Het zal morgen precies honderd jaar geleden zijn dat schrijfster Doris Lessing (foto Elya via Wikipedia) in Perzië werd geboren. Zij bracht de eerste jaren van haar leven door in Rhodesië (van 1924 tot 1949, tot de echtscheiding uit haar tweede huwelijk met Gottfried Lessing) wat zich zou weerspiegelen in tal van haar autobiografische werken. Daarnaast schreef zij hoofdzakelijk talloze romans, novellen, verhalen (ook voor kinderen, en enkele specifiek over katten), maar ook non-fictie werken, toneelstukken en zelfs operalibretto’s. Zij overleed te Londen op 17 november 2013.

Het was vooral de menselijke problematiek die haar intrigeerde, wat zij politiek relateerde. Toen haar in 2007 de Nobelprijs toegekend werd, motiveerde men met o.m. deze woorden: “scepsis, vuur en visionaire kracht”.
Men deelt haar werk in, rudimentair, in drie perioden:
De communistische (’44 – ’56)
De psychologische (’56 – ’69)
De soefithematiek (’70 e.v.) wat zijzelf omschrijft als ‘space fiction’, en motiveert dit: men kan met science fiction ook zeer duidelijk het sociale en de menselijke problematiek aankaarten.

THE GOLDEN NOTEBOOK

Het was het in 1962 verschenen ‘The Golden Notebook’ dat haar algemene bekendheid bezorgde. ‘The Golden Notebook’ bestaat eigenlijk uit meerdere boeken… De raamvertelling is getiteld ‘Free Women’ en hier verhaalt de schrijfster/journaliste Anna Wulf, gescheiden en moeder van de vierjarige Janet, dat zij na de publicatie van haar eerste succesvolle roman (over de ganse wereld vertaald), gelijktijdig vier manuscripten volschrijft. The Black, the Red, the Yellow en the Blue Book. Zij woonde eerst samen met haar vriendin Molly Jacobs en dier puberzoon Tommy maar betrok even later een eigen appartement; de band tussen de twee vrouwen bleef evenwel stevig. Beiden hebben banden met de communistische partij, worstelen met het ideeëngoed, zijn vooral sociaal betrokken. Molly was gehuwd met een kapitalist, op dit ogenblik één der rijkste mannen van de Londense zakenwereld – wat voor spanningen zorgt bij haar zoon Tommy die zich tussen twee tegengestelde ideologieën beweegt. Voeg daarbij de strijd om de vrouwenrechten, opgeëist door de twee moeders…
Deze raamvertelling scheidt de vier boeken die we enkele keren fragmentarisch (elk vier maal) te lezen krijgen.

‘The Black Book’ speelt hoofdzakelijk in Zuid-Rhodesië ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, in een klimaat van merendeels RAF-soldaten die allen te maken hebben met de CP. En dat leidt tot gepraat, conflicten, debatten over rassenkwesties. Er zijn de onvermijdelijke liefdesgeschiedenissen en -drama’s. De portretten zijn fascinerend scherp en vaak meedogenloos. En de politiek komt hier tot een genadeloos failliet, vooral wanneer de problematiek van de rassen aan de orde is. ‘The Red Book’: Londen, de sfeer van de Koude Oorlog. De confrontatie binnen de CP van politiek met cultuur. En daarbinnen de achterdocht en de roddel. Ook hier de teloorgang van de CP in het Groot-Brittannië der jaren 50 (en bij uitbreiding in gans West Europa): achterdocht, verraad, de leugens m.b.t. Stalin, de Jodenvervolging in Rusland…

Met ‘The Yellow Book’ schrijft Anna Wulf dan plots een heuse novelle waar zij als hoofdfiguur opteert voor eveneens een schrijfster Ella, die een zoontje van vier jaar heeft, Michael, en een beste vriendin Julia… Zij werkt aan een roman over een jongen die zelfmoord pleegt. In het eerste deel van het Yellow Book heeft zij een relatie met een psychiater. Alle verhoudingen en psychische en sociale motieven worden hier ontrafeld, uitgebeend zelfs. Hoewel de ganse roman erdoor ‘besmet’ is, in ‘The Yellow Book’ staat de vrouw-man relatie wel meest centraal.

