Zestig jaar geleden is het vakblad Billboard gestopt met een hitparade, gebaseerd op de meest gespeelde platen door disc-jockeys en de Top 100, waarin deze gegevens ook verrekend waren. De week daarop verscheen de eerste aflevering van de Billboard Hot 100. Deze lijst was eveneens gebaseerd op een combinatie van airplay- en verkoopgegevens, maar de gegevens over “airplay” (hoeveel keer gespeeld op de radio) werden dus niet meer bij de d.j’s gehaald. Volgens mij had dit te maken met het zogenaamde Payola-schandaal dat op dat moment volop in de belangstelling stond (d.j.’s die betaald werden om bepaalde platen te promoten), maar ik geef toe dat ik dit niet kan bewijzen. Raymond Thielens b.v. is het daarmee niet eens, maar uit deze discussie is wel onderstaand artikel voortgekomen, waarvoor ik hem dank verschuldigd ben.

Als we spreken over corruptie in de muziekbusiness denkt iedereen spontaan aan Payola en Alan Freed omdat deze namen eind jaren ’50 volop koppen in de nieuwsbladen haalden. Maar als we naar de kern gaan van dit payola-schandaal dat niet het eerste was, vinden we dat er heel wat meer “stront” aan de knikker was.
De benaming payola komt voor de eerste keer in het nieuws in 1916 toen het blad Variety op de frontpagina gewag maakte van een wijdverspreide praktijk van beïnvloeding gekoppeld aan financiële profijten of voordelen in natura om muziek te verkopen. Zangers, performers, werden beloond met drank, dineetjes en giften om hun setlist aan te passen met liedjes aangebracht door “pluggers”, waardoor de bladmuziek van die songs beter begon te verkopen. Na deze publicatie waarbij Variety volledig neutraal was, hield de payola plots op tot in 1934 opnieuw een melding gemaakt werd van payola waar ASCAP bij betrokken was, toen Harry Richman en Paul Whiteman (bekend voor zijn uitvoering van Gershwins’ Rhapsody in Blue) financiële bijdragen kregen van ASCAP om bepaalde songs uit te voeren. ASCAP werd onder druk gezet om te stoppen, wat dan ook gebeurde, zij het met tegenzin. ASCAP (afkorting voor American Society of Composers, Authors and Publishers) was de eerste organisatie die opgericht werd ter bescherming van het auteursrecht van haar leden en kreeg later de concurrentie van BMI (Broadcast Music Incorporated) en SESAC (Society of European Stage Authors and Composers). En deze concurrentiële positie speelt een belangrijke rol in het Freed-payola schandaal.
Eén van ASCAP vertegenwoordigers was Mitch Miller, bekend van de Colonel Bogey March (in het Vlaams: Charel, ik heb uw gat gezien) en fervent tegenstander van het opkomende muziekgenre rock’n’roll, waarvan Alan Freed de enthousiaste promotor was via zijn disc-jockey baan bij de radio. Freed had begin 1958 het plan opgevat om een keten van rock’n’roll nachtclubs te openen als verlengstuk van zijn theater rockshows om zijn inkomsten te vergroten (wat uiteindelijk niet doorging als gevolg van zijn neergang). Volwassenen zagen in zijn shows voor de jeugd een bron van herrie, anarchie, een orgie van drank en seks en bij één van zijn shows eiste het Katholieke Aartsbisdom daarom meer politie om het gebeuren te begeleiden en Freed trok het in het belachelijke door tegen zijn publiek bij de aankondiging te zeggen: “De politie wil niet dat jullie je amuseren”, met als gevolg dat hij ter plaatse gearresteerd werd. Freed’s zoon getuigt dat zijn vader “erop gelegd” werd en dat hij het slachtoffer was van de gevestigde orde. Tevens werd Freed beschouwd als de leider van een beweging die BMI meer succes en bewegingsruimte gaf door meer songs te spelen en te promoten van BMI dan van ASCAP. Communicatiedocumenten tussen de FBI en het Aartsbisdom zijn boven water gekomen waarin letterlijk stond: “Nu kunnen we hem pakken”. ASCAP sprong mee op de wagen, met Miller als woordvoerder, die op een samenkomst van de top 40 disc-jockeys van de gelegenheid gebruik maakte om een steentje te gooien in de poel door te spreken over mogelijke payola-praktijken bij sommigen onder hen. Freed nam deze aanval persoonlijk op en ging ermee naar de pers. Miller, de voorvechter van de klassieke school, die ook rock’n’roll bezag als een voorbijgaand tijdelijk fenomeen, wilde hier ook Freed’s concurrent-dj’s naar zich toehalen. Tegelijkertijd weigerde Freed nog langer Columbia-platen in zijn radioprogramma’s te draaien, waarmee WINS, het radiostation waarvoor hij werkte, niet akkoord kon gaan, zodat hij ontslagen werd en WINS niks meer met hem wilde te maken hebben. Kort daarop ging Miller met een ander verhaal naar de pers: Freed had geweigerd The Four Lads op te nemen in zijn tv-show tenzij ze publicatierechten wilden delen met hem. Freed ging nu in dienst bij WABC radio maar Miller ging voort met zijn heksenjacht door in Billboard te verklaren dat payola ongebreideld toegepast werd in de muziekindustrie maar dat Columbia (zijn platenlabel) weigerde mee te doen met deze praktijken. Het “payola”-schandaal was evenwel de tweede aanval van ASCAP op BMI. (ASCAP kende het klappen van de zweep, lees hiervoor).
