Mijn wielervrienden gaan nu denken dat ik het over de dood vijftien jaar geleden van wielrenner Gilbert Desmet ga hebben, maar die is – helaas voor hem – al veel eerder gestorven, eigenlijk heeft hij zelfs niet zo heel lang geleefd (van 1936 tot 1987). En dan heb ik het dus over de beroepsrenner die algemeen bekend staat als “Gilbert Desmet II”, want de veel bekendere (en vijf jaar oudere) Gilbert Desmet I is gelukkig nog altijd in leven. Maar nee dus, dit gaat niet over een wielrenner maar over een professor. Een professor Duitse taalkunde dan nog wel, dus eigenlijk kan men zich afvragen wat ik over hem kan te vertellen hebben, aangezien ik Nederlands-Engels heb gevolgd in de Germaanse. Maar prof.de Smet (met kleine “d” blijkbaar) gaf ook Germaans.

Wie herinnert zich niet die vreselijke cursus waarvan we allemaal dachten: waarvoor gaan we dàt ooit nodig hebben? En dan bleek later, toen ik bij de Broeders in Sint-Niklaas lesgaf en mijn onderwerpen soms ook door de leerlingen liet bepalen (als ik iets toevallig ter sprake bracht en het bleek hen te interesseren, pikte ik daar uiteraard gretig op in) dat zij zowaar geïnteresseerd waren in bepaalde taalevoluties. Al waren het misschien vooral de runentekens die hen interesseerden, want in een bepaalde klas zat nogal wat VMO-aanhang destijds (begin jaren zeventig).
Maar goed, heb ik zelf nog herinneringen aan prof.de Smet buiten het feit dat ik op wonderbaarlijke wijze (want ik zou niet weten hoe) ooit ben geslaagd voor zijn prehistorische cursus? Jazeker, en wel deze twee. In die tijd trokken we met een grote bende naar de film “Clockwork Orange” – ik herinner me o.a. Lukas De Vos, Dirk Posman, een naamgenoot van De Smet, wiens voornaam ik ben vergeten (*), enz. – waarna we de doorstane emoties uiteraard dienden door te spoelen. Daarop trokken we nogal luidruchtig naar ons kot, waarbij we om god weet welke reden gregoriaanse hymnes zongen. Dat was ons blijkbaar zo bevallen dat we dat ’s anderendaags in de Blandijnberg – geholpen door een geweldige akoestiek – daarmee verder gingen. Tot plotseling prof.de Smet bovenaan de trap verscheen en bulderde: “Ite missa est!”
De tweede anekdote is minder omslachtig en om naar een climax toe te werken was ik er dus beter mee begonnen, maar het was nu eenmaal vele jaren later en alweer in de cinema. Deze keer betrof het de verfilming van “Lady Chatterley’s lover” met Sylvia Kristel in de hoofdrol. En toen zat prof.de Smet dus een paar zetels van mij verwijderd. Ik vond dat toen wel merkwaardig voor een professor met zijn halo, maar och god, waarom niet eigenlijk?
Hoe dan ook, genoeg “annekedoten”, op de pagina van de Bond van Gentse Germanisten wijdt zijn opvolger, prof.De Grauwe, een bijdrage aan zijn overlijden, waaruit hierbij enkele fragmenten.
00Op 11 november 2003 is een van de bekendste oudgermanisten van de vorige generatie, Gilbert de Smet, op 82-jarige leeftijd van ons heengegaan. Geboren in het dorpje Bevere onder de rook van Oudenaarde in zuidelijk Oost-Vlaanderen, studeerde hij wat toen in België nog Germaanse Filologie (thans Germaanse Talen) heette, d.i. Nederlandse, Duitse en Engelse taal- en letterkunde. Moderne Scandinavische talen waren toen in Gent nog niet aan de orde, maar die leerde De Smet, mede door zijn vele contacten met de noordelijke wereld, later wel kennen; in elk geval kon hij tijdens zijn studie al met Oudnoors kennis maken. Zijn bijzondere aandacht ging uit naar de taalkunde van het (oudere) Duits, waarin hij trouwens na het behalen van zijn licentiaatsdiploma en na een verder jaar in Duitsland met een Humboldtbeurs (waarmee hij in Bonn bij Weisgerber, in Leipzig bij Frings studeerde) in 1951 zou promoveren, en wel op een proefschrift over de vertalingen van de Latijnse christelijke begrippen pati en passio. Doch reeds in dit onderzoek betrok hij evenzeer de Middelnederlandse literaire bronnen, waardoor hij terecht – al gebruikte hijzelf de term nooit – kan gelden als een van de vaders van de ‘theodistiek’, d.i. de gezamenlijke studie van het continuüm der Continentaalwestgermaanse schrijftalen tussen de Alpen en de Noord- en Oostzee vóór hun uitsplitsing en kristallisatie tot de beide huidige standaard- en cultuurtalen (Hoog)Duits