De Japanse schrijver Kenzaburo Oë (foto H.P.Schaefer via Wikipedia) won de Nobelprijs voor Literatuur op een moment (1994) dat iedereen hier in Vlaanderen dacht dat die naar Hugo Claus zou gaan, zodat men wel kan zeggen: he started off on the wrong foot…

Vele Vlamingen, waaronder dus ook ikzelf, zijn hem dan ook pas gaan ontdekken na het enorme succes van zijn landgenoot Haruki Murakami, alhoewel er bitter weinig overeenkomst is tussen beide (helemaal niets eigenlijk).
Kenzaburo Oë werd geboren op 31 januari 1935 op het eiland Shikoku in een gezin van zeven kinderen. Zijn vader overleed toen hij negen jaar oud was. Even daarna was er de nederlaag in de Tweede Wereldoorlog wat een enorme verandering met zich meebracht. De democratisering van de maatschappij beïnvloedde Oë zeer. Hij zou een exponent worden van “nieuw links”.
Hij ging op 18-jarige leeftijd Franse literatuur studeren aan de universiteit van Tokio, waar hij afstudeerde met een scriptie over Jean-Paul Sartre. Tijdens zijn studie begon hij, beïnvloed door Franse en Amerikaanse literatuur, te schrijven met een eerste publicatie in 1957. Zijn eerste werk was “Een dier houden” (over een tienjarige Japanse jongen die wordt verraden door een zwarte G.I.), wat werd opgenomen in de verhalenbundel “De hoogmoedige doden”, die de verwoestende invloed van de oorlog op het rurale leven beschrijft en de schaduw die de Amerikaanse bezetting wierp op het leven van jongeren in de stad. In zijn werk komen verder politieke, sociale en filosofische thema’s voor zoals nucleaire wapens, existentialisme en sociaal non-conformisme. Oë is trouwens actief in de vredesbeweging en ecologische beweging.
Kenzaburo Oë heeft vele buitenlandse reizen gemaakt. In 1960 ontmoette hij Mao Zedong tijdens een reis naar China. In Frankrijk ontmoette hij Sartre. Hij trouwde in februari 1960 en heeft drie kinderen. In 1963 werd zijn autistische zoon met een muzikale gave, Hikari Oë, geboren en dit vormde een ommekeer in Oë’s leven en werk (*).
DE HOOGMOEDIGE DODEN
Oë debuteerde met de verhalenbundel ‘De hoogmoedige doden’ in 1959. Hij schreef het titelverhaal in 1957, net als de vijf andere hier samengebrachte teksten, in zijn studententijd. Het eerste verhaal speelt grotendeels in de ruimte van het UZ waar de lijken bewaard worden die door de studenten gebruikt worden voor ontleding. Deze worden bewaard in een enorme kuip die nu moet geleegd worden, de lichamen overgeplaatst naar een andere. Een werkstudent literatuur heeft zich voor deze dagklus samen met een meisje, onder de leiding van de verantwoordelijke conciërge, aangemeld. Hij is de verteller van het hallucinant en vaak griezelig gebeuren. Sterk is het wanneer hij met een dode soldaat in dialoog treedt… Oë weet op schitterende wijze met contrasten te werken: de steeds heersende schemer en de zware lucht in de kamer tegenover de hoogzomer en het felle licht buiten; de doden contra de patiënten van het UZ die de student ontmoet wanneer hij buitenkomt; de naakte doden versus een man volledig in gips… Tussendoor wordt bovendien abortus als probleem naar voren geschoven (in die omgeving!). Tenslotte blijkt de ganse operatie op een misverstand te berusten, het werk was zinloos – de oude lijken worden verbrand. Een hilarisch slot.
In ‘Om andermans voeten’ bevinden we ons in een sanatorium met zeven minderjarige patiënten met ruggemergziekten. Ze kunnen zich nauwelijks of niet bewegen en zijn afhankelijk van de verpleegsters die ook dagelijks (graag!) als liefdeszuster fungeren. Dan arriveert een student in deze van de buitenwereld geïsoleerde afdeling; hij zal de kamer delen met de ik-persoon. Hij blijkt al dadelijk een buitenbeentje – verzet zich tegen de masturbatie, wil het isolement doorbreken en trommelt de andere patiënten op om niet meer zo lijdzaam hun lot te ondergaan. Hij slaagt erin hun belangstelling te wekken, behalve deze van de verteller, en haalt zelfs kranten binnen. Wereldnieuws en -problematiek zijn plots aan de orde; de groep schrijft een stuk voor de krant, krijgt weerklank… ‘Gevoel voor het normale’ is de slogan, ze zijn geen buitenbeentjes meer. Tot, onverwacht, de student geneest en naar huis gaat, hen ‘in de steek laat’. Vrijwel onmiddellijk keert alles terug tot zijn vroegere toestand van apathie. Hopeloos.
