Op 1 oktober 1887 werd het vroegere wapenhuis in Brussel als “Vlaamsche Schouwburg” plechtig geopend, naar aanleiding waarvan, in aanwezigheid van onder meer Burgemeester Buls, de Belgische koning Leopold II voor de eerste keer in het openbaar een paar woorden Nederlands uitsprak. (Foto Wikipedia)

Voor de voorgeschiedenis moeten we teruggaan naar 1852 als het Brusselse stadsbestuur de toelating geeft aan de flamingantische, antiklerikale onderwijzer en publicist Jacob Kats (1804-1886), de stichter van Toneel der Volksbeschaving, om jaarlijks twaalf voorstellingen per jaar te brengen in de Parkschouwburg (Théâtre du Parc). Hij krijgt hiervoor in 1854 1.200 fr. subsidie. Als vroege, paternalistisch georiënteerde socialist pleitte hij voor algemeen enkelvoudig stemrecht, gratis onderwijs en solidariteit tussen arbeiders en kleine burgers.
De term “socialisme” was voor het eerst opgedoken in Engeland rond 1826 in de geschriften van de volgelingen van Robert Owen en in Frankrijk in de kring rond Saint-Simon vanaf 1832. Interessant is dat de ideeën hier in Vlaanderen ingang vonden via het toneel. De wever Jacob Kats, die tijdens het Verenigd Koninkrijk onderwijzer was geweest, probeerde namelijk via die weg de arbeiders bewust te maken.
In 1845 gaven Karl Marx en Friedrich Engels in Brussel “Het Communistisch Manifest” uit, gevolgd in 1847 door de oprichting van een Brusselse afdeling van de Liga der Communisten met o.a. Jacob Kats en ook met vele buitenlanders waaronder Mikail Bakoenin en uiteraard voorzitter Karl Marx. Toen in 1848 enkele honderden Belgische arbeiders die in Parijs leefden, de revolutie van daar naar hier wilden transporteren, maar op 25 maart aan de grens werden ontwapend (“de inval van Risquons-Tout”), werd in het kader van de repressie die daarop volgde ook de Brusselse afdeling van de Liga ontbonden.
Voor het seizoen 1858-1859 vroeg Kats aan het Brusselse stadsbestuur of hij zijn voorstellingen niet mocht opdrijven tot 24 en tevens vroeg hij vrijstelling van het “armenrecht” (belasting op ontspanningsgelegenheden). Het stadsbestuur weigerde en daarmee werd Kats de doodsteek toegebracht. Hij probeerde het nog eens met “Het Vlaemsch Toneelverbond”, een samengaan van de zes belangrijkste amateurgezelschappen van dat ogenblik: Volksbeschaving, De Wijngaard, De Morgenstar, De Parnassusberg, De Vlamingen en De Leeuw van Vlaanderen, maar ook dat lukte niet.
Zijn medewerker Felix Vande Sande wilde zich hierbij echter niet neerleggen en huurde vanaf 15 oktober de Galerieschouwburg twee maandagen per maand tegen 300 fr. per avond voor “Het Vlaemsch Kunstverbond”. Ook deze reeks was een enorm succes en Vande Sande hoopte dat het stadsbestuur zou inzien dat Nederlandstalig theater in de hoofdstad kàn. Ogenschijnlijk was dat zo, want hij krijgt… 300 fr. subsidie toegewezen, maar tegelijk wordt de huur van de schouwburg verdubbeld en daarmee wordt ook dit initiatief deskundig de nek omgedraaid.
Vande Sande verhuist voor een seizoen naar het Circustheater en nadien naar het Prado in Molenbeek. Daar (en in de aanpalende zaal Van Dijk) houden ze het uit tot 1864. Op 17 april 1865 mag hij voor zijn honderdste voorstelling nog eens gebruik maken van het Circustheater en hij begint aan een langzame opbouw van een nieuw publiek, maar als t.g.v. het overlijden van Leopold I op 10 december 1865 alle theaters worden gesloten, gaat hij failliet.
