Vandaag is het precies dertig jaar geleden dat Miel Dullaert (rechts op de foto naast Jan Mestdagh en mezelf) de overstap maakte van De Rode Vaan naar het Partijcentrum van de KPB (Communistische Partij van België). Dat was eigenlijk een promotie en dus gebeurde dit met de wederzijdse goedkeuring van beide partijen. Toch zal het uiteindelijk een zeer belangrijke rol blijken te spelen in de verhouding tussen redactie en partij, wat enkele maanden later tot een breuk zou leiden.

Ik had Miel Dullaert al kunnen kennen van op de middelbare school, maar dat was niét het geval. Miel was een paar jaar ouder en zoals dat op die leeftijd gaat, hadden de oudere jongens geen aandacht voor hun jongere lotgenoten. Net als in de Engelse colleges (zij het dat die wel een enigszins andere betekenis hebben dan “ons” college) gaat, hadden die jonge snaken soms wel een soort van “tutor” tot wie ze zich richtten, maar in mijn geval was dat André De Rop uit de Latijn-Wiskunde, terwijl Miel in de moderne afdeling zat.
Wie ik daar wél heb leren kennen, was Miels broer Marc. In de studie werden wij verplicht naast iemand uit een andere richting te zitten (men dacht dat er dan minder gebabbeld zou worden) en dus kwam ik als Latinist naast iemand uit de moderne te zitten, een zekere De Wilde uit Beveren (hij heette óók Marc, meen ik me te herinneren). En die was dan weer de beste vriend van Marc Dullaert, zodat deze schuin vóór mij kwam te zitten. (’t Is wel een beetje eigenaardig dat ik me dat zo goed herinner, want wie de klasgenoot was die vlak vóór mij zat, dat weet ik niet meer.)
Later zouden Marc en Miel binnen de KP hevige politieke tegenstanders worden. Miel ondersteunde immers het eurocommunisme, terwijl Marc – zoals wij dat dan noemden – tot de “stalinistische” vleugel behoorde. Ik weet niet wat dit gaf op familiefeestjes en dergelijke, maar op partijvergaderingen kon het er alleszins verhit aan toegaan. Tot en met fysiek geweld. Dat de twee broers ooit elkaar in de haren zouden zijn gevlogen, dat kan ik me niet herinneren, maar een incident met Johnny Maes is me wel bijgebleven. Die Johnny Maes was overigens geen familie van de legendarische Karel Maes, die in Sint-Niklaas de “geestelijke vader” was van de “stalinistische” strekking.
Zelf heb ik met Marc geen problemen gehad. Integendeel zelfs. Ik herinner me een info-avond van het Masereelfonds, waarop ik José De Cauwer had uitgenodigd en waarbij Marc Dullaert als geneesheer een nuttige bijdrage aan het welslagen van de avond heeft geleverd.
Met Karel Maes daarentegen heb ik wél “mijne pere gezien”, zoals ze bij ons in het Waasland zeggen. Ik was namelijk aangeworven op De Rode Vaan, zonder hem daarin te kennen, alhoewel ik in die tijd nog in Temse woonde en dus binnen Karels “jurisdictie” viel… Bovendien had ik helemaal geen KP-verleden en wél zowaar een verleden bij aartsvijand Amada (de huidige PvdA).
Later toen ik zowat mijn weg begon te vinden binnen de lokale KP en vooral goed bevriend werd met Oswald Joossens, is de tegenstand wat gemilderd, maar in het begin was er op elke partijbijeenkomst wel een tussenkomst van Karel Maes om zich af te vragen wat die Ronny De Schepper dan wel mocht uitgevreten hebben om aan de rijkelijke dis van De Rode Vaan te mogen plaatsnemen. Het feit dat ik bij de buitenwereld vooral bekend stond omwille van mijn artikels over popmuziek (elders heb ik al in ’t lang en in ’t breed uitgelegd dat dit eigenlijk een verkeerde “perceptie” van mijn activiteiten was, ik ga hier dus niet opnieuw over beginnen zeuren) droeg natuurlijk niet erg bij tot mijn populariteit…