‘Een dier houden’ (1958) bezorgde Oë een belangrijke prijs en verzekerde hem reeds dan van een plaats in de Japanse literatuur. Terecht, het is het beste verhaal in de bundel. De sfeer van een klein armoedig dorp, bijna afgesloten van de wereld. Twee jongens (de oudste is de verteller) wonen er met hun vader wanneer in de buurt een vijandelijk vliegtuig neerstort. Men gaat op zoek: twee lijken en één gevangene, een zwarte soldaat die opgesloten wordt in de kelder van hun huis, geboeid aan zijn voeten. Een vijand, een zwarte… grote belangstelling, vrees… En nu? De jongen gaat met zijn vader naar het nabijgelegen stadje om te horen wat moet gebeuren; vergeefs – de beslissing moet niet door het gemeentebestuur daar maar door het provinciebestuur genomen worden. Vanaf nu gaat de jongen, terwijl vader de wacht houdt, eten brengen aan de soldaat. Langzaam versoepelt het toezicht. Tot de twee broers en een vriendje zelfs alleen bij de soldaat gaan en er een woordloze communicatie en sympathie ontstaan. Ze ontdoen hem van zijn voetboeien die daarbij stukgaan. Hij repareert ze, en en passant weet hij het kunstbeen van een bewoner te herstellen. Hij wordt steeds meer gewaardeerd, tot hij zelfs vrij in het dorp mag wandelen en een graag geziene figuur wordt. Dan komt maanden later het bevel dat hij moet overgebracht worden naar de hoofdstad. Consternatie. Maar de soldaat weet zich in de kelder te verschansen en de jongen als gijzelaar te gebruiken. Hij ontpopt zich weer tot vijand – ook en vooral voor de jongen. Bij het geweld om hem gevangen te nemen wordt hij gedood en een hand van de jongen verbrijzeld. Deze is alle vertrouwen in de volwassenen kwijt; en hijzelf zegt: “ik ben geen kind meer”, zo distantieert hij zich van zijn vrienden. Terwijl hij tenslotte nog op het einde geconfronteerd wordt met een ander aspect van de dood door een tragisch ongeval. Een ongemeen boeiend verhaal waarin ook de natuur een prominente plaats krijgt.
‘De schapen met de blote billen’ zijn een aantal busreizigers die door dronken G.I.’s gedwongen worden hun broek te laten zakken en door de bus te paraderen terwijl de mannen op hun naakt achterwerk slaan. De student die het vertelt was het eerste slachtoffer. De andere passagiers keken lijdzaam toe tot de G.I.’s de bus verlieten. Pas dan klonk hun protest en spoorden ze de “schapen” aan om klacht in te dienen. Wat deze allemaal weigerden. Tenslotte is bijna iedereen uitgestapt, de student en een onderwijzer resten nog. Deze laatste geeft niet op en wil de jongen dwingen klacht neer te leggen; hij volgt hem in een dolzinnige tocht door de stad tot hij hem een politiekantoor binnenduwt. Ook hier schuwt de auteur absurditeit en het hilarische niet. Vergeefs; de agenten doen lacherig om het verhaal, hebben twijfels over het resultaat van een klacht tegen militairen, én de student weigert zijn mond open te doen. De boodschap is duidelijk, hoe lijdzaam het ene groepje de vernedering onderging, hoe passief het andere toekeek. Tot…
‘Zijn ze plotseling hun mond verloren?’ speelt net als ‘Een dier houden’ in een klein dorp. Waar enkele buitenlandse soldaten met hun tolk arriveren. Het begint hilarisch en buitenissig, de schoenen van de tolk blijken gestolen, het dorp in rep en roer. Tot dit voorval eindigt met de dood van de dorpsoverste. En tenslotte met de moord op de tolk. Dat een zo banale aanleiding zulke gevolgen heeft – het blijft geloofwaardig in deze tekst. Evenals het prangende slot: de bewoners, inclusief de kinderen die opgetogen waren over de komst van die vreemde mannen met snoep, doen alsof ze hen niet meer horen of zien, ze zijn hun mond verloren.