Tenslotte is er ‘The Blue Book’, een persoonlijk dagboek van Anna met herinneringen, dromen, emoties, krantenknipsels. In het eerste deel volgen we haar vooral bij haar bezoeken bij haar psychiater die ook later nog sporadisch opdaagt met verwijzingen. In het derde deel hiervan staat een schitterende scène annex dialoog die wedijvert met Albee’s ‘Who’s afraid of Virginia Woolf’, hoe twee personen elkaar neurotisch pijnigen… Lessing kàn schrijven!
De blokken van de ‘gekleurde’ schriften worden telkens van elkaar gescheiden door ‘Free Women’ waarin we iets meer over het opzet te weten komen. Zo ook hoe Anna plots besluit een dikke zwarte lijn onder de vier schriften te trekken. Zij start het ‘Golden Notebook’ dat zij evenwel al vlug afstaat aan haar laatste minnaar, een Amerikaans schrijver die het gebruikt om er een roman in neer te pennen; een roman die inderdaad zal uitgegeven worden.   
Als literair werk is ‘The Golden Notebook’ naar mijn gevoel minder interessant. Wel als document dat de politieke en sociale tijdsgeest weergeeft; en dan vooral – of hoofdzakelijk – in verband met de evolutie van de communistische partij, de moeilijkheden (ook en zeker intern). Het dient gezegd dat Lessing dit hier werkelijk uitbeent. Dan zijn er, verweven doorheen de roman, talloze dromen en semi-hallucinaties van Anna en haar alter-ego Ella; helaas verduidelijken die zelden, dragen ze niet wezenlijk bij tot de inhoud of tot de psychische duiding tenzij ze een link willen vormen naar de opkomende waanzin/ sluimerende schizofrenie van Anna (die tenslotte niet doorbreekt), maar maken ze het verhaal daarom veeleer log. 
Tenslotte: Lessing wenst geen feministe genoemd te worden. Wellicht terecht. Want al is deze roman ook een voortdurende strijd van de twee vrouwen, Anna en Molly, om zich als vrije vrouwen te profileren, ook op seksueel vlak, en zijn er voortdurend conflicten met de mannen, de werkelijke strijd voeren ze met zichzelf. Het is geen gevecht der geslachten maar een innerlijke battle op sociaal, emotioneel, seksueel vlak waarbij ze vaak k.o. liggen. Daarover kan nog gezegd dat bij de uitgave van 1971 Lessing een zeer uitgebreid woord vooraf schreef dat, meer dan de roman zelf, mijn aandacht vasthield.

LONDON OBSERVED

In 1949 was Doris Lessing definitief naar London verhuisd. Gedurende de jaren 1987 – 1992 publiceerde zij in diverse bladen zoals the Observer, the Independent, the New Yorker verhalen en essays over de stad. Een bundel verscheen in 1992 onder de titel ‘London Observed. Stories and Sketches’ (‘Londen bekeken; schetsen en impressies’; Bert Bakker, 1992). Het is niet zo dat we na lezing London, de metropool beter zullen kennen. Dit is geen toeristische gids. Hoewel Lessing ons soms een glimp toont van een park, even verwijlt op een terras, we mogen meerijden in de metro en de stilte van een kerk ervaren, behandelt zij vooral het dagelijks leven. Zoals zich dat afspeelt in het ‘modale’ Brits gezin. Waarbij zij ook kritiek niet schuwt.

Uiteindelijk valt het op dat er in de meeste teksten vrouwen centraal staan. Vanuit haar woning in West Hampstead, gemeenzaam the Heath genaamd, doorkruist zij de stad. Soms in haar kleine wagen, wat een hilarisch verhaal oplevert hoe zij – en vele anderen – hopeloos geblokkeerd zitten in de nauwe zijstraten, met de diverse reacties van bestuurders die principieel weigeren voor- of achteruit te manoeuvreren; Lessing bewijst haar talent als humoristisch auteur. Stel daar tegenover een tekst over een Hindoestaans gezin met een zwakbegaafd kind – de moeder weigert het gebrek van haar dochtertje te erkennen en de ontroerende conclusie is, alle sociale en pedagogische normen en officiële tussenkomsten ten spijt, dat liefde belangrijker is dan school en studie. Algemeen menselijke commentaar vinden we ook, bvb in een verhaal waar zij herten, geiten en honden observeert en vergelijkt met de omringende mensen – de pikorde vaststelt. Het kan ook subtieler met een beschrijving van een echtpaar dat zich op een terras vermaakt met het voederen van mussen – een klein tafereel als een schilderij dat meteen de psyche, de relatie en een jarenlang samenleven blootlegt. Hier is Lessing op volle kracht, net als in een tekst waar zij acht vrouwen samenbrengt in een ziekenzaal. Met weinig zinnen, sober weet zij van elk – telkens op andere wijze – karakter, achtergrond, problematiek te duiden – een dramatisch schouwspel dat zich ontrolt met een ontroerende pointe. Scherp is zij in een scène die zij laat spelen in de spoedafdeling van een ziekenhuis waar men zeurt en klaagt over de traagheid tot, abrupte onderbreking, een jongeman dodelijk gekwetst wordt binnengebracht – het lijkt voorspelbaar maar het talent van Lessing staat garant voor een krachtige tegenstelling die een terechtwijzing inhoudt voor iedereen. Het is logisch dat zij hier en daar ook de politiek terechtwijst. De slechte werking van de sociale dienst, hun onmacht. De behuizing. Zij klaagt aan hoe, in 1992, vrouwen in het parlement minachtend, seksistisch behandeld worden – deze tekst is bijzonder scherp; het viel mij op dat dit één der weinige (4) van achttien teksten is die niet eerder in een tijdschrift gepubliceerd werden en dienden te wachten op deze bundel voor openbaarheid! Maar sterker dan in dergelijke statements blijft Lessing wanneer zij vertelt over twee oudere vrouwen, uitgerangeerd, die jaloers het gedrag, het leven van een jonge vrouw beschouwen. De tegenstelling legt hun tragiek bloot. Tot het betrekkelijke ervan getoond wordt en illusies doorprikt: tenslotte zal iets de drie vrouwen binden, allen genieten het gezelschap van een schoothondje, hilarisch maar ook intriest.