Chapter One zoals ze in Amerika zeggen, ging over de Hollywood filmindustrie, waar twee fracties in botsing kwamen met mekaar. “The Old School” die bestond uit de studio-moguls van de harde lijn en die vertegenwoordigd werd door Ronald Reagan, en “New” Hollywood, of de onafhankelijken, die in opkomst waren, en die verdacht werden van communisten te hebben onder hun leden. Het congres begon een serie van hoorzittingen en wilden koppen laten rollen en liet een “blacklist” circuleren van artiesten met communistische sympathieën. Wie mee opgeroepen werden waren de orkestleider Artie Shaw, de radio “folk” personaliteit John Henry Faulk en de folkzangers Lee Hays en Pete Seeger (leden van The Weavers, die de millionseller “Goodnight Irene” van BMI op hun actief hadden). Het gevolg van deze hoorzitting was dat The Weavers ontslagen werden door hun platenlabel Decca en op een blacklist kwamen te staan om nog verder opnamen te mogen maken. Deze zet was ook de oorzaak dat de acceptatie van folkmuziek door het grote publiek met bijna tien jaar uitgesteld werd, om precies te zijn: tot Bob Dylan op het toneel verscheen.
Vervolgens was er nog een tweede akkefietje waar ASCAP een vinger in de pap had en dat waren tv-quizzen, op het scherm gebracht door het duo Barry en Enright, die ook een paar radiostations in bezit hadden. Hun shows werden gesponsord door Revlon. ASCAP zag hier ook een kans om “de rug van BMI” te breken door hen verdacht te maken van de vragen op voorhand door te spelen aan een kandidaat (Charles Van Doren) omdat die “goodlooking” en populair was bij het publiek. Hun verf pakte en Revlon stopte met geld in hun shows te pompen.
Freed was het slachtoffer van ASCAP dat verwoede pogingen ondernam om de oude monopoliepositie te herwinnen. Freed was evenwel niet de enige DJ die zijn broodwinning ontnomen werd, er volgden nog meerdere in het land maar hij was de bekendste. Hij geraakte nergens meer binnen maar in hun haat ging ASCAP nog verder en ging men ook achter zijn vroegere vennoten aan zoals Morris Levy. De onderzoekscommissie ging nog verder om te weten waar het geld vandaan kwam waarmee dj’s betaald werden. Zo kwamen ze uit bij Frankie Lymon, een 13-jarige zanger met een fantastische stem die de platenmaatschappij veel geld in het laatje bracht, maar wat bleek: op het toppunt van zijn carrière kreeg hij 25 dollar per week en de rest werd op een rekening geplaatst “voor zijn eigen goed” tot hij meerderjarig zou worden! Naderhand is uitgekomen dat die rekening nooit bestaan heeft.
Het stof is gaan liggen begin 1960 toen de hoofdrolspelers van het toneel verdwenen waren: Buddy Holly stierf in een vliegtuigongeval, Jerry Lee Lewis’ carrière was tijdelijk voorbij door zijn huwelijk met zijn 13-jarig nichtje, Chuck Berry zat in de cel voor verkrachting van een minderjarige, en Little Richard had zich omgeschakeld naar de gospel.
De hitparade werd aangevoerd door Percy Faith’s “Theme from a summer place”, de Everly’s, Johnny Preston, Mark Dining, Connie Francis en The Drifters vulden aan, maar vooral Elvis Presley Music was toegetreden tot de ASCAP stal !!!
Rock’n’roll lag voorlopig op apegapen. En toen kwam de Britse beatsensatie nog overwaaien. ASCAP en Miller hadden hun doel bereikt.
Freed geraakte aan lager wal en overleed in 1965 op 43-jarige leeftijd aan nierbeschadiging en levercirrose als gevolg van zijn overmatig drankgebruik.

Raymond Thielens

Een gedachte over “Alan Freed, fraudeur of slachtoffer van een samenzwering?

  1. De piraatradio’s van de jaren 60 gaven leuke muziek maar waren nog veel corrupter.

    Allez, denk ik.

    The BeeGees, THE group of 1967: hun manager gaf cadeaus en cash aan de DJ’s van Radio Caroline en radio London, las ik in Britse kwaliteitskranten.

    Later las ik dat alle groepen dat deden.

    Maar het was fijne muziek, die ik enkel kon beluisteren tijdens de vakantie aan zee.

    Zand tussen je tenen, zand tussen je boterham,kip met zand, zand in je radio… en no fucking shower.

    En je begreep de autochtonen niet.

    The only reason not to commit suicide was the music: The Animals, The Move, The Manfreds,met Paul Jones nog, the bloody Beatles even…..and Little Stevie Wonder.

    Allemaal op een klein Philips transistor-radiootje,waar je eind juli een halve kilo zand kon uitschudden.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.