Het zal morgen al veertig jaar geleden zijn dat na een etentje bij François Mitterand (met nog andere prominente aanwezigen) Roland Barthes wordt aangereden door een bestelwagen; hij zal ’s anderdaags overlijden.

Roland Barthes (CherbourgNormandië12 november 1915 – Parijs25 maart 1980) was een Frans literatuurcriticus en –theoreticussemioticus en filosoof, beïnvloed door de semiotiek en het structuralisme. Zijn werk had grote invloed op het poststructuralisme. In 1957 publiceert hij het boek Mythologies. Hierin analyseert hij, met behulp van de linguïstiek van Saussure, alledaagse beelden en producten uit de populaire cultuur (van het Frankrijk van de jaren vijftig), waaronder wijnkapsels van Romeinen in Hollywoodfilmsbiefstuk met frietworstelaars, de Citroën DS en nieuwsfotografie. 

En natuurlijk ook het wielrennen. Een col beklimmen krijgt epische allures, zoals de bekende linguïst Roland Barthes enkel en alleen al uit het taalgebruik van sportjournalisten wist af te leiden. Er zijn de homerische duels (zoals Jacques Anquetil en Raymond Poulidor op de Puy de Dôme in 1964), de grootmoedigheid tussen de tegenstrevers (Louison Bobet die als Agamemnon tegen Achilles tot de tot opgave gedwongen Hugo Koblet zegt: “Ik mis je”; in de oertijden van het Nederlandse wielrennen was er zelfs een renner, B.Mulckhuyse, die zich Achilles liet noemen), de heldhaftigheid van de verliezer (Eugène Christophe die als een moderne Vulcanus zelf zijn fiets moet smeden) en de verpersoonlijking van het noodlot. Hierbij moet ik uiteraard op de eerste plaats aan de Mont Ventoux denken.

DE KALVARIETOCHT ALS BERGRIT
Velen hebben de beklimming van de Mont Ventoux of een andere berg al vaak vergeleken met een kalvarietocht. Maar de geniaal-gekke Alfred Jarry (1873-1907), die zo verzot was op wielrennen dat hij ook in de literaire salons in wielerkledij (inclusief reservebanden) rondliep, draait het precies om: hij beschrijft in “Le canard sauvage” de kalvarie van Christus als een bergrit. “In die tijd was het een gewoonte, aldus de goede sportredacteur Sint-Matheus, bij de start de sportieve sprinters te geselen (…). De gesel geldt tegelijk als stimulerend middel en als hygiënische massage”. Als Christus platvalt omdat “een krans van doornen heel de omtrek van het voorwiel doorboort (…) gooien de goede en de slechte moordenaar het op een akkoordje zoals op de kermis, en nemen voorsprong”. Christus zet te voet de achtervolging in met het frame “of als u wil, het kruis” op de rug. Hij valt nog driemaal, bij de derde, de zevende en de elfde bocht. “Het is onzeker of een toeschouwster hem het zweet van het aangezicht wiste, maar het is juist dat de verslaggeefster Veronica met haar Kodak een foto nam” (*).