Misschien omschrijft een zin uit een verhaal nog best waar het in deze bundel over gaat. Het is een beschrijving over een reeks ontmoetingen tussen een jongen en twee Duitse meisjes in een café waar Lessing vaak graag vertoeft. Zij commentarieert, veralgemenend, “…een reeks emotionele gebeurtenissen die in zoverre vertrouwd aandoen dat je iets vergelijkbaars ongetwijfeld al eens eerder hebt gezien, maar waarvan je niet beschikt over de sleutel die ze van een triviaal naar een ingrijpend persoonlijk niveau tilt”. Dat is de essentie van de meeste hier samengebrachte teksten – met overwegend vrouwen als centrale figuren.           

UNDER MY SKIN

Met ‘Under my skin’ (1994; ‘Onder mijn huid’, Bert Bakker, Amsterdam, 1994) verhaalt Lessing de eerste periode van haar leven, tot 1949. De eerste levensjaren (vijf) in Perzië (Kermanshah en Teheran), daarna in Zuid-Rhodesië. Wat zij ook al deed in haar grotendeels autobiografische romans zoals ‘The grass is singing’, ‘The golden notebook’ en de vijfdelige cyclus ‘Children of violence’. Enkele jaren later zou op deze autobiografie het vervolg, tot 1962, komen ‘Walking in the shade’.

“Ach ja, dierbaar geheugen, dierbaar leugenachtig geheugen, dat van alles de hoogtepunten kiest. (..) Maar de waarheid dwingt me.” Zij start het werk met te verhalen hoe haar voorvoorouders de oversteek waagden, dé oorzaak van haar opgroeien in een gekoloniseerd land. Dan gaat het vaak over de bittere strijd met haar ouders, vooral met haar moeder – een vrouw die niet loskomt van de Britse aristocratische waarden en die botst met een echtgenoot die een op dat ogenblik revolutionaire houding toont tegenover de inlandse bevolking; zo gruwt hij bijvoorbeeld van het gebruik van het woord ‘boy’. Daar staat Doris als te kwetsbaar tegenover een moeder die haar niet begrijpt en die niet geschikt is voor het leven in Afrika. Het kind, en later de jonge vrouw, verschuilt zich achter een alter-ego, Tigger: sociaal, strijdvaardig. Zij leest veel, droomt, piekert. Vier jaren in een kostschool betekenen “eenzaamheid en ballingschap”. Zij voelt zich overal uitgestoten. Een barre periode: “De natuur schrijft niet voor niets geheugenverlies voor als medicijn voor de vroege jeugd.” 
Langzaam rukt zij zich los van het gezin. Aanvaardt diverse baantjes, van kindermeisje tot secretaresse, zij schrijft reclameteksten maar ook gedichten en verhalen. Vaak gaat zij uit logeren bij diverse families, leert andere plaatsen, andere mensen, andere moeilijkheden van het land, van de cultuur en van al die persoonlijkheden kennen. Terwijl het de familie financieel steeds beroerder gaat. De droom van een grote farm mislukt. De goudkoorts slaat toe. Veel Engelsen die hun geluk beproefden in de kolonie leven in (halve) armoe, teren op leningen. En er zijn de conflicten – onderling – hoe men de bevolking moet benaderen, een voortdurend twistpunt. Waaruit blijkbaar – dit lijkt in ieder geval een goede bodem – het dwepen met het communisme ontstaat. Talloze groepjes ontwikkelen zich, ze ontstaan in de schoot van de intelligentsia, de kunstenaars, geflankeerd door de piloten en het personeel van de RAF gestationeerd in Rhodesië. Een eerste huwelijk waarin twee kinderen geboren worden is niet bepaald gelukkig en mondt uit in een scheiding – zij laat de kinderen bij de vader, ‘verlaat hen’… Meteen neemt zij afstand van een leven, vier jaren, van drank en genot. Niet van het werk voor de communistische idee. Dat is het bezwaar tegen dit lijvig boek: het is te veel een verslag van al die cellen, hun strijd, hun ruzies, hun groeiende twijfels naarmate meer info doordruppelt. Vast interessant als studie voor het tijdsgewricht vanuit dit standpunt maar in een autobiografie te beladen, en de lezer vindt de weg niet tussen de overvloed aan namen en anekdotes. Stroef en vervelend uiteindelijk, terwijl dit alles in de romans boeiender en zodoende veelzeggender aan bod komt. Lees ik niet bij Lessing zelf: “Fictie kan beter met de waarheid overweg.”…  

