Vandaag is het veertig jaar geleden dat “Saturday Night Fever”, de Amerikaanse muziekfilm uit 1977, geregisseerd door John Badham, in première is gegaan. De film vertelt het verhaal van Tony Manero, gespeeld door John Travolta, een probleemjongere uit Brooklyn die om zijn problemen te vergeten, de plaatselijke discotheek induikt, waar hij zich ontpopt tot de koning van de dansvloer.

Hiermee wordt “disco” een begrip, ook al wordt de uitvinding van de benaming “discotheek” (niet in de betekenis van “een bibliotheek met platen i.p.v. boeken”) reeds toegeschreven aan een film van Roger Vadim in de late jaren vijftig. (*)
Gangmaker van de eigenlijke rage was dus de film “Saturday night fever”, waarin de muziek van The Bee Gees echt wel viel te pruimen. In één adem wordt (wegens hoofdvertolker John Travolta) ook meestal “Grease” genoemd, maar buiten de titelsong had de muziek niets met disco te maken. Het waren eerder pastiches van jaren vijftig-nummers en dat is bij mij steeds welgekomen als ze goed gemaakt zijn. En het merendeel was dat.
Maar “Grease” was een uitzondering. Het was een buitenbeentje in het peloton discofilms dat, al dan niet vermomd als Marsmannetjes, de wereld heeft veroverd. En al zijn er wel een paar richtingen binnen disco zelf te onderscheiden, toch komt diezelfde dreun steeds weer.
Raymond van het Groenewoud: “Ikzelf heb geen problemen met wat men dan disco noemt, want ook over dat woord bestaat er wel eens spraakverwarring. Als je dat hoort pompen in een discotheek, dan versta je wel dat de mensen daar even hun hersenen bij kwijtraken. Dat is trouwens ook de bedoeling. Net zoals bij de primitieve volkeren. De hersenen kunnen wel wat aan, maar niet alles. Voorbij het medium taal gebeurt er veel meer. Een gedicht kan ook wel meer oproepen dan enkel datgene wat er in woorden staat. Maar iemand die begint te drummen doet in mij sowieso meer ontwaken dan iemand die mij een krant doet lezen. Het doet het bloed sneller vloeien. Misschien niet letterlijk, maar als je dat gevoel hebt, is dat voldoende.”
Misschien daarom dat zogenaamde disco-singles die nog het meeste van die “dreun” afwijken mij het minst aanspreken. The Real Thing bijvoorbeeld, vertegenwoordigers van het souldisco-genre. Soul, dat is een verhaal apart. De harde rhythm and blues van Stax bijvoorbeeld tegenover het gepolijste studiowerk bij Tamla-Motown. Souldisco ligt in het verlengde van dit laatste. De meeste Motown-producties waren weliswaar uitstekend maar het gladde geluid was in feite de aanloop voor de degeneratie van soul. Met onder andere déze gevolgen. Maar écht treurig wordt het natuurlijk maar wanneer ook Frédéric François de discotoer opgaat. En wie hanteert het dirigeerstokje? Nico Gomez, jawel papa Van het Groenewoud. Met Nico Gomez zitten we dan meteen in Vlaanderen, waar Dan Lacksman natuurlijk niet mocht achterblijven. Zijn discocomputer (onder het doorzichtige pseudoniem Trans Volta) is echter het fameuze slotstuk van “Laat me nu toch niet alleen” onwaardig.
Betere Belgische discoproducties komen van Jean Kluger en Daniël Vanguard die in navolging van hun succes met de Gibson Brothers (“Cuba”) nu ook Linda and the Soul Iberica Band, Good News en Who’s Who trachten te lanceren (wellicht zitten achter al deze “groepen” dezelfde figuren). Zonder succes evenwel, al bewijzen de Morganstudio’s hun diensten bij dit soort werk (bijvoorbeeld “Australia” is toch een goed gemaakt nummer).
De vlaggedragers van de discosound schijnen de macho-homo’s van Village People (foto) te zijn. Het is bijna symbolisch dat in Berlijn een meisje zich heeft dood gedanst op uitgerekend “YMCA”. De analogie met de crisisjaren van de jaren dertig ligt zo voor de hand (They shoot horses, don’t they?). “YMCA” vond ik eigenlijk geen slecht nummer en “In the Navy” ook niet, maar het is een duidelijke blauwdruk van het voorgaande en zo zal Village People dan wellicht ook langzaam wegdeemsteren. Eventueel zit er nog een solocarrière in voor de enige hetero (de leadzanger), die er (terecht) is bijgekomen om zijn stemkwaliteiten in plaats van om andere redenen. De Indiaan van zijn kant zal wellicht met veel succes zijn vroegere baantje kunnen opnemen (gogoboy in een homobar).