DE NATIONALE SCHOUWBURG
In 1866 sticht P.J.Mulders in Brussel de Nationale Schouwburg met niet minder dan 199 personeelsleden, waaronder het gezelschap “Het Kunstverbond” dat tijdens het weekend het Circustheater bespeelde, want in de week is het de beurt aan het gezelschap uit Antwerpen. Zo komt het dat ook de burgemeester van Antwerpen zich in de strijd gooit als het Brusselse college slechts met 3.000 fr. over de brug komt i.p.v. de gevraagde 20.000 fr. (Mulders weigerde die 3.000 fr. dan ook).
Ondanks het feit dat zelfs de Franstalige pers zich achter de eisen van Mulders schaart (het Circustheater zat immers stampvol, terwijl de Muntschouwburg voor driekwart leeg bleef), rapporteert gemeenteraadslid Funck aan burgemeester Anspach dat het hier om antipatriottistische flaminganten gaat, die men maar beter niet steunt. Toch wil Anspach de subsidie optrekken tot 4.500 fr., indien het Antwerpse gezelschap voortaan thuisblijft en er geen opera’s meer worden gebracht in het Circustheater. Mulders blijft weigeren, maar kan tegelijk zijn personeel ook niet meer betalen. Op 15 maart 1868 volgt dan ook de laatste opvoering. Het Circustheater wordt voortaan het café-concert Alhambra en het Vlaamse theater is dood in Brussel.
In 1872 wordt een Vlaamse Schouwburg echter een onderdeel van een stambusakkoord gesloten tussen de Vlaamse kiezers en de “Liberale Associatie”. De auteur van het akkoord is Julius Hoste, uitgever van “De Zweep”.
De Franstalige conservatieven, met als spreekbuis “Le Journal de Bruxelles”, kunnen het voorstel uiteindelijk ombuigen in de oprichting van een tweetalig Nationaal Toneel in 1874. Als speelzaal wordt opnieuw de Alhambra gehuurd en Felix Vande Sande wordt weer directeur.
Op 3 oktober 1875 wordt de Nationale Schouwburg officieel geopend met “De Krankzinnige van Leiden” van Karel Ondereet. Dit zet meteen de trend: er zullen in het seizoen 1875-76 uiteindelijk 199 Nederlandstalige voorstellingen worden gegeven tegenover slechts 14 Franstalige. Vande Sande kan wegens ziekte niet lang profiteren van het succes. Reeds heel vlug moet hij de leiding overlaten aan Edmond Hendrickx (tot 1887). Zelf zal Vande Sande in 1890 overlijden.
Het succes is zo groot dat het stadsbestuur op 17 december 1883 beslist dat de Alhambra niet langer het publiek kan blijven opvangen. Het wapenarsenaal aan de Lakensestraat zal worden omgebouwd tot een schouwburg, die op 1 oktober 1887 zal openen.
HET TWEEDE VLAAMSCHE VOLKSTOONEEL
In 1924 sticht Jan Boon (de latere directeur van het NIR) het tweede Vlaamsche Volkstooneel, dat zowel het katholieke als het artistieke aspect wil beklemtonen (geen stukken meer in het dialect b.v.).
In 1929 gaat het Vlaamsche Volkstooneel definitief failliet. Vooral omwille van slecht beheer, maar ook omdat de katholieke overheid er toch altijd een beetje wantrouwig heeft tegenover gestaan.
In 1941 debuteert Nand Buyl in de KVS in “Mijnheerke Pirroen” van Felix Timmermans. Samen met Paul Cammermans, Kris Betz, Anton Peters e.a. treedt hij ook op in Duitsland voor opgeëiste Vlamingen.