Toch zijn er facetten die dit boek interessant maken. Het levert een boeiende inkijk op het leven in een kolonie, dat het niet àl rozengeur was voor de blanke ‘overheerser’. Wel blijkbaar voor de officiëlen, de ambtenaren, voor de enkelen die met grote plantages aan de slag konden. Maar het merendeel der gelukzoekers belandde in een spiraal van armoede, leningen, wat ontaardde in drank, geweld, huiselijke ellende… Tevens zien we hoe de spanningen blank/kleurling langzaam toenemen; en Lessing schrijft hierover zeer genuanceerd. Zij belicht, geholpen door haar vriendschappen met iedereen, alle facetten.

Dan is er ook de psychologische ontleding. We ontmoeten het kind Doris, later de jonge vrouw, die uitgroeit tot de schrijfster. In 1937 schreef zij reeds twee romans, na poëzie en een aantal verhalen die her en der gepubliceerd werden. Ook haar ouders en broer Harry worden uitgebeend, hun relatie en hoe dit alles zijn invloed had op de auteur. Tenslotte lezen we, over het werk verspreid, waarom zij een autobiografie schrijft, wat het belang ervan is. En de moeilijkheid. Wat is de waarheid, en hoeveel of hoe weinig kan en mag je vertellen. Over jezelf. Over anderen. Kun je alles onthullen, mag je pijn doen, kwetsen, geheimen blootleggen, moet je rekening houden met levenden of nabestaanden… het zijn vragen die opduiken.

Dan was er het verscheurd perspectief afhankelijk van de leeftijd; de ‘waarheid’ lijkt te veranderen, net als identiteiten. Er is de subjectieve ervaring van de tijd: kinderjaren lijken langer te duren dan deze in de volwassenheid, we ervaren de duur anders. Het bedrieglijke van herinneringen, waarom het ene wel, het andere niet – en wat is verdrongen, waarom – en wat is belangrijkst het herinnerde of het verdrongene? Voor haar persoonlijk wou zij zich ook verdedigen tegen al die biografieën die over haar gepubliceerd werden. Meteen wou zij begrip creëren voor het verleden en voor anderen, dit dan allicht wat haar rol en standpunt in het communistisch ideeëngoed en de praktijk betekende. Tenslotte was het ook een zoektocht naar zichzelf.
Tenslotte, de laatste jaren, zou zij een verstandshuwelijk sluiten met de Duitser Gottfried Lessing. Uit deze verbintenis werd nog een zoon geboren. In 1939 nam Doris Lessing afscheid van de kolonie en reisde af naar London. Om een nieuwe strijd aan te gaan, en definitief de auteur te worden die we kennen.  