Maar gelukkig zijn er ook meisjes die het liefst op een aantrekkelijke manier voor het voetlicht komen. Meer zelfs, de beste discoproducties krijgen vaak een vrouwelijke stem mee zoals men kan vaststellen op een zowaar goede verzamelelpee van discohits met daarop onder andere werk van Gloria Gaynor, Alicia Bridges en Peaches and Herb.
En dan heb je ook nog Amanda Lear. Ondanks het feit dat ze een eerste klas groupie is geweest (Brian Jones, David Bowie, Jimi Hendrix, maar ook Angie Bowie, Anita Pallenberg en Germaine Greer) en natuurlijk ook de grote muze van Salvador Dali (die er geen geheim van maakte dat hij impotent was, zodat een seksuele relatie niet echt mogelijk was, bovendien was zijn Russische vrouw Gala erg jaloers) en ondanks de talrijke naaktfoto’s die in die tijd van haar verschenen, waren er nog steeds die beweerden dat het eigenlijk een “hij” zou zijn (ze zou als Maurizio Lear in 1940 geboren zijn). Maar goed, het raadselachtige is Amanda-Maurice zijn-haar handelsmerk geworden (haar vorige plaat heette “Enigma” ofte raadsel) en als Sphinx doet hij-zij het uitstekend. Ook al omwille van haar diepe stem, die ertoe bijdraagt dat de twijfels omtrent haar geslacht blijven bestaan. Als er bij haar optreden een panne optreedt en blijkt dat ze playbackte, ontstaan er zelfs twijfels over haar zangcapaciteiten tout court. Maar had dat in die tijd wel belang? O.K., Gloria Gaynor kon goed zingen en had ook iets te zeggen (“I will survive”), zelfs Donna Summer kon naast hijgplaten (“I feel good”) ook échte muziek maken (“State of independence”), maar het gros van het succes ging toch naar kutgroepen (pardon my English) als de Duitse Silver Convention. In 1979 blijkt echter dat het ritme toen veel trager was en de instrumentatie veel eenvoudiger, dus nog minder gevarieerd. Zo kan men dus vaststellen dat er hoe dan ook een positieve evolutie in disco zit. Van die “trage disco” maakte overigens Barry White zijn handelsmerk.
Sedert « Saturday night fever » worden we vanuit Amerika overspoeld met een nieuw soort dansfilms. Disco-films noemde men dat vroeger maar de term is de laatste tijd in onbruik geraakt. Het principe is nochtans ongewijzigd gebleven : ze spelen zich voornamelijk af in een of andere dancing en het dansen zelf staat volkomen centraal. Dat is dus helemaal in tegenspraak met de oude musicals van Fred Astaire en c° waar de dans « groeide » uit een situatie of zelfs de actie vooruithielp, maar ook met de muziekfilms uit de jaren vijftig en zestig waar de muzikale interventies van « vedetten » (of het nu Elvis was of the Beatles dat maakt geen verschil) er « zo maar » tussengelast werden. Kon « Saturday night fever » (en « Grease ») ons echter nog bekoren, dan is dit met het vervolg, « Staying alive » (alweer met John Travolta), zeker niet het geval. The Beegees zorgen weer voor een hele kant muziek, maar hun inspiratie lijkt wel uitgeblust (op uitzondering van de single « Someone belonging to someone »). Bovendien, let op, « Staying alive » zelf staat er niet in de hitversie op. Op de keerzijde gaat het er nog zwakker aan toe met de stemmen van Frank Stallone, Tommy Faragher en Cynthia Rhodes en het werk van diverse « componisten ». Bij deze laatsten ene J.B.Esposito, die naar we vermoeden dezelfde is als Joe Esposito die « Lady, Lady, Lady » zingt op de soundtrack van « Flashdance » (met in de hoofdrol Jennifer Beals).