Deze bundel is een aangename kennismaking met het werk van Oë. Als voorproefje voor de romans.
SEVENTEEN
De novelle ‘Seventeen’ (1960) heeft als thema’s seks en macht. De hoofdfiguur, Seventeen, wordt zeventien maar zijn familie lijkt zich niet om zijn verjaardag te bekommeren. We treffen hem aan terwijl hij masturbeert, een obsessie – op dat ogenblik is hij gelukkig, trots op zijn lichaam. Even later heeft hij een afkeer van zichzelf. ‘Mijn gezicht is ronduit afstotelijk. Net een varkenssnuit. Onder mijn huid zitten grote massa’s vlees en vet samengepakt’. Hij is woedend op iedereen. En hij krijgt een politieke discussie met zijn zus die werkt voor het Militair Ziekenhuis, pro de Keizer en de machthebbers is; hij profileert zich als links en revolutionair. Geïsoleerd in het gezin, zo voelt hij zich – niemand besteedt aandacht aan hem. Als dubieus gezelschap heeft hij een zwerfkat, deze straalt agressie en macht uit: zijn idealen! Ooit viel hij, jonger, flauw bij het luisteren naar een verhaal over de oneindigheid van het heelal: nog steeds bekruipt hem daarvoor, en voor de dood, een panische angst.
De volgende dag is hij depressief. Het zijn examens waar hij niets van bakt. Vooral bij gymnastiek: tijdens de loopwedstrijd eindigt hij niet alleen als laatste maar urineert voor iedereen zichtbaar terwijl hij de laatste meters aflegt; dit is de ultieme vernedering. Een schoolkameraad nodigt hem uit mee te gaan naar een meeting van de Rechtsen, de Partij van het Keizerlijk Pad; ze worden daar betaald om te applaudisseren. De toespraak is belachelijk maar ook beangstigend… Er is een klein incident waarbij Seventeen zich laat opmerken: hij voelt zich belangrijk, hij wordt lid van de organisatie. De indoctrinatie volgt tot hij zelfs een plaats verovert in het hoofdkwartier. Nu is hij plots zelfbewust, een ‘persoonlijkheid’ ook op school: ze zien niet meer zijn (bange) ziel maar zijn uniform dat naar SS-model ontworpen is! En het masturberen dat hem geluk én vernedering bezorgde…: hij bezoekt op aanrader van de Leider een prostitué. “Mijn individueel ik is dood” besluit hij, de Keizer is voor hem zaligmakend en alles wat rood en links is moet dood.
Deze novelle hoort in feite samen met een andere ‘Dood van een politieke tiener’. Beide werden in een tijdschrift gepubliceerd. In het politiek roerige Japan waren deze teksten aanleiding tot protest van de rechtervleugel, vooral van extreme organisaties. Er volgden zelfs doodsbedreigingen, belegering van het huis van de auteur. Dit gebeurde ook bij een collega-schrijver – bij een incident werd diens huishoudster zelfs gedood. Tenslotte moest de uitgever verontschuldigingen aanbieden. Het verhaal ‘Dood van een politieke tiener’, dat veel scherper was dan ‘Seventeen’ zou nooit in boekvorm verschijnen, en de vertaalrechten werden nooit vrijgegeven… ‘Seventeen’ zelf is knap opgebouwd. Het toont hoe een onzekere jongen zich al te gemakkelijk laat meeslepen en indoctrineren. Wat we de voorbij jaren voldoende hebben kunnen zien in eigen land. Het proces is door Oë schitterend uitgewerkt.
HOMO SEXUALIS
De novelle ‘Homo sexualis’ (1963) werd in Japan (net als hier) uitgegeven samen met ‘Seventeen’. Niet toevallig: beide hebben de macht als centraal thema, in ‘Seventeen’ met de politiek als nevenverschijnsel, in ‘Homo sexualis’ gaat het over de seksualiteit als machtsmiddel.