Miel van zijn kant was ondertussen getrouwd met de dochter van een hoge piet binnen het ACV en was werkzaam in het plaatselijke Opbouwwerk. Daar geraakte hij in de problemen door zijn KP-lidmaatschap en op een bepaald moment heeft de KP zelfs nog actie gevoerd tegen het zogenaamde “beroepsverbod” voor Miel.
In De Rode Vaan van 8 juni 1978 stond dan het fameuze “Dag Miel!”-artikel van Jef Turf waarmee deze Miel begroette als sociaal-economische redacteur van het blad. “Fameus” omdat – althans volgens ouderdomsdeken Lode De Pooter – het nog nooit gebeurd was dat een nieuwe redacteur op die manier werd ingehaald. Het zal ook later niet meer gebeuren, ook niet als ikzelf enkele maanden nadien bij de Vaan ben begonnen ;-)
Jef schreef o.m.: “Zijn enthousiaste en deskundige inzet in de redactie van De Rode Vaan zal stellig een versterking van de rol van ons blad betekenen in de strijd voor sociale, culturele en politieke ontvoogding van het Vlaamse volk en in onze inspanningen om alle progressisten te verzamelen rond een vooruitstrevende wisseloplossing.”
Op het persoonlijke vlak was Miel ondertussen gescheiden en woonde hij samen met zijn latere tweede vrouw Marita in een laan in Sint-Niklaas, niet ver van mijn boezemvriend Marc De decker. Dat kwam goed uit toen ik enige tijd later ook aan een echtscheiding toe was en mijn tijd soms doorbracht door te pendelen tussen de twee huishoudens om daar vooral het verlies van mijn kinderen te bewenen. Dat moet knap vervelend geweest zijn voor de beide paren die mij onderdak boden, maar daar denk je natuurlijk niet aan als je overmand bent door verdriet.
Maar alleszins mag hieruit blijken dat mijn relatie met Miel in die tijd zeer goed, ja zelfs uitstekend was. Later zou daar verandering in komen door een aantal voorvalletjes.
Het dient gezegd, aan het eerste incident had Miel zelf geen schuld. Toen ik al enkele jaren op De Rode Vaan werkte, kwam ik er namelijk heel toevallig achter dat mijn loon een flink stuk lager lag dan dat van Miel, ook al was ik, zoals gezegd, pas enkele maanden na hem in dienst gekomen.
In eerste instantie werd er gezegd dat dit kwam omdat Miel een universitair diploma had, wat natuurlijk lulkoek was, want dat had ikzelf ook. Dan werd er gezegd dat zijn jaren in het Opbouwwerk als “anciënniteit” golden. Waarop ik uiteindelijk toch gedaan kreeg dat mijn jaren in het onderwijs eveneens op die manier werden doorberekend.
Eigenlijk hield ik aan dit “incident” dus een loonsverhoging over, wat moeilijk als iets negatiefs kan worden omschreven, maar “there was more to come”.
Zo was er het huwelijk van Miel, waarvoor ik verzocht werd een “huldelied” te schrijven, dat naar aloude traditie van de toespraak van “the best man” op het huwelijksfeest (denk maar aan “Four weddings and a funeral”) allesbehalve een “hulde” was natuurlijk.
De tekst was weliswaar tot stand gekomen na een brainstorming door de hele redactie, maar het was toch maar weer ondergetekende die een en ander in rijmvorm diende te gieten en dus de uiteindelijke verantwoordelijke was van de tekst. Ik ben er niet echt fier op (sommige grappen zijn er duidelijk óver), maar ik geef u het lied toch zoals het door de redactie werd gezongen op het huwelijksfeest van Miel en waarvan hij de tekst als een soort van oorkonde (gemaakt door René Lampaert) overhandigd kreeg:

HULDELIED VOOR MIEL

(op de wijze van “Schele Vanderlinden”)

Refrein: Leve onze Miele, leve onze Miele.

Nu trouwt de Miel met zijn Marita (met zijn Marita)
Dan kan z’helpen duwen aan zijne Lada (aan zijne Lada)

Toen Miel haar voor de eerste keer zag
Dan zei hij “Wadde?” in plaats van goeiendag

Zij stond in de winkel van Jill and J
En Miel zei: “Weette nie da’k u gere zie?”

En zo begint een vettig verhaal
Tot stichting en lering van ons allemaal

Want de Miel die bakt ze bruin
Met pickles en mosterd, mayonaise en ajuin

Als Miel Marita zag in de koeiestal
Hij liep al heet van de reuk alleen al

Want Miel is geboren voor het platteland
De patatten van Baaigem die vindt hij plezant

Maar soms dan pakt hij zijn fiets
Rijdt naar de Boelwerf maar schrijft erover niets

Want dan zweten zijn oksels, zijn handjes en voetjes
En heeft hij d’handen vol met ’t geven van kopstoetjes

Maar laten wij nu drinken een goei pint bier
Want we wensen de Miel en z’n lief nog veel plezier

Een paar kanttekeningen:
“duwen aan zijne Lada”: het spreekt vanzelf dat, aangezien Miel en ik in elkaars buurt woonde, het wel eens voorkwam dat Miel mij meenam naar huis. Op een bepaalde dag viel zijn wagen (ondanks zijn eurocommunistische strekking dan toch plichtsgetrouw een Lada) echter stil in het industriepark van Bornem. Echt geen beweging meer in te krijgen. Het was al laat, dus de meeste fabrieken waren al gesloten, maar toch slaagde ik erin bij één ervan toegelaten te worden om van daaruit mijn ouders te bellen (de GSM was nog niet uitgevonden) om ons te komen ophalen. Toen ik weer buitenkwam, stond Miels wagentje echter opnieuw te puffen. “Stap in, we zijn weg,” zei Miel. Maar dat ging natuurlijk niet, aangezien mijn ouders al onderweg waren. “Ja maar, ik kan niet riskeren dat hij weer stilvalt,” repliceerde Miel (niet ten onrechte moet ik eerlijkheidshalve bekennen) en weg was hij, mij achterlatend aan de rand van de weg. :-(
“Wadde?”: stopwoord van Miel.
“bakt ze bruin”: een toespeling op een omslagverhaal van Miel over de frietindustrie, waarin deze uitdrukking als titel werd gebruikt.
“de patatten van Baaigem”: de eerste zogenaamde boerenmarkt in ons land (verkoop rechtstreeks van de boer aan de klant), actie die werd ondersteund door de KP.
“kopstoetjes”: een allusie op het incident met Johnny Maes.
Jammer genoeg heb ik de leukste anekdote met Miel in een hoofdrol niet in het lied verwerkt – misschien was het te moeilijk voor het strikte rijmschema? Dat was namelijk in een pikdonkere dancing, waarbij Miel niets vermoedend op de schoot van een zwarte medemens ging zitten. En die reageerde met een brede glimlach, waarbij zijn hagelwitte tanden in de duisternis oplichtten zoals the Cheshire cat in Alice in Wonderland.
Die “fiets” was ook een toespeling maar die verdient wat meer uitgewerkt te worden. De bijdragen van Miel voor De Rode Vaan werden stilistisch soms niet al te goed ontvangen. En wie “mocht” dan de teksten van Miel herwerken? Jawel, Bibi! En zo herinner ik mij een nogal komische inleiding die ik in zijn schoenen heb geschoven wat zijn artikel over de fietsindustrie betrof. Ik vind ze zelf nog altijd zeer goed en blijf ervan overtuigd dat men naar het gezegde van Vic Van Saarloos geen vliegen vangt met azijn. Ik had echter wel de indruk dat Miel vond dat ze afbreuk deed aan het “sérieux” van zijn artikel. Die inleiding ging als volgt:
“Pech. De gemeenschapsauto (een twee p.k.’tje) van het klooster is kapot. Maar geen nood. Een fietslustig nonnetje stelt haar collega voor om naar dit sportieve voertuig te grijpen om naar het dorp inkopen te gaan doen. Even later rijden de twee godsvruchtige zieltjes over een hobbelig kasseiwegje. « Zo ben ik nog nooit gekomen », zegt de novice. « Heerlijk, nietwaar ! », kirt de meer onderlegde fietster.
Fietsen dus. Een erg leuk tijdverdrijf voor sommigen, hard labeur voor anderen (beroepswielrenners b.v.).
De fiets staat op dit tijdstip van het jaar trouwens volop in de belangstelling wegens het Grote Jaarlijkse Fietsgebeuren : de Ronde van Frankrijk. Daarom gingen we praten met enkele mensen die beroepshalve met de fiets te maken hebben : fietsenhandelaars. Mensen die zich op het kruispunt van productie en verkoop van de tweewieler bevinden. Productie en verkoop waar uiteraard één en ander over te vertellen valt want niet alleen is met het failliet van Flandria en Superia onze fietsenindustrie zowat onbestaande geworden, maar bovendien blijkt dat er nog heel wat vraag is naar fietsen. Vraag waaraan dan voldaan wordt door buitenlandse producenten…”