De titelsong, ook genoemd « What a feeling », wordt vertolkt door Irene Cara (« Fame »). Voor de muziek zorgt Giorgio Moroder, die ook tekent voor het « love theme ». Meteen hebben we de drie beste nummers uit de elpee genoemd, trouwens ook alle op single verkrijgbaar. Dit geldt ook voor « Maniac » van een andere bekende naam in het disco-milieu, Michael Sembello. Zelf houden we het echter meer bij « I’ll be here where the heart is » van Kim Carnes. De overige vijf nummers (w.o. nochtans één van Donna Summer) zijn te verwaarlozen
Wie een instrumentale round-up wenst van de jongste discofilms, die kan terecht bij de oude rat in het vak, Geoff Love. De beste uittreksels komen uit “Saturday night fever”, “The Stud” en “Grease”. Hierbij trouwens een verrassing: “You’re the one that I want” staat niét op de hoes, maar wél op de plaat. Beter dan het tegenovergestelde natuurlijk!
Disco is ook dikwijls in verband gebracht met science-fiction-films (bijvoorbeeld “Here comes Superman” van Whizz) en wie zich daarom die andere elpee van Love aanschaft met thema’s uit “Star Wars”, “Space Odyssey”, “Star Trek”, “Space 1999″… zal zich enigszins bekocht voelen, want de versies zijn overwegend nogal klassiek uitgebouwd.
Voor De Voorpost had ik me de moeite getroost de diverse hitparades gedurende de zomer van 1978 samen te tellen en dat leverde de volgende resultaten op:
Singles
1.John Travolta & Olivia Newton-John: You’re the one that I want (Polydor) 99p.
2.Michael Zager Band: Let’s all chant (EMI) 78p.
3.The Rolling Stones: Miss you (EMI) 60p.
4.The Surfers: Windsurfin’ (Barclay) 55p.
5.Amanda Lear: Follow me (Ariola) 54p.
6.Luisa Fernandez: Lay love on you (WEA) 46p.
6.Johnny Matthis & Deniece Williams: Too much, too little, too late (CBS) 46p.
8.Barry Manilow: Copacabana (EMI) 37p.
8.Boney M.: Rivers of Babylon (Hansa) 37p.
10.Abdoel Hassan: Arabian Affair (Phonogram) 35p.
Elpees
1.Beegees: Saturday night fever (Polydor) 22p.
2.John Travolta e.a.: Grease (Polydor) 20p.
3.Boney M.: Night flight to Venus (Hansa) 17p.
4.Amanda Lear: Sweet revenge (Ariola) 9p.
5.The Rolling Stones: Some girls (EMI) 4p. (**)
Welke firma’s hebben dan het meeste winst geboekt deze zomer (als we mogen veronderstellen dat deze puntenrangschikking dit enigszins weerspiegelt)?
1.EMI 202p.
2.Polydor 190p.
3.Phonogram 78p.
4.Vogue 77p.
5.Ariola 76p.
6.CBS 67p.
7.Hansa 66p.
8.WEA 62p.
9.Barclay 58p.
10.Philips 37p. (***)
En tenslotte heb ik de nummers ook nog volgens genre geklasseerd. Dat gaf het volgende resultaat:
1.Disco (voorbeelden te over) 472p.
2.Nostalgierock (Grease, Long Tall Ernie) 153p.
3.Bubblegum (Abba, Surfers) 132p.
4.Smartlappen (Theo Diepenbrock, BZN) 111p.
5.Easy listening (Johnny Matthis) 90p.
6.Beat (Stones, Robert Palmer) 89p.
7.Hard-rock (AC/DC, Status Quo) 43p.
8.New Wave met Ian Dury (****) 3p.
9.Soul (Gladys Knight) 2p.
10.Punk 0p.
Een overdonderende meerderheid voor disco dus. Als je dan nog bedenkt dat het succes van “Grease” voornamelijk op disco-ster John Travolta is gebaseerd en dat Abba toch ook zeer dicht aanleunt bij disco, dan stemt het zeker tot nadenken. Will Tura formuleerde het in zijn zomerhit “To be or not to be disco” eigenlijk zeer juist: disco of geen disco is gelijk aan hit of geen hit.
Toch wel eigenaardig voor een genre dat door Herbie Mann (eigenlijk een jazzartiest, die door zijn platenfirma echter “gedwongen” wordt om disco te produceren) als volgt wordt vergeleken: “Disco is als een pornofilm: als hij briljant gefilmd en gespeeld is, is het leuk voor vijf minuten.”