04

De collectieve kunst zou normaal gezien weer hoge toppen moeten scheren op het scherm. Het is een bewegende kunst zoals de jongste richting in de plastische kunsten dat wil. Als het weer wat wil meezitten en je kleurentoestel goed afgesteld staat, dan wemelt het over je scherm in allerlei helle, maar geen schreeuwerige kleuren, terwijl de zon op het metaal weerkaatst, zodat de “stalen raderen wieleren dat licht rondspat”, zoals Herman Gorter zou zeggen.
Het is ook een vorm van theater. Of film, met af en toe pakkende close-ups. De acteurs zijn allen alert en zeldzaam zijn diegenen die niet vlot in het natuurlijke decor evolueren.
Merkwaardig is wel dat er niet één regisseur is maar verscheidene. En het komt er zelfs op aan dat zij niet samenwerken, maar zij moeten elk hun eigen acteurs richtlijnen geven. Daartoe bewegen zij zich met wagens, die in “ton sur ton” zijn met de kostumes van de acteurs, tussen, voor en achter het bonte gezelschap. Verder zorgen zij af en toe voor de belichting, maar hun voornaamste taak bestaat erin voor de begeleidende muziek te zorgen.
Ook deze muziek is hypermodern en sluit aan bij de minimale muziek. De regisseurs beschikken namelijk slechts over één instrument: een toeter (**). Sommige Italianen kunnen daarop een primitief wijsje spelen (want Italianen, zoals algemeen geweten, hebben zin voor melodie), maar de meeste toeters zijn monotoon. Maar je kan ze natuurlijk wel ritmisch hanteren. Een bolleboos krijgt er zelfs “’t is maar een begin, wij gaan door met de strijd” uit.
Soms is er ook functionele muziek als achtergrond, die dan nauw aansluit bij populistische kermismuziek (zowel muzettekes als discostampers), maar voor wie een wielerwedstrijd zelf bijwoont (en ze dus niet via het beeldscherm tot zich neemt) zijn er nog extra acties. De geur bijvoorbeeld. Lekkere olie, doordrenkt met een vleugje transpiratie, wat de finishing touch aanbrengt. En er is het sissende geluid van de dunnen bandjes over het asfalt. Er zijn de drama’s, wanneer met enge, metaalachtige klanken een acteur tegen de kasseien gaat. Ja, de wielersport is wellicht de meest complete kunstvorm! Helaas zijn we daar anno 2020 van verstoken omwille van de corona-crisis.
GRENSVERLEGGEND OPTREDEN
Dat geldt ook voor de alledaagse, actieve beoefenaar van eender welk sport dan. Wanneer men totaal afgepeigerd een sportieve inspanning heeft geleverd waartoe men zichzelf niet bekwaam achtte, als er dan al zoiets als puur geluk bestaat, dan moet het op zo’n momenten zijn dat men het kan aanvoelen.
Het is dus duidelijk, sport en kunst zijn twee takken van eenzelfde boom. Het gebeurt nu eenmaal zelden dat die takken in elkaar verstrengeld raken, maar voor de rest zijn ze haast volstrekt identiek. Altius, citius, fortius. Steeds maar hoger, sneller, sterker. Dat is sport, maar dat is ook kunst: grensverleggend optreden.