De beweging der kamertheaters startte in de jaren vijftig. In Gent richtte Dré Poppe in 1950 “Toneelstudio 50” op (het latere Arca), in Antwerpen was het in 1951 Tone Brulin met “Theater op zolder” (later het Nederlands Kamertoneel) en in Brussel stichtte Jan Walravens (op dat moment “chef cultuur” bij Het Laatste Nieuws) samen met Bert Parloor en Staf Knop in 1953 “Het Kamertoneel”. Knop reageerde hiermee tegen het “burgerlijke” theater, waarvan hij later een succesvol beoefenaar zou worden. Hij kreeg zijn stof op een schaaltje gepresenteerd: toen Dré Poppe ooit zijn stoute schoenen aantrok om subsidies te vragen aan de provincie, kwam hij terecht bij een raadslid, dat tevens pastoor van Schepdaal was. “Is het waar dat gij stukken speelt waarin paters een scheet laten?” was de vraag waarmee Poppe zich geconfronteerd zag. Het bleek om een gastproductie te gaan, maar naar zijn subsidies kon hij fluiten.
Op 4 november 1953 liet het Kamertoneel in het kleine zaaltje van het Paleis voor Schone Kunsten drie eenakters los op het publiek: “Met gesloten deuren” van Jean-Paul Sartre, “Gelijk we zijn geweest” van de hier toen nog totaal onbekende Arthur Adamov en “De Getuigen” van Hugo Claus, die zelf ook voor het eerst de regie deed. Hij werd hiervoor bijgestaan door Herman Teirlinck. Het decor werd gratis ontworpen door Jan Cox en Karel Appel. Er zijn veertien toeschouwers, maar toch werd hier geschiedenis geschreven.
HET VLAAMSE SCHOUWTONEEL
Ontgoocheld, zowel in de KVS als in het Nationaal Toneel van Herman Teirlinck, start Etienne Debel (°1931) in 1954 met Het Vlaamse Schouwtoneel, geïnspireerd door de ideeën van Jean Vilar omtrent theater als “service publique”. Het repertoire bestaat vooral uit klassiekers waarmee telkens een namiddag- (voor de scholen) en een avondvoorstelling wordt gegeven. Leden van het gezelschap zijn Raf Reymen, Marcel Peeters, Mimi Petermans, Jef Ceulemans, Jan Peré en Jeanne Geldof. Na zes jaar wordt het reizend gezelschap definitief ontbonden, nadat het omzeggens voortdurend met financiële moeilijkheden te kampen had gehad. Na een herbronning bij Roger Planchon in Villeurbanne en één seizoen realisaties bij de jonge Vlaamse televisie, komt hij uiteindelijk in 1963 bij Habima terecht, het Nationale Toneel van Israël. Debel vestigt zich dan definitief in Jeruzalem. Hij probeert er o.a. “Suiker” van Hugo Claus op te voeren, maar met weinig succes.
Op 25 mei 1955 wordt de KVS door een brand verwoest. Tot 1958 zal het gezelschap een onderkomen vinden in het Théâtre de la Bourse (de latere Beursschouwburg).
In 1956 sluit Senne Rouffaer (1925-2006) zich na een korte periode bij het Reizend Volkstheater aan bij de KVS, waar Vic de Ruyter de speelduur probeert te verlengen: van twee tot vier weken! De Ruyter had eigenlijk ook twee gezelschappen: één voor dramatische stukken en één voor komedies.
In 1958 vraagt Nand Buyl aan Ivonne Lex (tijdens een film waarin ze samen optreden) om bij de KVS te komen spelen. Sedert de oorlog had zij niet meer mogen toneelspelen en was dus al die tijd in het cabaret (vooral bij Anton Peters) actief geweest. Hierover schrijft Bert Verhoye (in HLN 12/5/1999): “Voor de rest ken ik Blankenberge van wijlen een soortement kleinkunsttheater dat werd uitgebaat door de bolronde Anton Peeters. Elke zomer verdreef de kleinkunstenaar er gedurende enkele maanden de toeristen middels onaangename sketches, onnozele liedjes en ironisch bedoelde verhalen waar geen touw aan vast te knopen was. Vaak liet hij zich terzake begeleiden door Ivonne Lex, in die dagen een grote dame van het Vlaamse theater genoemd. Gelukkig was er toen niet veel nodig om een grote dame van het Vlaams theater te wezen. Een decolleté en een huig-r volstonden meestal.”