Zeven vrienden rijden in een dolzinnige autorit, dronken, richting de luxueuze villa van de hoofdpersoon, de rijke jongeman J. Hijzelf, zijn echtgenote Mitsuko, zijn zuster aan het stuur (beeldhouwster), de acteur Boy, een jonge dichter, en een oudere cameraman. Tenslotte is er Keiko-Sawa, achttien jaar, zangeres, die naakt in de wagen ligt… Het gezelschap is van plan een film op te nemen, “Inferno”. Mitsuko zal regisseren, de dichter zorgt voor de tekst; alles is uitgekiend. In een sfeer van nog meer drank en seks beleven we de avond van de aankomst in de villa na getuige geweest te zijn van een hallucinerend beeld waarin de dorpsbewoners een overspelige vrouw belagen; ze bevinden zich in een achtergebleven en weinig ontwikkeld gebied. Tussen henzelf worden diverse relaties blootgelegd…
Sterk is de scène wanneer een bandopname gedraaid wordt waarop Keiko-Sawa, die actrice zal zijn in de film naast Boy, tienmaal het gedicht leest van Baudelaire ‘Invitation au voyage’ en dit steeds erotischer laat klinken. Het blijkt dat J geen behoefte heeft aan seks met een vrouw. Mitsuko zelf is frigide, zij huwde met hem om haar filmplannen te bekostigen. Op een vreemde wijze heeft J daarom eerst Keiko, daarna Boy in hun relatie geïntroduceerd; vrijwel vergeefs. We vernemen dat de eerste echtgenote van J zelfmoord pleegde toen zij ontdekte dat hij een homoseksuele relatie had; en dat hij geen poging ondernam die zelfmoord te verijdelen. De nacht eindigt in totale dronkenschap, en de ochtend start met een fikse ruzie over het recente gebeuren en over het verleden. Toch start men de filmopnamen.
In een volgend hoofdstuk zien we hoe J in de metro samen met een oude man en een jongen die een vrouw betast en daarbij betrapt wordt, redt uit de handen van de politie dankzij een vernuftig toneeltje: zij treden op als hoeder van de goede zeden en laten in werkelijkheid de jongen vrij en nemen hem mee naar een bar. Daar verklaren ze dat ze partners in crime zijn, ze gaan steeds op pad om perverten zoals de jongen te redden. Hoe is J hiertoe gekomen? De film “Inferno” werd opgekocht door een grote filmmaatschappij. Maar de acteur Boy verwierf bekendheid, werd beroemd en zo’n schandaalfilm zou hem schaden… dus werden de opnamen vernietigd. De leden van het gezelschap zijn vereenzaamd, behalve Mitsuko en de cameraman die aan een nieuw project werken. En J begon rond te dwalen. In de metro betastte hij een vrouw, deze beantwoordde zijn aanraking met een orgasme wat hem blokkeerde: zijn lust verdween. Vanaf dat ogenblik bestond zijn leven uitsluitend uit een jacht in bussen en metro. Betasten is wat hij wil. Eén keer lokt een vrouw hem mee: in de kamer blijkt hij onmachtig, tot gewone seks is hij niet in staat.
Op een tocht redt hij de oude man die op het punt staat gearresteerd te worden, zo maken ze kennis en besluiten samen een ‘club’ van twee te stichten om anderen te redden. Nu dus de jongen die hen vertelt dat hij een lang gedicht over perversie in alle vormen wil schrijven, alle soorten, de essentie. Hij sluit zich aan en het gaat maandenlang goed. Tot de jongen wil overgaan tot wat hij reeds eerder aankondigde als zijn volgende stap: wreedheid. J en de oude man volgen hem om te zien, eventueel te beletten, wat hij van plan is. Hij ontvoert in de metro een klein meisje, neemt haar mee naar het perron – even later is te merken hoe hij haar tussen de sporen heeft geduwd maar haar op het laatste ogenblik redt en zelfmoord pleegt: alleen de reddingspoging en het feit dat hij daarbij omkomt wordt door de moeder gezien als een heldendaad… Het duo besluit of op te houden met alles of nu definitief verder te gaan als perverselingen. Ze scheiden. J gaat naar huis waar zijn echtgenote Mitsuko zwanger is van de cameraman. Hij wil scheiden: ze mogen in de villa blijven tot de film klaar is, hijzelf gaat bij zijn vader wonen die hem als zijn secretaris in dienst wil nemen, een ordelijk leven, eindelijk. Maar hij beseft dat dit zelfbedrog zou zijn. Hij stapt in de metro, betast duidelijk voor iedereen een vrouw en laat zich arresteren… Samen met ‘Seventeen’ is deze novelle een verhaal over macht. In ‘Seventeen’ gaat het over politiek geweld, terreur. In ‘Homo sexualis’ wordt seksualiteit gehanteerd als manipulatie en intimidatie. Beide handelen over misbruik. Enerzijds is Oë zeer expliciet en zelfs brutaal en schokkend in zijn tekst, anderzijds weet hij ook vaak subtiel te suggereren. Boeiend zijn de verhalen in ieder geval, maatschappijkritisch ook.
