Het is vandaag precies 230 jaar geleden dat de Duitse componist Christoph Willibald von Gluck is overleden.

Hij was geboren in Beieren, maar drie jaar later verhuisde het gezin Gluck reeds naar Bohemen, omdat zijn vader daar als bosbeheerder aan het werk ging in dienst van de plaatselijke keurvorst. Na de dood van zijn vader trouwde Gluck in 1750 met een rijke bankiersdochter uit Wenen en hij vestigde zich aldaar. Daar verwierf hij de functie van hofdirigent. De titel “Ritter von Gluck” daarentegen kreeg hij in 1756 toegekend van paus Benedictus XIV.
Met zijn legendarische Orfeo ed Euridice (1762) doorbrak hij de heersende operaconventies en luidde daarmee een nieuwe fase in de operageschiedenis in, namelijk: aan het verhaal dat in de barokopera ondergeschikt was, werd meer aandacht besteed. Een attaché aan de Franse ambassade, François Leblanc du Roullet, vestigde zijn aandacht op de Franse operatraditie en bezorgde hem in 1772 een Frans libretto, Iphigénie en Aulide. De opera die Gluck schreef werd door de Parijse Opéra in 1774 opgevoerd, gevolgd door een sterk omgewerkte Franse versie van de Orfeo onder de naam Orphée et Eurydice. Van dan af pendelde Gluck heen en weer tussen Wenen en Parijs, waar hij o.m. leraar zang en clavecimbel van Marie-Antoinette was. Tot Echo et Narcisse een mislukking werd in 1779 en Gluck verbitterd Parijs verliet (het prérevolutionaire klimaat zal daar ook wel niet vreemd aan geweest zijn). Bovendien raakte hij gedeeltelijk verlamd, zodat hij in de laatste jaren van zijn leven niet meer componeerde.
Het waren de grillen van de castraten die aan de oorsprong lagen van de teleurgang van de opera seria. Gelukkig was er dus Christoph Willibald Von Gluck om de ernstige opera, die tot dan exclusief terrein van de Italiaanse compo­nisten was, nieuw leven in te blazen. De Italianen beheersten trouwens het muziekleven aan het Weense hof volledig. Dat was ook nog zo ten tijde van Mozart, zoals in de film “Amadeus” goed wordt geschetst. Daar legt Peter Shaffer Mozart een pleidooi voor “eigentijdse” onderwerpen in de mond en dat is uiteraard wel juist, maar Gluck was hem op dat vlak dus al voor.
Zijn opera’s klonken natuurlijker en hadden meer variatie dan de traditionele opeenvolging van aria’s en recitatieven. Hij wilde daarmee protesteren tegen het verval van het operagenre tot een louter uitgaansevenement. Zo werden componisten “gedwongen” om een “happy end” te verzinnen om het publiek te plezieren. De grote vedetten van de opera seria waren echter zoals gezegd de castraten en die bestelden vaak een “dood op het toneel” (meestal terwijl ze argeloos lagen te slapen). Aangezien ze dus tegelijk de held van het verhaal waren, viel dit vaak moeilijk te rijmen met een gelukkige afloop. Benedetto Marcello parodieerde deze inmenging van “vedetten” (maar ook de moeders van zangeresjes e.d.) in zijn boek “Il teatro alla moda” (1720).
Vandaar dat Gluck voor zijn “protest-opera” als onderwerp “Orfeo ed Euridice” (1762) nam, niet toevallig hetzelfde thema als de “eerste” opera van Monteverdi, waarin de Muziek de echte Opera terugbrengt uit de doden. Dat hij precies een castraat (Guadagni) de titelrol laat zingen, terwijl het juist de castraten waren die het spel om zeep hadden geholpen, maakte de provocatie dubbel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s