en Nederlands, waarbij geenszins het hem zo dierbare Nederduits van de Hanze mag worden vergeten. Deze onderzoekslijn is De Smet zijn hele leven lang trouw gebleven: ze leidde hem naar talrijke, belangwekkende en baanbrekende publicaties over o.a. en vooral de lexicologie van het Oudhoogduits en het Oudsaksisch, de figuur van Veldeke en de Maaslandse literatuur in de 12e-14de eeuw, de lexicografie in Duitsland en de Nederlanden (waaronder het werk van Kiliaan) in de humanistentijd, de historische woordgeografie, de wisselwerking tussen het Nederlandse taalgebied en het Noord-Duitse Hanzegebied. Luttele jaren voor zijn afsterven – hij was toen reeds aan de rolstoel gekluisterd, maar mentaal nog helemaal bij – kon hij, als resultaat van een samenwerking met een paar jonge onderzoekers, de wetenschappelijke wereld nog de uitgave van een Middelnederlands-Middelhoogduits Madelgijs-epos in 16 000 verzen schenken.
Na zijn promotie was De Smet achtereenvolgens vijf jaar lang leraar in zijn thuisbasis Oudenaarde , waar hij trouwens de grondslag legde van zijn algemeen erkende pedagogische gaven; in 1956 kreeg hij een “Ruf” als hoogleraar Duitse taalkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (waar zijn landgenoot Edward Schillebeeckx dogmatische theologie doceerde); in 1966 tenslotte kon hij door een vacature in hetzelfde vak naar Gent terugkeren, waar hij in 1986 werd geëmeriteerd. Binnen de periode van die twintig Gentse jaren nam hij ook een gasthoogleraarschap in Keulen waar en werd hij in 1972 eredoctor van de universiteit van Göteborg. Zijn advies werd gevraagd voor de bezetting van vrijwel alle lectoraten-Nederlands aan Duitse universiteiten. In die jaren, maar ook al in Nederland, vormde hij een flink aantal leerlingen, waarvan een deel stevig in zijn gedegen onderzoekstraditie verankerd bleef (oudgermanisten en ‘theodisten’), een ander deel heel nieuwe, maar door de leermeester niet minder ‘gepromote’ wegen op taalwetenschappelijk gebied insloeg. Niet weinigen was het vergund, nadien een wetenschappelijke loopbaan verder te zetten aan universiteit of hogeschool. In 1986 werd hem voor het geheel van zijn wetenschappelijk werk en zijn rol als cultuurbemiddelaar tussen de Nederlanden en Duitsland de prestigieuze Joost-van-den-Vondelprijs van de Stiftung F.V.S. te Hamburg toegekend.
De Smet was niet enkel zeer erudiet en wetenschappelijk gedreven, maar tegelijk ook voor zijn studenten een enthousiasmerende persoonlijkheid: hij was oprecht om hen bekommerd en was vaak voor hen een echte, zelfvergeten vader – wellicht was zijn fysiek vaderschap (hij had zeven kinderen) daar niet vreemd aan. Graag nam hij ze met gezwinde vaart mee in zijn grote gezinsauto (waarop de zelfklever “Ick snack platt” prijkte) naar de Nederduitse studiedagen die hij eerst met zijn collega uit Hamburg, Walther Niekerken, nadien met zijn Leuvens-Münsterse collega en vriend Jan Goossens (die andere grote ‘theodist’) organiseerde; voor wie die dagen mocht meemaken een wel heel speciale en bijblijvende ervaring !
Na zijn emeritaat blééf De Smet actief en productief. Tot aan de periode van zijn gezondheidsproblemen leidde hij verder de redactie van het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen (nog onder zijn bestuur uitgebouwd tot een orgaan dat enkel nog gewijd is aan de studie van de Vlaamse Beweging, waarvan hijzelf levenslang een overtuigd aanhanger was). Al in 1980 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten en in die hoedanigheid de nauwgezette en onbaatzuchtige eindredactor van het Nationaal Biografisch Woordenboek (van België), waarvan hij de delen 10 tot 15 bezorgde.
De Smet was steeds zeer recht voor zijn raap, snedig en vlijmscherp. Wie daar niet vertrouwd mee was, kon wel eens schrikken. Vaak werd hij aangevoeld als de strenge heer uit de parabel der talenten (Mattheus 25) waar die tot de slechte en luie knecht zegt: ‘Je wist dus dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb, en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid’ (v. 26). Maar zo was nu eenmaal zijn ‘meester(-)lijke pedagogie’ en alleen zo kon ze vruchten opleveren. Wie hem gekend heeft, zal hem oprecht dankbaar blijven om wat hij/zij van hem mocht ontvangen.