HET EIGEN LOT
Zijn meest bekende roman “Het eigen lot” uit 1964 handelt over de langzame acceptatie van zijn gehandicapte zoon. Dit is een thema dat ook in zijn latere werk voorkomt. Al denk ik niet dat je het verhaal heel letterlijk moet nemen. Of het autisme iets te maken heeft met wat er allemaal in dit boek wordt beschreven, lijkt me hoogst twijfelachtig. Het boek gaat meer over de verantwoordelijkheid nemen voor een kwalitatief onvolkomen leven. Uiteindelijk loopt het allemaal nog redelijk goed af, maar voor hetzelfde geld bepaalt zoiets inderdaad je “eigen lot”, ook al kan je daar zelf eigenlijk in de grond niks aan doen.
Daarom is het des te vreemder dat ik van dit boek vooral een prachtige erotische passage onthoud. Voor “de slechtste seksscène” reikt men zowaar jaarlijks een prijs uit, maar op basis hiervan zou men ook het omgekeerde eens kunnen overwegen. Het gaat met name over de passage dat het hoofdpersonage “Vogel” (een bijnaam uiteraard) in opperste verwarring na de geboorte van “het monster” (zijn eigen woorden) troost gaat zoeken bij een vriendin Himiko. Na wat er gebeurd is, heeft Vogel uiteraard schrik om opnieuw te coïteren en Himiko helpt hem daarvan af door als oplossing de “achterdeur” aan te bieden (p.124). En inderdaad: “Met zijn verbijstering kwamen hulp en bevrijding. Himiko behandelde hem alsof hij een verlamde invalide was, terwijl hij met een gloeiend gezicht het hoofd afwendde. Zijn verbazing zakte geleidelijk en verdween tenslotte. Het leed geen twijfel dat hij zich bevond in de handen van een deskundige op seksueel gebied.” (p.127) En van dan af is Vogel zelf ook in staat tot seksuele hoogstandjes: “Als een soldaat die een strijdmakker vergezelt naar een persoonlijk gevecht, hield Vogel zich met stoïcijnse zelfbeheersing op de achtergrond terwijl Himiko aan hun coïtus het èchte iets ontworstelde dat helemaal van haar alleen was. Gedurende lange tijd na het hoogtepunt beefde Himiko’s gehele lichaam. Toen werd ze zwak, hulpeloos, zacht op een oneindig vrouwelijke manier, en tenslotte slaakte ze een gedempte zucht als een jong dier dat zijn buik heeft volgegeten en viel vast in slaap zonder zich te hebben bewogen. Vogel voelde zich als een haan die over een kuiken waakt.” (p.132) Ik wil daarbij beklemtonen dat ik mij jaren geleden weliswaar heb verdiept in erotische literatuur (vooral door vrouwen geschreven), maar dat ik dit nu al een aantal jaren achter mij heb gelaten. Louter erotische boeken zou ik nu zeker niet meer ter hand nemen en erotische passages in “gewone” werken durf ik wel eens overslaan, zoals ik ook vaak met natuurbeschrijvingen doe. Voor mij is dit dus wel heel uitzonderlijk!
VOETBALLEN IN 1860
“Voetballen in 1860” (1967) gaat weer over een gezin met een gehandicapt kind. Ik zal het maar meteen toegeven: ik heb dit boek gekozen omwille van de titel en, nee, ik had niet gedacht dat het over voetbal zou gaan (**). Maar vanwaar komt dan die titel? Op p.189 had ik zelfs al een hoofdstuk getiteld “Voetballen, honderd jaar later” achter de rug en nog steeds was het mij niet echt duidelijk. Omdat ik ook nog altijd geen gedacht had waar Oë met zijn boek naartoe wilde, ben ik dan maar een en ander gaan opzoeken. De beste beschrijving vond ik op een blog die “Terugschrijven: reacties op wat er aan teksten en muziek langskomt” heet. Zelfs op de homepage vind ik geen naam terug van wie er achter deze blog zou kunnen schuilgaan, maar hier volgt zijn (of haar) samenvatting: “Centraal staat een afgelegen dal waar de boeren in 1860 een opstand ondernemen tegen het feodale gezag. Het is het moment in de geschiedenis van Japan dat Amerika het land openbreekt voor contacten met de buitenwereld, de feodale orde wankelt, maar het nieuwe keizerlijke systeem is nog niet ingevoerd. De boeren willen een lening afsluiten van hun leenheer, maar die wordt geweigerd. Dan komen ze onder leiding van de groot voorouders van de hoofdpersoon, die het verhaal 100 jaar later vertelt, in opstand. Uiteindelijk wordt de opstand onderdrukt, de leiders worden onthoofd, maar de broer van de overgrootvader van de hoofdpersoon, is door de in de bossen te vluchten ontkomen en is naar een andere provincie gevlucht. Later worden van hem brieven gevonden waarin hij commentaar levert op de situatie in Japan, en afstand lijkt te nemen van de leidersrol die hij speelde in de opstand.