LOVE, AGAIN

In de roman ‘Love, again’ (‘Terug naar de liefde’, Bert Bakker, Amsterdam) die Doris Lessing in 1995 publiceerde zou je drie verhalen kunnen zien die volledig in elkaar grijpen. Daar is vooral het relaas van Sarah Durham, een vrouw van bijna zestig, jong weduwe geworden, moeder van twee inmiddels gesettelde kinderen. Zij is en blijft de hoofdpersoon die we gedurende het ganse boek, enkele jaren van haar leven, volgen – we kruipen in haar hoofd, lezen haar gedachten, beleven het ganse gebeuren door haar ogen hoewel de roman niet in de ik-vorm geschreven is. Dan is er het verhaal over ene Julie Vairon, een indringend levens- en liefdesverhaal over een op Martinique geboren kunstenares die terechtkwam in een Frans stadje, daar een kluizenaarsbestaan leidde – deels uitgestoten door de burgerij – , die na enkele tragische liefdesgeschiedenissen zelfmoord pleegde. Zij liet een schat aan schilderijen en composities in de stijl van de middeleeuwse Franse troubadours na. Evenwel: een fictief personage al presenteert Lessing haar zo scherp en met zo’n historische achtergrond dat zij als een geschiedkundig volwaardige figuur aantreedt. Ten derde – en dit stuwt het emotioneel gebeuren van Sarah (en de andere figuren) – is daar de toneelvoorstelling die opgebouwd wordt op grond van het leven van deze Julie Vairon.Sarah maakt immers deel uit van het (in oorsprong vierkoppig) toneelgezelschap The Green Bird, een progressief experimentele Londense toneelgroep die zeer succesvol is. Zij schreef een toneelstuk op basis van o.m. de dagboeken van Julie Vairon. Zo komt zij in contact met Stephen Ellington-Smith, rijk, gehuwd met een lesbische die met haar partner onder het echtelijk dak leeft, en zelf verliefd op, of beter: bezeten door de figuur van Julie Vairon, een inmiddels reeds honderd jaar dode jonge vrouw. Ook hij schreef een toneeltekst. De twee auteurs, Sarah en Stephen, besluiten samen te werken, vinden elkaar en daaruit groeit een hechte vriendschap, een platonische liefde. Die zal duren tot de getormenteerde Stephen die zich als mecenas voor de voorstelling opwerpt, tenslotte het leven en zichzelf niet meer aankan. Het is op zijn domein, waar voortdurend festiviteiten georganiseerd worden (concerten, toneel, opera) dat het stuk zal gespeeld worden na de première in Frankrijk. Want inderdaad. Er verschijnt een Amerikaanse regisseur, Henry; er komt een ganse cast tevoorschijn, een Amerikaanse bank sponsort net als het stadje in Zuid-Frankrijk waar Julie inmiddels vereerd wordt, waar nu reeds een museum over haar bestaat, haar huisje beschermd is, de drie hotels in hun naam naar haar verwijzen… Een flink deel van ‘Love, again’ speelt zich nu af onder de zuiderse zon waar de voorstellingen van ‘Julie’ een éclatant succes worden, niet in het minst door de sterke acteerprestaties van o.m. de jeune premier Bill, én door de muziek van Julie Vairon, die als etherische middeleeuwse klanken het ganse stuk begeleidt. Maar was is de essentie van de roman? Dit verhaal, de intriges? Hoewel het alles zeer boeiend is, en ook een interessante kijk biedt op het wel en wee van de toneelwereld (intriges, moeilijkheden, critici), met soms een vleug humor, blijkt dit alles secundair. Lessing heeft de problematiek willen schetsen van een ouder wordende vrouw, een vrouw ‘op haar retour’, die al enkele decennia liefde en seks ontbeert, die met haar werk gehuwd leek. Een vrouw die nu plots lijkt te ontluiken. Nadat haar enige, haar bovendien opgedrongen, zorg een probleem-nichtje (dochter van haar broer) was. Zij wordt verliefd op de jongere Bill, hij op haar – zijn moedertype. Een liefde die enkel in blikken uitgesproken wordt. Tot zij ontdekt dat de naar leeftijd meer geschikte regisseur Henry haar bemint – wat wederzijds is uiteindelijk; maar hier staan echtgenote en kind in de weg. Terwijl nog een verliefde Amerikaanse mecenas het hof komt maken – nee Sarah is nog niet afgeschreven. Maar wel zijn haar gevoelens een rollercoaster, raakt zij getormenteerd, depressief. We worden geconfronteerd met alle (soms tegenstrijdige) gevoelens van een vrouw die hunkert naar… ja naar wat? Liefde, verliefdheid, geborgenheid, lust, seks… Het is ongetwijfeld een sterke ontleding van de gevoelswereld van een vrouw op deze leeftijd, haar strijd, haar eenzaamheid. Lessing stelt tenslotte het belang van dit gevecht, van de persoonlijkheid, scherp tegenover wat in de ganse roman, in het verhaal zo essentieel leek: applaus, succes, roem… ‘Julie’ wordt bewerkt tot een musical voor het theater in het West End, kent successen in andere landen; terwijl in haar Franse woonplaats de platte commerce de bovenhand haalt: bomen rond haar huisje worden gerooid voor een grote tribune en een parking, het dorpsplein wordt ‘gemoderniseerd’… En het kleine gezelschap The Green Bird kwam langzaam in handen van een strijdvaardige jonge vrouw – toneel dat veeleer propaganda diende dan de kunst die de vier origineel wilden dienen. Wanneer ook haar soulmate Stephen het opgeeft zal Sarah het alleen moeten rooien, in een soort rimpelloos bestaan. “Als je hartzeer hebt, heeft dat zelden één enkele oorzaak, vooral als je al wat ouder bent, want dan heeft elk verdriet zijn echo’s in het verleden” oppert zij. Een weerkerend thema bij Lessing, herinneringen, de jeugd, trauma’s, het verwerken en verdringen… ook dat vinden we in deze roman onvermijdelijk terug. Al bij al een scherpe ontleding van een ouder wordende vrouw die zich hier blootgeeft. Een oprecht boek.   