TONEEL VANDAAG
In 1959 richt Rudi van Vlaenderen (2/8/1930-26/10/1994) “Toneel Vandaag” op in Brussel, een spreidingstheater, waarmee hij gedurende zeven jaar alle Vlaamse gemeenten zonder toneelaccomodatie zal bespelen meestal met absurdistische stukken van voornamelijk Franstalige avant-garde auteurs (Arrabal, Ionesco) maar ook jonge Vlaamse toneelauteurs als Piet Sterckx, Tone Brulin of Jos Van Vreckem. In hun tijdschrift “Windroos” introduceren ze de regie-opvattingen van Grotowski. Bij de gastacteurs vinden we de namen terug van Joanna Geldof, Walter Cornelis en Jackie Morel. En bij de regisseurs Lode Verstraete en Raf Reymen. Daarna zou dit het Brussels Kamertoneel worden, na het theaterdecreet het Brabants Kollektief voor Theaterprojecten en nog later het Brialmonttheater.
In 1962 wordt Rudi van Vlaenderen ook de eerste directeur van het RITCS. Tot de eerste lichting afgestudeerden behoorden Franz Marijnen, Gilbert Deflo, Dirk Buyse, Marcel Destoop, Eric Dekuyper, Pol Dehert en Jan Decorte.
Op 5 februari 1965 werd de Beursschouwburg als zelfstandige schouwburg met een eigen gezelschap geopend. Het is een initiatief van de vzw Cultuurcentrum van de Kring Vlaams Gezelschapsleven.
In 1966 creëert Toneel Vandaag “Thyestes” van Hugo Claus in het PSK.
Op 13 december 1969 was er een solidariteitsactie met De Werkgemeenschap in de Beursschouwburg. De Werkgemeenschap was een theatercollectief, bestaande uit o.m. Bert André, Rik Hancké, Dirk Decleir, Dries Wieme, Rudi van Vlaenderen, Herman Verbeeck en Frieda Pittoors, die uit erkende gezelschappen waren gestapt. Ze wilden collectief werken, maar hun vraag om een productie in Joegoslavië voor te bereiden stuitte op het verzet van hun raad van beheer. De solidariteitsactie werd uiteengeknuppeld door de Brusselse politie.
Na nieuwjaar richt Rudi van Vlaenderen dan zijn Klandestien Theater op, waarmee hij een seizoen lang, bij verrassing, zonder afspraken, op niet aangekondigde plaatsen maatschappijkritisch situatietoneel brengt.
In 1972 wordt Nand Buyl directeur bij de KVS, bekend als “blauw bastion”: “Men moet dat niet overdrijven. Natuurlijk zijn er omwille van de familie Hoste historische banden tussen de KVS en de liberale partij. en in het verleden hadden de directeurs vaak een liberaal etiket. Ik heb dat niet. Ik heb overigens vanuit socialistische hoek op veel steun kunnen rekenen. Het is wel altijd zo geweest dat Het Laatste Nieuws de KVS heeft verdedigd; maar dat ter redactie de rolverdeling voor bepaalde stukken werd gemaakt is flauwekul.” (Nand Buyl in Knack, 23/12/92)
In het seizoen 1977-78 verlaat Rudi van Vlaenderen zijn directiezetel van het RITCS voor die van het BKT. Zelf ga ik met mijn leerlingen van het KTA Dendermonde naar “Menuet” kijken in de KVS.