Hoe dan ook, op een bepaald moment kwamen we dan op een punt dat herschrijven niet langer volstond en dat er werd uitgekeken naar een baan binnen de partij voor Miel, waar hij zich overigens veel nuttiger zou kunnen maken en waarbij wij dan een andere redacteur (dat werd dan Jos Gavel) zouden kunnen aantrekken.
Eigenlijk was dit voor Miel dus een promotie, maar het blijft mijn eigen persoonlijke vaste overtuiging dat dit incident heeft meegespeeld in wat er later is gebeurd.
Enkele jaren later was Miel immers samen met o.a. Filip Delmotte en Dirk Vonckx, nochtans ook twee “protégé’s” van Jef Turf, de gangmaker van een poging van de partij om opnieuw meer greep te krijgen op De Rode Vaan. Met name verweet men aan Jef dat hij met De Rode Vaan een eigen koers vaarde, niet tégen de partij (dat standpunt heeft men mijns inziens terecht nooit kunnen hard maken) maar toch de grenzen verkennend van wat kan en wat niet kan. Zoals ik het hier schrijf, lijkt me dit wel de houding van de N-VA binnen de nieuwe Vlaamse regering, maar dit geheel terzijde. Wie hierover het fijne wil weten, verwijs ik naar de scriptie van Susan De Coninck, die ik met haar toestemming gedeeltelijk ook op mijn blog heb afgedrukt.
82 jef turfNa de fameuze “coup” keerde Miel dus terug naar De Rode Vaan, deze keer als hoofdredacteur. Eén van zijn eerste taken was het bespreken van het boek “Communist” van Jef Turf, dat net op de markt was gekomen. De hele bespreking heb ik niet meer dus we vallen maar met de deur in huis op een moment dat op het eind van de jaren zeventig “… voor velen het optimisme omsloeg in ontmoediging, afhaken en zelfs wanhoop. Is de auteur van het boekje ‘Communist’ daar niet samen met velen een exponent van? Heeft men in de eurocommunistische stroming zoals hij dat opvatte, met de terechte ambitie om een eigen weg naar het socialisme uit te tekenen die aansluit op de eigen cultuur, de eigen politieke en democratische tradities, niet te vlug gedacht dat beslissende stappen konden worden gezet naar de concrete machtsuitoefening? Heeft men geen illusies gekoesterd over de overwegend reformistische stromingen van de arbeidersbeweging om naar fundamentele veranderingen te gaan zonder een sterke linkse, autonome politieke component? Terwijl met de neoliberale vloedgolf bewezen werd dat het reformisme zowel in de meerderheid als in de oppositie meewerkte of verlamd werd door een agressieve rechterzijde en steeds verder naar het centrum opschuift als er geen sterke linkse tegenstroom opgebouwd wordt.
De overschatting van de ‘rijpe en sterke arbeidersbeweging’ beperkte de rol van de Communistische Partij tot de aanbrenger van ideeën die zich als een klontje suiker moest laten oplossen in de spontane beweging. Dat leidde voor sommige militanten tot een anarcho-individualistisch engagement dat vlug een alibi vond om te verdwijnen uit het partij-engagement zodra de machtsverhoudingen tussen rechts en links voor ons nadeliger werden. Dat alles werd nog aangewakkerd door de yuppie-cultuur waar progressief engagement een individuele, private aangelegenheid werd los van elk partijverband.
Is het dan te verwonderen dat, in het verlengde van die opties, niks werd gedaan om de Communistische partij als collectieve intellectueel uit te bouwen? Een treffende illustratie ervan is dat, toen wij op de redactie van de Rode Vaan toekwamen wij vaststelden dat het jarenlang beleid van de vorige redactieleiding het meest elementaire verwaarloosd had om collectief te kunnen werken nl. de systematische documentatieopbouw. Om niet te spreken over de vervreemding tussen de partij en de redactie.
COLLECTIEF DENKEN EN HANDELEN