WALKING IN THE SHADE     

“Ik heb veel te veel materiaal voor dit tweede deel van mijn autobiografie. Niets is saaier dan ellenlange memoires” schrijft Doris Lessing op de tweede pagina van ‘Walking in the Shade. Volume Two of my Autobiography 1949-1962’ (1997) (Ned. vert. ‘In de schaduw’, Bert Bakker, 1997). 
1949… het jaar dat zij vanuit Rhodesië met haar nog geen driejarige zoontje Peter arriveert in London om daar definitief haar bestaan op te bouwen en een literaire carrière te ambiëren. De Britse hoofdstad, grijs, grauw, armoedig. Haar roman ‘Het zingende gras’ wordt gepubliceerd en zij schrijft ‘Martha Quest’ terwijl zij van kamer naar kamer verhuist, soms een werk aanvaardt om enkele ponden te verdienen, vooral voor Peter zorgt die veel aandacht eist. Een vermoeiend, deprimerend bestaan. Zij stelt bovendien vast dat zij wel wist wie zijzelf was maar niet als maatschappelijk wezen, niet als bestaand in een context. Wat ziet zij bovendien om zich heen rond 1950: de intrede van het fenomeen televisie in de huiskamers – dit betekent het einde van de verbale cultuur in de Britse huiskamers. 
Het volgend hoofdstuk, aangeduid door haar verhuis naar het ietwat betere deel van de stad, Kensington, wordt deels gedomineerd door haar liefde voor de Tsjech Jack, een geneesheer met een gezin; een relatie die vier jaren standhoudt. Samen zullen ze Parijs en Berlijn bezoeken, naar Spanje reizen. Hij is, zo stelt zij, de enige echte liefde in haar leven. Anderzijds bepaald door logeerpartijen bij vrienden. Ook door het schrijven, uiteraard, en de impact ervan op haar leven – met de nodige commentaar op uitgevers, lezers, de absurditeit van signeren, interviews, lezingen, literaire festivals… Boven dit relaas en verweven in het bestaan van deze jaren is er overheersend, alweer, het thema communisme. Lessing raakt dit verleden niet kwijt. Het is ook het ogenblik dat zij werkelijk lid wordt van de communistische partij. Was zij vroeger niet veeleer ‘een utopisch communist’ vraagt zij zich af. Terwijl de twijfels groeien, zij met een gezelschap een officieel bezoek brengt aan Rusland. Teleurstellend? Er is kritiek, de geruchten, Stalin, KGB, Mao… ‘Communisme is een religie’, het is een cliché oppert zij maar ieder cliché… Belangrijk in deze periode is de psychoanalyse, en het feit dat haar moeder met wie zij zo’n moeilijke band had en nog steeds heeft naar London kwam wonen. Hoewel zij weet te verijdelen dat mama bij haar intrekt zorgt de nabijheid toch voor de nodige spanning – tot haar kwelgeest tenslotte naar Afrika terugkeert. Deze periode wordt afgesloten, symbolisch, wanneer zij die gemiddeld 20 pond per week verdient, dankzij het winnen van een literaire prijs een huis kan kopen: in Warwick Road. 
Na bijna tien jaren in de stad voelt zij zich nog steeds een nieuwkomer in London, dat zij bij voorkeur ’s avonds en zelfs ’s nachts wandelend doorkruist; tochten waarop zij ons meeneemt, vooral door kleine straten. Zij ontmoet, en de lezer dus ook, talloze mensen uit zeer diverse milieus, uit alle lagen van de maatschappij. Het levert boeiende portretten op van bekende en onbekende figuren. Terwijl we ontdekken dat zij hier haar levenslange liefde voor katten ontwikkelt die een rol zal blijven spelen in haar bestaan en werk. Een woelige reis naar Rhodesië resulteert in het boek ‘Going home’. Zeer boeiend zijn de relazen over haar aandeel in, en de groei en de betekenis van het Royal Court Theatre met al zijn interessante figuren. Hetzelfde kan gezegd worden over wat zij hier schrijft over de ‘groep’ Angry Young Man. Literair-historisch zijn dit waardevolle pagina’s. Dat geldt ook voor al die mensen die zij ontmoet, bekende en ons onbekende, uit de politiek, uit de literaire wereld, de kunsten… Het zijn telkens scherpe kleine portretten, vaak met humor, steeds met bezieling. Centraal blijft uiteraard het zelf schrijven, o.m. voor het theater wat haar een aantal ontgoochelingen oplevert, om diverse redenen – wat zal resulteren in de roman ‘Love’ again’. Schrijven, dat is – zo lezen we hier – voor Lessing bewegen: zij wandelt voortdurend tijdens het neerpennen van haar verhalen en romans, rusteloos… En wat met al die samenkomsten, vergaderingen – politieke, literaire, kunstzinnige verbroederingen… “O, wat heb ik toch een hekel aan groepen, klieken, families, het ‘wij’ van de mens. Wat vind ik ze toch angstaanjagend, eng – ik probeer ze altijd op afstand te houden. Daarbij vergeleken zijn een troep leeuwen of een meute wilde honden aardige vijanden.” Ook dat is een facet van de auteur, haar groeiende afkeer van het blabla in vergaderingen, waar ook wanneer zich meer dan twee mensen aandienen… 
In Warwick Road woonde zij vier jaren samen met Clancy. Het laatste deel van haar biografie schikt zij onder de tital ‘Langham Street’ waar zij nu een huis betrekt. Zoontje Peter is op kostschool. Zij is inmiddels een bekende, gevierde, veel vertaalde auteur geworden. En schrijft wat haar meest succesvolle werk zal worden, ‘The Golden Notebook’. Terwijl zij zichzelf er op betrapt gedurende enkele maanden alcoholiste te zijn. ‘Het gouden boek’: over het ontstaan, de verwikkelingen, en vooral over de ontvangst door de media, critici, vrienden, lezers, worden we uitgebreid ingelicht. Hoe zijzelf het vast niet als haar beste werk beschouwt. Hoe het al dan niet terecht het uithangbord van het feminisme kan zijn, geen pamflet. Wat het heeft losgeweekt. Voor Lessing waren de problematiek van mentale inzinking, bevrijding, en ook de complexe structuur van het werk essentiëler dan het feminiene gevecht dat er in geleverd werd. Als achtergrond bij wat als een meesterwerk beschouwd wordt, en mee aan de basis lag van de toekenning van de Nobelprijs, zeker boeiend. Zij wijdt hier veel bladzijden aan het thema seksualiteit, dat in de ganse biografie trouwens onverbloemd aan bod komt: de ontwikkeling van de algemene houding zoals zij die om zich heen ervaart, de verschillen tussen de bevolkingsgroepen, tussen mannen en vrouwen, Britten en Amerikanen, haar persoonlijke beleving en evolutie. Daarnaast komt ook de ‘Ban de Bom’- beweging aan de orde, de demonstraties, optochten, sitdowns. 
Trots meldt zij de aankoop van een woning, Charrington street 60, die zij laat renoveren maar die reeds enkele jaren later onteigend wordt. Zoals veel gezellige wijken platgelegd worden, mensen naar nieuwbouwflats ‘gedeporteerd’ worden. Vergeefs klaagt zij dergelijk fnuikend beleid aan. Terwijl zij de jaren in het mooie huis waar zij ook als pleegmoeder voor dolende jongeren fungeerde, achter zich laat om zich definitief te vestigen in West Hampstead zoals we ook lazen in ‘London observed’. Zij sluit haar autobiografie af met de herinnering aan een regel uit een gedicht dat zij als jong meisje schreef: “When I look back I seem to remember singing”.
‘Walking in the’Shade’ levert ons een uitstekend tijdsbeeld, niet alleen van wat in Engeland gebeurt maar mondiaal. De nasleep van de oorlog, de wereld die zich herstelt, de armoede eerst en langzaam een terugkeer naar veiligheid en hunker naar weelde en de bereikbaarheid ervan. Het bloeien van de cultuur. Daarin volgen we de persoon van Doris Lessing, als individu evoluerend in die maatschappij, politiek bewust maar vooral bekommerd om de mensen om haar heen, om de mensen in het algemeen. En Lessing de schrijfster, zij die creëert. Zij die vaak moeizaam, ploeterend de zinnen rijgt tot verhalen, romans terwijl zij rusteloos heen en weer wandelt in de kamers van haar appartementjes en huizen. Moeten we de mens Lessing kennen om van haar literair werk te genieten? Nee. Moeten we de werking, het schrijfproces van de auteur ontleden om ons in werk als ‘The Golden Notebook’ of ‘The Grass is Singing’ te vermeien, te verdiepen? Nee, dat is het nooit, de literaire werken worden zelfstandig gelezen, los van de biografische connotaties van hun schepper, maar de confrontatie is soms wel boeiend en aangenaam. Zoals hier. Terwijl Lessing zelf ons toch waarschuwt voor “de glibberigheid van het geheugen”.       