Eind augustus 1979 speelde de K.V.S. een gelegenheidsstuk van Johan Boonen voor de duizendste verjaardag van de hoofdstad: “De blijde intrede van Kristus in Brussel”. Het werd opgevoerd in een regie van Marc Bober en een decor van Luc Dhooghe, Roos Werckx en… Bart Peeters. Met Tessy Moerenhout (de vrouw in ’t wit), Johannes Pauwels (Jezus Kristus), Sien Eggers (de verliefde op Cornu), Jan Reusens (de 1000-jarige), Gerda Marchand (contestante), Senne Rouffaer (de raaf), Gilda De Bal (de vrouw met de pop) en Jos Verbist (de pure jongeling). De muziek was van Janusz Stoklosa. Toch besloot het Masereelfonds van niet in groep naar « De Blijde Intrede van Kristus in Brussel » te gaan. En dat niet omdat de kritiek van Frank Jacobs in De Rode Vaan negatief was, maar gewoon omdat het te duur is ! De cijfers : 275 fr, voor een groep : — 10 % (hoe royaal!), C.J.P.: 200 fr. En dat om de kostprijs van 5 miljoen voor één programma te financieren. Daar staat tegenover 3,5 miljoen als recordcijfer voor de betoelaging van een geheel werkingsjaar van alle lokale Brusselse socio-culturele verenigingen. Zodat we ons de vraag kunnen stellen: welke cultuur en voor wie ?
Een jaar lang moesten de lezers van De Rode Vaan daarna recensies van KVS Brussel missen en het uiteindelijk bleek dat ze niets hadden gemist. Het seizoen ’80-’81 werd op even (on)waardige wijze immers afgesloten met de creatie van « De paniekzaaier » van Paul Koeck.
Nu ik echter de persinformatie en vooral de daarbij horende foto van “Passies” van Peter Nichols nog eens bekijk, heb ik wellicht toch wel ongelijk gehad deze voorstelling niet bij te wonen. In Gent zag ik wel “Onpaardans” van Ed Vanderweyden.
Na een jarenlange malaise nam Franz Marijnen in 1993 in de KVS de scepter over van Nand Buyl en hij hanteerde meteen al de grove borstel: het jaarcontract van zeven van de dertien vaste acteurs werd niet verlengd. Het betreft: Rik Andries, Mark Bober (nochtans als lid van de raad van beheer – die de benoeming van Marijnen heeft gesteund nota bene – een “beschermd werknemer”), Alex Cassiers, Gerda Marchand, Paul-Emile Van Royen, Vera Veroft en Ronny Waterschoot. Blijven: Sjarel Branckaerts, Wim Danckaert, Sien Eggers, Jan Pauwels en Senne Rouffaer. Chris Lomme gaat uit eigen beweging free-lancen.
FRANZ MARIJNEN
Tot nader order is Blauwe Maandag nog steeds “untouchable”. Blauwe Maandag wordt zelfs bewierookt, ook als ze een productie afvoert. “Een moedige beslissing,” heet dat dan. Deze kwalifikatie krijgt ook Franz Marijnen achter zijn naam als hij in oktober 1993 de eerste productie van “zijn” KVS (“Hedda Gabler”) schrapt: “Ik beschouw dit niet als een nederlaag, maar als een overwinning. Deze realisatie beantwoordde niet aan onze bedoelingen. Maar wij hadden de lat erg hoog gelegd.” (tegen Ingrid Vander Veken in Het Laatste Nieuws van 9/10/1993)
Daarna volgde van Shakespeare “King Lear” in een ellenlange en vooral na de pauze tergend trage co-productie met Het Nationale Toneel Den Haag. Maar ja, zoals Marijnen zegt tegen Viviane Redant in Stepsmagazine van april ’91: “Van schrappen, hakken en herschrijven wordt een tekst zelden beter. En dan vooral niet als hij op de koop toe nog in een of ander dialect wordt omgezet. Als je uit Romeo en Julia de laatste sleutelscène schrapt en vervangt door wat infantiel geploeter in een zwembadje, dan moet je toch even op retraite.”