In het boekje ‘Communist’ ontmoeten we dezelfde opstelling over de politiek. Waarin de auteur terecht negatieve kernmerken opsomt van de hoofdzakelijk grote traditionele partijen, waarin hij hoofdzakelijk in algemene termen over spreekt maar de negatieve kenmerken toeschrijft aan de Communistische Partij. Alles wordt in een grote zak gestopt. In bepaalde middens is dan succes verzekerd. Maar een Communistische Partij is geen partij zoals de andere. Maar de concrete ervaring leert ons dat hij, door bepaalde praktijken en onder zijn 15 jaar lang durende leiding, van de partij een partij zoals de andere helpen maken heeft. In zijn reactie op een voor hem nadelige stemming in de Vlaamse raad hebben we kunnen zien dat hij weinig ingenomen is met democratische besluitvorming. Het verwondert ons dan ook niet dat hij adviseert blanco te stemmen tijdens de jongste stembusgangen. Is dat andermaal niet de bevestiging van het over een kam scheren van de politieke partijen, zowel reactionaire als revolutionaire ? Weet hij dan niet dat hij daarmee voedsel geeft aan bepaalde establishmentmilieu’s die in hun salons dromen van autoritaire oplossingen en het afschaffen van de politieke partijen? In zijn boekje stelt hij weliswaar dat de partijen een andere rol zullen moeten spelen maar we hebben daar weinig van gemerkt onder zijn voorzitterschap.
In het boekje wordt alle heil verwacht van de basisbeweging, de enige ankerplaats van de tegenmacht zoals hij stelt. De basisbeweging is inderdaad zeer belangrijk. Daarom ook dat de Communistische Partij groot belang hecht aan de activiteit van haar militanten in de basisbeweging. Heel wat militanten zijn voortrekkers in basiscomités allerhande. Zij weten ook samen met vele andere basiswerkers dat de politieke structuren noodzakelijk zijn om hun doeleinden te helpen realiseren. Enkel pleiten voor de basisbeweging als enige vorm van tegenmacht is voorbijgaan aan het belang van de politieke structuren. En waarom zou een politieke partij niet hoogst nuttig kunnen zijn om van binnenuit de politieke structuren positief te beïnvloeden? Is dat ook niet in het belang van de basisbeweging ? Of moeten we ze aan de corrupte en met het groot-kapitaal gebonden krachten overlaten en hen het terrein vrij geven?
De auteur van het boekje ‘Communist’ lacht met de symbolische acties van de KP, behalve natuurlijk met diegene waar hij zelf ooit aan deelnam. Maar is dat ook geen klap in het gezicht van al diegenen in de basisbeweging voor de vrede bijv. die tientallen symbolische acties deden en uiteindelijk ertoe hebben bijgedragen dat de Amerikaanse raketten van ons grondgebied verdwenen zijn?
Eigenlijk ontkent de auteur de mogelijkheid van een politieke partij zelf beweging te zijn.
In het boekje ‘Communist’ wordt gesteld dat de allesoverheersende reden om het nieuwe Sovjet-beleid een conservatieve rechts-nationalistische en geïsoleerde Sovjet-Unie is. Nu bestaat dat risico. Maar doorheen heel het boekje loopt een negatieve draad die hier ook bloot komt te liggen. Want is dat niet een wat negatieve, minimalistische manier om daarvan het allesoverheersend motief te maken om het Gorbatsjov-beleid te steunen?
Voor ons is er veel meer aan de hand (waar we in een van de komende dossiers van de Rode Vaan uitgebreid op zullen terugkomen). Wordt met de initiatieven van de Sovjet-leiding niet een kans geboden om de stagnatie en relatieve achteruitgang van de socialistische idealen om te buigen? Ontstaan er met de nieuwe aanpak geen grotere mogelijkheden om het kwantitatief groeifétichisme om te buigen naar een milieuvriendelijker, een meer op de consumenten gericht systeem? Natuurlijk ook wij kunnen niet in de glazen bol kijken, de tegenstellingen en misgroeingen zijn er, en niet van vandaag. Maar voor ons is het allesoverheersend argument: de enorme kansen die kunnen worden waargemaakt als het op gang gekomen proces zich doorzet.
Voor de revolutionaire krachten in kapitalistisch Europa blijft het zoeken naar een socialistische uitweg in de eigen condities een lange termijnperspectief. Voor nu, heeft de nieuwe aanpak van de Sovjet-Unie en haar bondgenoten op het vlak van ontwapening, de vreedzame samenwerking in geheel Europa op economisch en cultureel gebied, de inzet voor de algemene overlevingsproblemen van de mensheid een onmiddellijke weerslag op de strijd hier bij ons. Kan dit alles niet helpen om hier bij ons de strijd te voeren voor politieke veranderingen?