In het Musée des Beaux-Arts van Bergen nu had men in de jaren tachtig het initiatief opgevat om deze twee takken te verstrengelen in één tentoonstelling, die meteen ook maar het etiket “wereldpremière” opgekleefd krijgt. Al te lichtzinnig allicht, aangezien in 1980 te Leuven door het instituut voor Lichamelijke Opvoeding van de KUL reeds een tentoonstelling werd georganiseerd over sport in de hedendaagse kunst in Vlaanderen.
In Bergen zag men het meer “internationaal”, maar het spreekt vanzelf dat een dergelijke optie aan veel kritiek onderhevig is. Zo luidt de nogal pompeuze ondertitel: “De Toulouse-Lautrec, Picasso, Magritte, Hockney aux Nouveaux Fauves”, maar dan blijkt dat er van Toulouse-Lautrec slechts een affiche en een litho tentoongesteld wordt en van Picasso enkel zijn “Footballeurs”, waarvan men moet durven toegeven dat het niet z’n beste werk is… (***)
Magritte en Hockney zijn dan elk weer illustratief voor twee andere feilen van de tentoonstelling. Net alsof men met de optie om zowel plastische kunst in al zijn verscheidenheid, als affiches en foto’s en zelfs videospelletjes (?!) in aanmerking te laten komen, nog geen omvangrijk genoeg terrein kon bestrijken, heeft de samenstelster Catherine de Croes zich ertoe laten verleiden om het begrip “sport” wel héél ruim te interpreteren. Zodra je immers afstapt van het begrip “competitiesport” kan je natuurlijk met zwemmen, fietsen, vliegen en autorijden alle kanten uit. Van vrijetijdsbesteding tot ik zou zelfs durven zeggen “functionele verplaatsingen”. Zo heeft “Pool and steps” van David Hockney, hoe mooi het ook mag zijn, mijns inziens weinig met sport te maken, evenals “Le joueur secret” van René Magritte.
Trouwens, zoals voetballer Jan Mulder terecht opmerkte in het BRT-programma “Het gerucht”, het ophangen van surrealistische werken binnen deze tentoonstelling (zoals bijvoorbeeld ook nog “De terugkeer van Ulysses” van Giorgio De Chirico) heeft een lachwekkend effect en dat zou toch niet mogen, daarvoor zijn ze op zich heus te mooi.
RECHTSTAAND BEGRAVEN
Is deze tentoonstelling dan een ontgoocheling? Zeker niet. Zelden kun je met zoveel welbehagen van de ene zaal naar de andere zaal flaneren om alweer in een nieuwe verbazing te vallen. Het probleem is alleen maar dat men deze manifestatie aan een groot publiek tracht te “verkopen” (letterlijk, want in de slechtste Belgische tradities moet men betalen om ervan te mogen genieten) en dat men daarom in de (in overigens erbarmelijk Nederlands opgestelde) persteksten de overdrijving niet schuwt.
Zo wordt er bijvoorbeeld met veel tamtam een “environment” van Jef Geys aangekondigd, waarin diens “project” rond een jonge wielrenner zou tot leven komen. In werkelijkheid bestaat dit uit niet veel meer dan wat foto’s en krantenknipsels, zodanig dat ik met recht en rede mag zeggen dagelijks in een “environment” te vertoeven!
Ook was er bij de opening een “performance” voorzien van Jacques Lennep die het haar van ene Ezio Bucci, supporter van Sporting Charleroi, in de kleuren van deze voetbalploeg zou schilderen (wit-zwart). Ik heb deze “happening” echter niet afgewacht, omdat ik van oordeel ben dat deze te zeer het ludieke, ja zelfs het ridiculiserende froleert.
Neen, dan is een “echte” performance die sport en kunst samenbalt eerder de daad van de kort daarvoor overleden Frans-Italiaanse wielrenner Pierre Brambilla die, toen hij de competitiesport stopzette, zijn renfiets rechtopstaand in de grond begroef. Een gebaar dat als een ultiem eresaluut aan “la petite reine” mag worden beschouwd en dat als dusdanig nog op een hoger niveau staat dan de desperate daad die de fictieve Flandrien Jager stelt in “Suiker” van Hugo Claus toen hij “in ’34’ naar de start van de “Omloop der Waalse Gewesten” reed: “Ik nam mijn fiets ’s morgens, het was het mooiste weer van de wereld. Alles, de korenvelden, de lucht, de weiden, alles was wit en blonk van de dauw en ik reed naar Charleroi – daar was de start – met ijzer in mijn armen, ijzer in mijn benen en adem als een blaasbalg. Toen ben ik van mijn fiets gestapt in Braindou, bij een wegwijzer. Ik heb mij aan de kant gezet. En ik ben terug naar huis gereden. En dezelfde avond heb ik mijn fiets, een cadeau van Van Hauwaert, in de vaart gegooid, niemand zal ooit weten waar”.
Het is ook diezelfde Jager die even tevoren, als bewijs dat hij “de strafste van allemaal” was, als referentie opgeeft dat alleen “Colloni en hij” boven op de Col de Rechamps “in ’32” passeerden, want “om te koersen, hoor je mij, daar moet je een man voor zijn”!