P.S.1 Om prof.de Smet niet “te kort te doen” heb ik minder gesnoeid in de tekst van prof.De Grauwe dan ik me had voorgenomen. Ik hoop dat ik daarmee de grenzen van de welvoeglijkheid bij het citeren niet heb overschreden.
P.S.2 Oorspronkelijk ontbrak er een foto van de professor. Op internet was niets van hem te vinden. Dat vond ik zo verschrikkelijk erg, ook al behoorde ik eerder tot degenen die hem als “de strenge heer” hebben aangevoeld, zoals prof.De Grauwe dat beschrijft. Maar streng of soft, groot of klein, geleerd of dom, ik vind dat iedereen recht heeft op een virtuele grafsteen. En op een traditionele grafsteen hoort ook een foto thuis. “Dus wie mij die dus kan bezorgen, zou mezelf en wellicht ook vele mensen die de herinnering aan prof.de Smet levendig willen houden, een groot plezier doen,” zo eindigde ik mijn stuk, waarna bovenstaande foto me later is bezorgd door Marc Vermeulen, germanist van de promotie 1979. Gilbert de Smet staat uiterst rechts.
Bob Duijvestijn uit Hilvarenbeek (NL) reageerde op 28 maart 2016 hierop met: “Ik heb sterk de indruk dat de foto van de corona aan het begin van het artikel genomen is na afloop van mijn promotie (oktober 1985). B.W.T. Duijvestijn, Der deutsche und der niederländische Malagis. Bovenstaand artikel heb ik met genoegen gelezen, vooral omdat het zoveel goede herinneringen bij mij wakker maakte aan Gilbert de Smet. Ik heb vruchtbaar en in vriendschap met hem samengewerkt, niet alleen in de aanloop naar mijn promotie, maar ook – en intensief – toen wij met twee Duitse vorsers de uitgave van Duitse Malagis – een lang gekoesterd desideratum van De Smet – hebben voorbereid.”

(*) Dirk De Smet reageerde hier op 27 april 2017 met: “DIRK is de voornaam van de naamgenoot van prof. De Smet wiens voornaam je vergeten bent … Ik was met voorsprong de beste zanger van het door u beschreven koor!”

En tot slot was er ook nog een reactie van een zekere Kristel op 20 juli 2018: “De urne van Gilbert De Smet staat op de Zuiderbegraafplaats in Gent en lijkt vergeten. https://begraafplaatsen.stad.gent/begraafplaats/zuiderbegraafplaats/1523459/2053607. Misschien kan iemand eens een bloemetje zetten?”

Een gedachte over “Gilbert de Smet (1921-2003)

  1. Ik heb de Smet als student zeer gewaardeerd. Hij gaf les als een repeteergeweer, gelukkig herhaalde hij alles enkele keren zodat we ijverig nota leerde nemen. Hij had een cursus, dat hielp, maar zeer bijzonder voor die tijd (1975) zat aan het einde van zijn cursus een lijstje met mogelijke examenvragen, not done toen. Uit archiefwerk (voor mijn boek Professor) weet ik dat hij het was die ervoor ijverde dat studenten na de proclamatie hun punten zouden bezorgd krijgen. Ik vond hem een reus, steeds netjes gekleed en bijzonder capabel.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.