Franz Marijnen deed zelf de regie van “King Lear”, in een decor van Santiago del Corral en met kostuums van Mechtild Schwienhorst. De belichting was van Andrew A.Gardner. Met André van den Heuvel als Lear (ooit heeft Marijnen deze rol door Johnny Kraaijkamp laten vertolken) en Freek De Jonge als nar. Daarbij wilde deze wel per se zijn eigen tekst gebruiken i.p.v. die van Hugo Claus, die de overige personages in de mond namen. “Misschien had hij er wel een postmodernistische reden voor. Ik heb zijn vertaling gelezen, maar veel beter dan de mijne vind ik ze niet,” merkt Claus droogjes op in Humo van 21 oktober 1993. Toch zaten er hier en daar een paar typische Freekse woordspelingen in en toespelingen op Van Rossem en het Vlaams Blok waren misschien wel voor de hand liggend, maar toch leuk.
Een jaar later worden de plooien tussen Marijnen en Claus glad gestreken als Marijnen Claus’ bewerking van “Oedipus” brengt.
Begin maart 1995 moest opnieuw een première worden uitgesteld in KVS, deze keer van “Freuds laatste droom”. Geen artistieke meningsverschillen deze keer, maar Marijnen die wordt geplaagd door hernia. De vrijgekomen acteurs besloten onderling een vervangproductie op te zetten, gebaseerd op “Verwarring”, vijf komische eenakters van Alan Ayckbourn.
In april ’94 gaat Marijnen in de clinch met Wim Van Gansbeke, die op dat moment in De Morgen één van z’n laatste recensies schrijft, met name over “Freule Julie” van regisseur David Amitin. Van Gansbeke schrijft (afgaande op andere recensenten: terecht) dat deze productie niet deugt en Marijnen neemt dat niet.
In januari ’96 kwam dan de clou: Marijnen nam ontslag (terwijl “De storm” in KVS liep, als hulde aan Senne Rouffaer) omdat hij vond dat een verhoging van de subsidies te lang uitbleef en vooral omdat de stad Brussel niet over de brug kwam om de schouwburg te vernieuwen. Het gekke is dat iedereen het met hem eens is, maar dat hij toch z’n zin niet zal krijgen. De stad Brussel beweert dat ze hun uiterste best doen, maar dat de gemeenschap of de gewestregering moet bijpassen en minister Martens houdt ook het been stijf omdat volgens het podiumdecreet de subsidie aan de KVS pas in 1997 kan worden aangepast en dan wel op aangeven van de adviesraad en niet op vraag van de betrokken partij zelf. De acteurs hebben zich in een verklaring achter Marijnen geschaard, maar vragen wel dat hij zijn ambt opnieuw zou opnemen.
Het ontslag van KVS-directeur Franz Marijnen heeft uiteraard geen enkele invloed op het feit dat het gezelschap op 24 en 25 januari te gast is in de Domzaal van Vooruit. Daar spelen Wim Danckaert (zoon van Hugo Danckaert en Ria Verschaeren) en Sophie Decleir in een regie van Yves Bombay het stuk “Leatherface” van Helmut Krausser. Deze jonge Duitse auteur, die op dat moment volop in de belangstelling staat met zijn roman “Melodieën”, baseerde dit stuk enerzijds op de zogenaamde kettingzaag-moorden in Wisconsin (in de verfilming wordt het hoofdpersonage Leatherface genoemd) en anderzijds op het neerschieten in München van Werner Bloy, die een gijzeling van zijn vriendin voor de grap had geënsceneerd, maar de politie had het zo niet begrepen.
Marijnen haalde trouwens zijn slag thuis (wie hem kende, wist dat dit blufpoker was) en bleef dus op z’n post. Minister Martens volgde hem zelfs in zijn streven naar één “Nationaal Toneel”, wat men in Antwerpen en in Gent natuurlijk niet ziet zitten.
