de poëzie. Lanoye smeert zijn amusante notities breder uit in zijn proza, maar blijft daarin snedig en nooit voorspelbaar. De koldereske, burleske ondertoon maakt zijn werk zo vlot en aangenaam leesbaar. De ernst krijgt er een climax door aangebracht die je soms de koude rillingen over het lijf jaagt. Zoals wanneer vader Roger Lanoye, met één daad, een beslissing van zijn zoon afdwingt. Tom Lanoye tekent meesterlijk, in enkele woorden, de hele vaderfiguur, ontroerend-menselijk.
Dat schilderen van personages doet hij ook zeer geslaagd in “Het Boek”, een verhaal dat stoelt op een bijzondere vondst. Een boekenwurm zal, fenomenaal, de hele wereldliteratuur tot zich nemen. Een absurd verhaal, waarbij je dieper mag zoeken. De auteur zelf is hier wars van elke moraliserende beschouwing tenzij hij er sterk relativerend de draak mee kan steken. Precies binnen het absurde genre blijkt de bijzondere stilistische kracht van Lanoye, zijn beheersing, zijn gebalde spaarzaamheid.
CHANTAGE
Het absurd-komische, tot tragiek herleid tenslotte, zit ook in de figuren uit “Bij Jules en Alice”, verhalend over een anecdotisch conflict dat in de tekst uitgroeit tot een algemeen-menselijk gegeven. Via herkenbare details stipt Lanoye de evolutie in de relatie aan, om te belanden bij chantage als grondslag voor de verhouding: een vaak te zien patroon dat hier tot absurde climax gevoerd wordt. Door het verhaal terug te halen tot het niveau van de volksroddel, relativeert Lanoye het gebeuren: een idioot taalspelletje dat de tekst de schijn van een pseudo-dialoog verleent, maakt van dit komisch-schrijnend verhaal bijna een vertelling rond de haard.
Het volkse element is trouwens essentieel bij Lanoye. Hij groeit hier uit tot de volksverteller, de heimatschijver die het kleinschalige ver overstijgt. De kleine wereld die beschreven wordt, is tenslotte uitvergroot en staat symbool. De kracht wordt geput uit de herkenbaarheid van personages en situaties, het belang komt uit de verwijzende kracht.
Het laatste verhaal “Oh land der blinden” verhaalt de dood van broer Guy Lanoye. In een enorme volzin-opsomming (4 blz.) van mensen en gebeurtenissen, schetst Lanoye de sfeer van de jaren 1966-1967. Zijn verhouding tot zijn broer wordt verteld op de scène van de Parijse Olympia door de 8-jarige, de 22-jarige en de 65-jarige Tom. Ook weer een ijzersterke vondst met enorme mogelijkheden die ook gebruikt worden. Die drie ikjes verhalen vaak komisch, vaak ontroerend over een broer-relatie en over het bruusk verbreken. Zonder echt einde aan het Olympia-gebeuren, schakelt de auteur over op dagboeknotities om tenslotte afscheid te nemen van zijn broer, van de slagerij van zijn ouders, van een sfeer. Dit via een dialoog tussen zijn brilletje en hemzelf, de slagerszoon. Het brilletje bleek slechts een hulpmiddel om geconfronteerd te worden met verval en ellende. Wat Lanoye wil is schrijven, en dat kan hij op de tast, daartoe moet hij enkel een slagerszoon zijn, zonder brilletje.
GEZELLIG AVONDJE UIT OF SATIRE WAARVOOR NIEMAND VEILIG IS?
“Maar ik HOU van die man!” Dat was het enige wat ik kon inbrengen toen confraters me na afloop van de gedramatiseerde versie van “Een slagerszoon met een brilletje” van Tom Lanoye overvielen met allerlei kritiek op het technische vlak. Ik die als een koning te rijk was omdat ik me eindelijk, EINDELIJK, in een theater nog eens goed intellectueel geamuseerd had. En ik niet alleen trouwens: mijn confraters schudden zuchtend het hoofd toen zij het publiek van het overvolle Nieuwpoorttheater voldaan naar buiten zagen schuifelen.
Natuurlijk heb ik ook gemerkt dat Tom Lanoye geen echte acteur is (hoezeer hij ook vorderingen heeft gemaakt tegenover – het op zich ook reeds uitstekende – “Jamboree” uit 1982), maar voor mij had dit integendeel een zekere charme. Lanoyes huidige werk komt recht uit de moederschoot en aangezien ik moeder Lanoye nog heb meegemaakt als amateur-actrice, deed hij mij precies dààraan denken. Dàt wil ik trouwens wel toegeven: mijn wortels zijn precies dezelfde als die van Lanoye en misschien ga ik daardoor veel gemakkelijker plat dan diegenen voor wie Sint-Niklaas gewoon een vervelende negorij is (want dat is het ook).
Sommigen steken een beschuldigende vinger uit naar regisseur Dirk Pauwels wat de tekorten van Lanoyes acteertalent betreft, maar aangezien ze met die kritiek in twee tegenovergestelde richtingen trekken (de ene zegt dat Pauwels een domper moest zetten op Lanoyes exuberantisme, de andere vindt integendeel dat hij er niet genoeg heeft uitgehaald), treed ik deze versie niet bij. Pauwels heeft Lanoye Lanoye laten zijn en dat is goed zo, en verder heeft hij (allicht samen met de auteur/acteur) voor een sobere maar efficiënte vormgeving gekozen. Iedereen was er trouwens van overtuigd dat het Metastatische Notenkrakersgezwelschap en meer bepaald leider Guido Schiffer voor een uitstekende portie muziek heeft gezorgd. Jammer dat om financiële en “ruimtelijke” redenen dit gezelschap niet steeds van de partij zal zijn, maar dan zal de muziek uiteraard op band staan: wil Lanoye naast een “groot dichter” immers ook niet Frank Sinatra zijn?
Ook algehele lof voor het minifilmpje van Michiel Hendryckx dat me onvermijdelijk deed denken aan de klassieker van Charlie Chaplin (“Shoulder arms”), om dan nog van de duizend brilletjes van een bepaalde Antwerpse firma te zwijgen. Kortom, mét het Notenkrakersgezwelschap is dit een must. En zonder? Ook.

Referenties
Johan de Belie, Een slagerszoon en een verslagen dochter, De Rode Vaan nr.3 van 1986
Ronny De Schepper, Gezellig avondje uit of satire waarvoor niemand veilig is? De Rode Vaan nr.6 van 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.