ALFRED AND EMILY
Met ‘Alfred and Emily’ (2008), het laatste boek dat van haar verscheen, sloot Lessing inderdaad wel hét hoofdstuk ‘leven’ af. Het is een zeer vreemd boek. Deels autobiografisch, deels totaal fictie. Het behelst namelijk twee hoofdstukken. En pas in het tweede maken we kennis met de werkelijke Doris Lessing, of vooral met haar ouders. Haar vader Alfred Taylor werd zwaar gewond in WO1 en liep rond met een (primitief) houten been. Bovendien leed hij vermoedelijk aan wat we nu als PTSS definiëren. Nog niet zo oud kreeg hij diabetes die hem tenslotte fataal werd. Haar moeder Emily McVeagh, verpleegster in dezelfde oorlog, was een vrouw die enerzijds krachtig optrad, anderzijds zwolg in zelfmedelijden. Opmerkelijk was dat zij zeer goed verhalen kon vertellen – een essentieel detail dat we vonden in het andere (eerste) deel van de roman. Net als het feit dat de jonge Doris steeds overspoeld werd door een stroom boeken; zij aarzelt dan ook niet een opsomming te geven van wat zij las, wat haar tekende en zoveel zou gaan betekenen voor haar latere schrijverscarrière. Een ziekelijke echtgenoot, een boerderij die in Rhodesië uit de grond gestampt diende te worden, financiële problemen, en tenslotte ingebeelde ziektes en zelfmedelijden… dat maakte Emily niet bepaald tot een goede liefhebbende moeder. Zij moet bovendien blijkbaar reeds dadelijk een voorkeur gehad hebben voor haar zoon. Gevolg: een levenslange spanning, erger, Doris Lessing zegt dat zij haar moeder haatte. Reeds toen zij zes jaar was liep zij een eerste keer van huis weg…
Inmiddels echter is zij gaan beseffen hoe haar ouders werkelijk waren: de mensen voor de oorlog die hen allebei zo getekend heeft en zo’n diepe wonden geslagen heeft. Haar vader was iemand die leefde voor de natuur, wist te genieten van het buitenleven – wat hij ook nog deed op de boerderij in Rhodesië; en had belangstelling voor de geschiedenis van de mens. Haar moeder bleek vooral een verpleegster, die vrijwel alles opgaf voor de zieken en de armen zoals ook zij deed terwijl hun farm ten gronde ging. Maar de zorg voor haar hulpbehoevende en steeds aftakelende echtgenoot bleek emotioneel te zwaar.
Uit dit nieuwe besef ontstond de roman ‘Alfred and Emily’, of het eerste deel ervan. Lessing fantaseert hier hoe het leven van haar ouders had kunnen verlopen indien ze niet zo ingrijpend te maken hadden gekregen met de oorlog. Zij laat hen hier niet met elkaar huwen. Alfred wordt een echte landbouwer, tegen zijn familie en de traditie in. Emily scheurt zich los van haar vader om verpleegster te worden (wordt zelfs verstoten) en zal, na een huwelijk met een chirurg dat haar eventjes bij de high society inlijft (tegen haar karakter in), zich voor de armen inzetten. Zij sticht scholen en opvanghuizen voor ongehuwd zwangere meisjes. Uiteraard is dit alles gegoten in een complex verhaal waarin talloze gezinnen en mensen hun rol spelen.
Het is geen toeval dat vrijwel alle vrouwen in deze roman sterke, strijdbare mensen zijn. Lessing wordt ook beschouwd als feministe, een betiteling die zij afwees als te nadrukkelijk. Zij treedt hier nog eens naar voren als sociaal bewogen. Fulmineert o.m. tegen de kloosters die ongehuwd zwangere meisjes opvangen en de hypocrisie daar (en van de ganse gemeenschap). Trekt van leer tegen alcoholmisbruik én de oorzaak. Klaagt de armoede aan in stadswijken als het Londense East End, maar ook op het platteland, en meteen de leegloop van de boerderijen. Voedselverspilling, de wapenindustrie… het komt allemaal bod. Lessing was bijna negentig toen zij met deze roman haar carrière afsloot, maar haar scherpte, haar visie en haar klauwen had zij nog niet verloren. Evenmin haar schrijverstalent.
Ik laat haar nog even aan het woord over een facet hoe zij deze roman concipieerde: “Bij het schrijven van het gefantaseerde leven van mijn vader en mijn moeder ben ik niet alleen afgegaan op karaktertrekken die je kunt invullen of uitwerken, maar ook op stembuigingen, zuchten, verlangende blikken, net zulke kleine tekens als bekwame speurders gebruiken.” Een strijdbare maar ook zeer ontroerende Lessing.

Johan de Belie

Een gedachte over “Doris Lessing (1919-2013)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.