Bij de jaarwisseling 1996-97 was het opnieuw prijs: de eindejaarsfarce “De affaire van de rue de Lourcine” van Eugène Labiche in een regie van Jean-Claude Berutti werd “om artistieke redenen” van de affiche gehaald en vervangen door “Recht op fatsoen” van Anne Vegter (zie bij Jos Verbist).
Uiteindelijk gaf Franz Marijnen er de brui aan en hij werd vervangen door Jan Goossens, de zoon van Paul. Dat is ook een gevolgtrekking van het onderzoek van Michel Bogen (wiens Théâtre Le Public een privé-onderneming is zonder subsidies) over het Franstalige theater in Brussel heeft gemaakt. “Ze hebben ons subsidies voorgesteld, maar we hebben geweigerd. Ik vind dat je moeilijk een systeem kan bekritiseren en er tegelijk van profiteren. Welnu, ik ben (sic) niet akkoord met de manier waarop in Franstalig België het theatergeld verdeeld wordt. Evenmin met de filosofie van sommige podia die theater maken, zonder het publiek in rekening te nemen.” (De Standaard, 25/10/96)
Bogen liet zo maar eventjes 8.900 mensen ouder dan twintig uit de Brusselse regio opbellen en kwam zo te weten dat 76% helemaal niet naar theater gaat. 6,5 % was “ooit wel eens” geweest, 3% één keer per jaar, 4,5 % meer dan vijf keer per jaar (maar 18% hiervan doet dit uitsluitend op uitnodiging, gratis dus) en slechts 10% kunnen echte theaterbezoekers worden genoemd, omdat ze b.v. garant staan voor 64% van de kaartenverkoop.
Ook hierover moet men zich dan nog niet te veel illusies maken, want gepeild naar de voorkeur, blijkt niet minder dan 65% een komedie te verkiezen, 30% een klassieker, 25% een psychologisch drama, 20% een tragedie en slechts 12,5% houdt van avant-garde. En dan moet men er rekening mee houden dat men blijkbaar meer dan één voorkeur mocht opgeven, wat zou het dan zijn als men echt slechts één genre zou mogen noemen? (“Alleen naar een komisch stuk komt nog veel volk kijken. Het is natuurlijk een vlucht uit de realiteit, maar ik vind het een heel normale reactie. Er is al zoveel ellende in de wereld.” Kamiel Spiessens, volksfilosoof)
De KVS reageerde op een heel andere manier. Die liet tijdens de zomer van 1997 een onderzoek uitvoeren, waaruit o.m. bleek dat vooral het hedendaagse theater aan belangstelling inboet. De bezettingsgraad bedraagt daarvoor 32,9 procent tegenover 52,3 procent voor het klassieke theater. Omdat het onderzoek gevoerd werd op basis van het reserveringssysteem PASS kon men ook summiere gegevens bekomen over de leeftijd van de theaterliefhebbers. Er zijn immers kortingen voorzien voor 26-min en 60-plus. Zo blijkt dat de jongeren 23 % van de theaterbezoekers uitmaken. Ze profileren zich echter niet naar dit of dat genre, m.a.w. ze volgen de algemene trend wat de voorkeur voor het klassieke theater betreft. Merkwaardige vaststelling: de senioren scoren juist béter wat hedendaags werk betreft. Anderzijds, bij theater is het vaak niet zozeer het tekstmateriaal dat van belang is om iets tot “hedendaags” te promoveren dan wel de regie.
Die 23 % jongeren is wel het gemiddelde van de laatste drie jaar. Als men het gaat uitsplitsen, stelt men een toename vast van 17 % naar 32 % voor het seizoen 1996-97. Alhoewel schoolvoorstellingen hier voor een vertekend beeld zorgen, is er misschien toch wel sprake van een Marijnen-effect.
Opvallend: dertig procent van de kaartjes”verkoop” gaat naar… gratis uitnodigingen! (Daar zijn natuurlijk ook kaarten voor de sponsors bij.) Het verenigingsleven maakt nog altijd 25 % uit van de verkoop!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s