Maar we zullen vooral onszelf moeten helpen om een uitweg te vinden uit de crisis. De complexiteit en de omvang van de problemen die zich stellen vraagt om globale oplossingen. Er zal o.i. dan ook een enorme inspanning dienen te gebeuren om collectiever te denken en in nauw verband daarmee collectief te handelen. Daarvoor zijn communisten nodig, om te bundelen en de bokken van de geiten te scheiden.
Het boekje ‘Communist’ is daarmee in tegenspraak : het is geen bijdrage tot de discussie. De stijl en tonaliteit van het boekje geeft de indruk dat we met een verbitterd man te doen hebben die, na een democratische stemming waar hij ongelijk kreeg, scherper dan ooit zijn onmacht demonstreert om collectief te denken en te handelen en daarbij zelfs zijn morele integriteit heeft verloren. Want is ‘Communist’ niet constructief, het ‘Verval’ dat hij schreef is nog van een lager allooi.” (Miel Dullaert in De Rode Vaan van 13 januari 1989)
Jos GavelIkzelf bleef in eerste instantie mijn functie als redactiesecretaris (nadat Lode De Pooter met pensioen was gegaan) uitoefenen, maar na een incident met – godbetere! – Miels “opvolger” Jos Gavel heb ik dan omwille van “gezondheidsredenen” die functie overgedragen aan Filip Delmotte.
Die “gezondheidsredenen” waren toen een uitvlucht, ondersteund door een behulpzame huisarts, maar ondertussen zijn die zowaar waarheid geworden (bloeddruk, cholesterol, de hele santeboetiek), toch denk ik niet dat, mochten er al psychosomatische factoren meespelen (en dat zal ook wel zo zijn) dat deze niet teruggaan op deze laatste maanden bij De Rode Vaan, maar wel op de daaropvolgende als perschef van De Batselier. Miel kan dus, alvast wat dàt betreft, op twee oren slapen.
Ook het incident met Jos Gavel verdient een woordje uitleg. Op een fameuze vergadering, waarbij de redactie dus op de rooster werd gelegd door de partij, kwam het er vooral op aan met straffe verklaringen uit te pakken en het zélf af te bollen in plaats van “onder de vreemde heersers” te blijven werken. Dat was een beetje pijnlijk voor Jan Mestdagh en mij omdat wij niet wisten van welk hout pijlen te maken en dus wel verplicht waren te blijven waar we waren, in afwachting van een andere aanbieding (in mijn geval zou dat dus De Batselier worden, een eerste marteling, en in dat van Jan de C.S.C., wat er later oorzaak van zou zijn dat ik daar ook naar zou overstappen, wat een tweede marteling zou worden voor mij).
Jos Gavel was een speciaal geval, die had namelijk al vóór de incidenten te kennen gegeven dat hij opnieuw wou gaan studeren aan de VUB. Maar dat kwam nu goed uit natuurlijk en Jos kondigde op die bewuste vergadering net als Jef, Piet, René en Jo aan dat hij zou opstappen. Waarop ondergetekende het natuurlijk niet kon laten op te merken: “Ja maar, jij had toch al besloten om te gaan studeren, hé Jos!” Inderdaad niet de briljantste uitspraak die ik in de gegeven omstandigheden kon doen, maar ja, zo zit ik nu eenmaal in elkaar.
Zo kreeg ik natuurlijk de zwarte piet doorgeschoven en na een uitbarsting pakte ik mijn spullen samen en ging naar huis. Om niet meer terug te keren. Dacht ik. Toen ik na drie dagen nog niks had gehoord, belde ik even naar de vakbond om mijn situatie uit te leggen en daar viel men bijna achterover. Ja, uiteraard, was dat de uitgelezen methode om ontslagen te worden, maar dan wel zonder werkloosheidsvergoeding, hé slimmeke!
Daar had ik natuurlijk weer niet aan gedacht en dus kreeg ik de raad om een dokter op te zoeken en mij ziek te melden. Enfin, het vervolg heb ik al verklapt, alleen moet ik er nog bij vertellen dat ik bij mijn terugkeer naar de ruzie met Jos Gavel verwees als aanleiding van mijn “zenuwinzinking”, waardoor Jos zowaar een tijdlang verbod kreeg om de redactie te betreden. Dat hij voortaan thuis moest werken, zal Jos wel niet echt als een straf hebben ervaren, maar het was uiteraard een pijnlijk verlengstuk van het conflict.