EROTIEK IN DE SPORT
Zoals vaak is er bij de sport ook de spanning tussen eros en thanatos. Door de ascese die een sportman zich oplegt, maakt hij (of zij) van zichzelf een a-erotisch wezen, maar tegelijk bereikt hij daardoor een schoonheid die hem in de ogen van zijn publiek juist zeer erotisch maakt. Toch leidt dat ascetisme en die zucht naar de uiteindelijke Overwinning ook naar Onsterfelijkheid, die dan echter precies door de dood worden bereikt. En dat is wat ook met Christus gebeurt: “Het betreurenswaardige ongeval u allen bekend, deed zich voor bij de twaalfde bocht (…). Men weet dat hij de wedstrijd voortzette als vliegenier… maar dat valt hier buiten ons kader”.
Op de tentoonstelling zelf wordt dit alles het mooist weergegeven door het “object” van Marcel Mariën, “La conquête de l’air”: speelgoedrennertjes, vastgemaakt op een tak, alles hemelsblauw geschilderd en opgericht gepresenteerd (en niet liggend, zoals het in de catalogus staat).
Ook Sylvain, de initiator van de “art brut”, geraakt op die manier geïntrigeerd door La Grande Boucle. Hij verblijft in 1949 in een psychiatrische inrichting en creëert zijn eigen Ronde van Frankrijk die geheel in het teken staat van een bevrijdende erotiek en hij noemt het dan ook “de Ronde van de Liefde” met rennersnamen als Bythacon of Sacapatate …
De erotiek in de sport komt op de tentoonstelling (uiteraard zou ik bijna durven zeggen) het best tot uiting in de afdeling fotografie. Van de expliciete bodybuildster van Robert Mapplethorpe tot de subtiele mannelijke nymfomanie in de portretten van August Sander, die ons onwillekeurig aan de latente homofilie in de strenge Engelse colleges doen denken.
Het summum van het samengaan van sport en kunst met als bindteken erotiek is echter natuurlijk de verbluffende kuur in het ijsdansen van het Britse paar Torvill & Dean op de bezwerende muziek van Ravels “Boléro”.
In de catalogus merkt men trouwens niet ten onrechte op dat het vooral in de twintigste eeuw is dat sport en kunst opnieuw toenadering vonden tot elkaar, omdat men – net zoals in de renaissance – de cultus van het lichaam in ere heeft hersteld. Elke sportman of -vrouw is immers de beeldhouwer van het eigen lichaam en het is wellicht niet toevallig dat in Vlaanderen “het gezicht” (of moeten we zeggen: het lichaam?) van de aerobic-rage geen filmster is zoals Jane Fonda of Sydney Rome, maar wel judoka Ingrid Berghmans.
Maar net zoals de renaissance zijn aberraties had, kent ook onze eeuw zijn naar barok neigende uitwassen, die wellicht niet toevallig ook samenvallen met politiek extremisme, met name het nationaal-socialisme. Op dat moment was de dubbelzinnige erotiek van de beelden van Arno Breker trouwens weer onderwerp van discussie, omdat de West-Duitse hoogspringster Ulrike Meyfarth zich bereid had verklaard naakt voor hem te poseren.
Het is dan ook verwonderlijk dat Wolfgang Becker er zich in de catalogus over verwondert dat iemand als Jörg Immendorff (op de tentoonstelling overigens vertegenwoordigd met een fraai vierluik gewijd aan tafeltennis) in ’72 een performance opzette waarin hij zich keerde tegen de Olympische Spelen van Munchen. Zoals reeds herhaaldelijk betoogd, lagen de zo gewraakte Spelen van Berlijn ’36 immers eigenlijk helemaal in de lijn van initiatiefnemer Baron de Coubertin.
Of Immendorff en zijn LIDL-ploeg daarmee ook wilden protesteren tegen de commercialisering van de Spelen weet ik niet, maar anders zouden ze dit jaar hun vertoning best nog eens mogen overdoen. Een andere weg van de toenadering tussen sport en kunst loopt namelijk over het gemakkelijke geld dat ermee te verdienen valt. Met als prototype wellicht Andy Warhol die de “sportvedetten” die hij wil vereeuwigen op voorhand de rekening voorlegt. Aangezien ook de tentoonstelling in Bergen ondubbelzinnig de commerciële toer opgaat, mogen we misschien besluiten dat het symbolisch is dat het precies Warhols conterfeitsel van Pélé is dat de voorpagina van de catalogus siert?

Referentie
Ronny De Schepper, De cultus van het lichaam, De Rode Vaan nr.17 van 1984


(*) Een beetje zoals Fausto Coppi dat deed met Louison Bobet in 1953 op de Col d’Izoard.

(**) Deze tekst werd duidelijk geschreven voor de invoering van de “oortjes”…
(***) Of bij “Les fauves” ook Maurice (de) Vlaminck vertegenwoordigd was, kan ik me een kwarteeuw later niet meer herinneren. Het zou nochtans best kunnen. Deze man stond immers op het punt de start te nemen in de eerste Ronde van Frankrijk toen hij besloot toch eerder als schilder aan de kost te komen…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.