Kortom, alhoewel ik disco reeds als een verwerpelijke verbastering van de soulmuziek beschouwde, bleek het achteraf eerder een eindpunt dan een vertrekpunt voor iets nieuws. Alhoewel het genre zeker aan de basis ligt van de dance-, techno- en hiphop-rage (de melodielijn werd hierbij bijna volledig weggedraaid, enkel het ritme en de bas, drum’n’bass jawel, bleef over) is dit eerder een blank muziekgenre. Al dient gezegd dat de zwarten daar op hun beurt de “rap” als antwoord op hadden, maar, zoals Jerry Leiber zegt in “Humo”: “Rap is absolute rotzooi: het is propaganda, en alle propaganda is shit, of ze nu zwart, blauw, purper of groen is. Het blijft propa-fuckin’-ganda. Het gaat niet terug op Robert Johnson maar op Goebbels.”

Ronny De Schepper

(*) Dit artikel is een samenvoeging van een groot stuk in De Voorpost en enkele kleinere in De Rode Vaan, zoals “Zeg kwezelke, wilde gij ook disco dansen?”. Aangezien dat stuk in De Voorpost eigenlijk over “zomerhits” ging (maar 1978 was nu eenmaal een zomer vol disco), had ik daar het volgende rijmpje bij verzonnen:
Iets katholieks voor discofreaks:
even vermelden,
de tien geboden voor disco-helden!
Bovenal bemin één discogod (Travolta b.v.)
Wees zeer ijdel, vloek en spot
Dans steeds op de dag des Heren
Vader en moeder kunnen je niet deren
Stroor je niet aan hun ergernis
En doe af en toe wat onkuisheid is
Meisjes stelen of bedriegen
Kan door achterklap en liegen
Maar wees steeds thuis wanneer je moet
En dans verder de disco goed

(**) Omzeggens geen verschil dus tussen de single-hitparade en de elpee-charts. Dit is opmerkelijk omdat dit tot nu toe niet het geval is geweest: singles worden doorgaans door steeds jongere kinderen gekocht, terwijl elpees tot nu toe tot het patrimonium behoorden van een monsterverbond tussen meer progressieve twintigers en bezadigde veertigplussers. En daar deze laatsten in de minderheid waren, vertoonden de elpee-charts dikwijls een “progressieve” trend. De “betere” muziek als het ware. Nu is dat duidelijk niet meer zo. Singles zijn relatief zo duur geworden dat het singlekopende publiek zijn heil gaat zoeken in elpee met titels als “Alle dertien goed” of “Twenty golden hits”. Nu, indien die liedjes dan inderdààd alle dertien goed waren, indien ze er in de originele uitvoering en onverkort op stonden, dan was het nog niet zo erg, maar dikwijls tracht men de argeloze koper erin te luizen.
(***) Ik weet niet meer welke criteria ik heb gebruikt om kleinere platenlabels al dan niet tot een multinational te rekenen. Het meest voor de hand liggende criterium zal wel geweest zijn dat ik het niet altijd wist :-)
Maar van Philips had ik toch moeten weten dat dit de kern van Phonogram uitmaakte. Maar zelfs als men die twee cijfers bij elkaar optelt, dan komen ze nog niet in de buurt van Polydor. Die overheersing van de grote verdeelhuizen wordt door Jan Servaes in “De Nieuwe” o.m. als volgt verklaard: “Wat de Tip 10 betreft worden de luisteraars wel flink in het ootje genomen. Het is namelijk het SIBESA (het Syndicaat der Belgische Nijverheid van Geluids- en Audiovisuele Opnamen), de beroepsvereniging van alle grote platenfirma’s in België, die zich met de samenstelling van deze Tip 10 bezighoudt. De luisteraar komt er sowieso niet aan te pas. Concreet duidt het SIBESA elke maand drie van haar leden aan die elke week een nieuwe tip kiezen. De volgende maand komen drie andere leden aan de beurt. De kleinere productiehuizen, die niet in het SIBESA zitten, vallen door de mazen van het net. Hoeft het immers gezegd dat de grote productiefirma’s de koek onder elkaar verdelen en liefst geen vreemde pottenkijkers in de buurt wensen? In feite zijn het dus de producenten van popmuziek die via de hitparade de ‘smaak’ van Piet Publiek bepalen.”
(****) Rond die tijd maakte Ian Dury ook zijn debuut als toneelspeler. Samen met o.a. Vanessa Redgrave trad hij op in Shakespeares “Hamlet”. De opbrengst van de toneelvoorstelling ging naar de Workers Revolutionary Party, zoals de Trotskisten zich in Engeland noemen.

Referentie
Jan Segers, Disco really made it…, De Voorpost, 13 april 1979.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s