Gelukkig is ondertussen alles al lang weer bijgelegd. Dubbel en dik zelfs. Op een bepaald moment kreeg ik van wijlen Herman Vermeulen, een ex-PvdA’er die zich nu op de handel van kelims had gestort, het onwaarschijnlijke aanbod om voor Trends een reportage te maken over de manier waarop die kelims tot stand kwamen, ergens in de binnenlanden van Turkije of zoiets. Wie mij kent, weet dat dit niets voor mij is, maar aangezien de naam Trends was gevallen, herinnerde ik me dat Jos Gavel daar nu (o.a.) voor werkte. Ik speelde hem het voorstel door en toen hij het bij de hoofdredacteur ging aankaarten, zei deze: “Als je dan toch zo graag buitenlandse reportages maakt, ik heb er hier nog wel een paar liggen.”
En zo werd Jos als ex-RV-redacteur alsnog topredacteur bij een blad als Trends. Later zou hij me een wederdienst bewijzen door mij een interview met Jan Decleir te laten maken voor Het Laatste Nieuws, het blad waarbij ikzelf de laatste jaren van mijn journalistenbestaan zou slijten. Toegegeven, er was niet echt een verband tussen die opdracht voor Jos en mijn langlopende verbintenis (het eerste was voor de editie Aalst, ikzelf zou bij de editie Gent aan de slag gaan) maar de cirkel is er toch maar mooi mee gerond.
Ook Miel zou ik later nog opnieuw tegenkomen. Met name toen ik bij de C.S.C. werkte. Hij was toen immers politiek medewerker van SP-parlementslid voor Brussel, ook al wijlen Michiel Vandenbussche. Echte ruzie met Miel heb ik nooit gehad, dus een echte verzoening is er ook nooit moeten komen, maar het was toch allemaal niet meer zoals vroeger, “in de goede oude tijd”.
Op 9 juli 2009 mocht Miel in de Salons voor Schone Kunsten in Sint-Niklaas de jaarlijkse Leeuwenpenning van het Davidsfonds in ontvangst nemen. Volgens het Davidsfonds verdiende Dullaert deze onderscheiding omwille van zijn links-flamingantisch engagement in het Waasland en Vlaanderen. Miel is nu inderdaad actief als voorzitter van de Raad van Bestuur van het linkse, Vlaams-nationale maandblad Meervoud. Tevens is hij mede-oprichter van de Gravensteengroep en laat hij zich ook gelden op de Sociaal-Flamingantische Landdagen.
De onderscheiding wordt uitgereikt sedert 1987 en bij de vorige gelauwerden noteren we onder meer Daniël De Smet, de vroegere superior van het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in Sint-Niklaas, waar zowel Miel als ikzelf dus nog school hebben gelopen. Het valt me echter moeilijk om beide namen op een zelfde erelijst te zien staan, maar het dient gezegd dat het Davidsfonds de jongste jaren een soort van “progressieve bocht” heeft genomen. Zo werd onder meer het werk van de onlangs overleden KP-mandataris Jan Debrouwere bij hen uitgegeven.
Mijn laatste contact met Miel was dan ook via deze blog die hij op de een of andere manier had opgepikt (wellicht door zijn eigen naam in te tikken, zoals we allemaal wel eens doen). Hij stond toen aan de wieg van de Gravensteengroep, waar hij zowaar opnieuw Jef Turf aantrof. Naar beiden zeggen zijn de plooien ondertussen glad gestreken, maar het zou me niet verwonderen mocht er toch nog hier en daar een plooitje vergeten zijn, er is tenslotte te véél gebeurd in al die tijd.
Maar goed, al moet ik voorlopig nog altijd niet beschaamd zijn mijn stem aan Bart De Wever te hebben gegeven, toch blijf ik erbij dat de Gravensteengroep zich tot een partij zou moeten omvormen om op die manier een links separatistisch alternatief te bieden. Ik had graag gezien dat Jef Turf nog eens met een mooie verkiezingsuitslag afscheid kon nemen, maar wellicht is het daarvoor al te laat. Maar wat belet de gelauwerde Miel echter om zelf de touwtjes in handen te nemen? Wellicht stem ik zelfs voor hem!

Ronny De Schepper
Foto’s Jo Clauwaert

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s