De hoofdpersoon van de roman, heeft een jongere broer die een belangrijke rol heeft gespeeld in de protesten in 1960 tegen het nieuwe vriendschapsverdrag tussen Japan en de USA. Na het mislukken van de protesten heeft hij zelfkritiek geleverd, en is een tijdje naar de VS met een toneelgezelschap gegaan. Het verhaal vanwaaruit al deze gebeurtenissen verteld worden, speelt een tijdje hierna, in het dal waar ook de historische opstand speelde. De jongere broer van de verteller organiseert een groep jongeren in een voetbalteam, en traint hen , ook in het uitoefenen van geweld. Hij laat het geweld richten op de eigenaar van de supermarkt in het dorpje, een Koreaan, ex-dwangarbeider uit WO-II, die met zijn winkel de lokale authentieke Japanse middenstand heeft weg geconcurreerd. Deze supermarkt eigenaar wordt gepresenteerd als de supermarkt keizer. De bende plundert de supermarkt een aantal keren, en verdeelt de goederen onder de bevolking. Dit alles speelt rond het begin van het nieuwe jaar. De jongere broer lijkt de rol op zich te nemen van de broer uit 1860, die de boerenopstand leidt.”

Tot zo ver zit ikzelf op dit ogenblik (19 september 2018) en ik heb niet kunnen vermijden om vanuit mijn ooghoeken al een paar spoilers te detecteren. Daarom ben ik hier gestopt met lezen en met citeren. Bij mijn opzoekingswerk ben ik ook een blog tegengekomen van Erik G.Veld, die als titel gewoonweg “Ontknoping” draagt. Als waarschuwing kan dat tellen. Die heb ik dus nog niet gelezen, maar ik twijfel op dit moment wat ik ga doen: mij toch maar doorheen Oë zelf blijven zwoegen of meteen naar deze webpagina grijpen?
Uiteindelijk heb ik me er toch maar door geworsteld, maar als ik in een nawoord van de vertaalster lees dat het “een van de hoogtepunten uit de naoorlogse Japanse literatuur wordt beschouwd”, moet ik toch de handdoek in de ring gooien. Dat kan natuurlijk volledig aan mezelf liggen, maar misschien ligt het ook wel “een beetje” aan de stugge vertaling van Noriko de Vroomen en Frans Montens. Tijdens het interview met Oë geeft Noriko trouwens toe dat ze problemen heeft gehad met de vertaling.
HIKARI GROET DE DINGEN
‘Hikari groet de dingen’ (ondertitel ‘Kroniek van een genezend gezin’; 1995) kondigt zich aan als een roman maar is veeleer een autobiografie over (alweer) de integratie van een gezin met een mindervalide jongen, Hikari, en van de integratie van Hikari met dat gezin. Immers, de jongen werd geboren met een zwaar hersenletsel dat hem zou doemen tot een quasi plantaardig bestaan. Dankzij een ingrijpende operatie keerde alles ten goede. Nu ja, hij bleef autistisch en had steevast epileptische aanvallen. Maar dankzij de bestendige aandacht, hulp, liefde en inspanningen van ouders, de schrijver Kenzaburo Oë, zijn echtgenote Yukari, en zijn jongere broer en zuster, geruggesteund door de wetenschap, leert hij lezen, spreken, piano spelen en zelfs – tenslotte – componeren. Dit laatste dankt hij aan zijn ontwikkeld gehoor, eerst voor vogelgeluiden, later voor zijn geliefde componisten Beethoven, Chopin, Bach en Mozart. Dat zal resulteren in de opname van twee cd’s met werk van hem.
Opmerkelijk is ook over hoeveel humor Hikari beschikt. Zo zal hij bijvoorbeeld, toen ze naar een opname van zijn cd luisterden, zeggen: “Ik leef nu al langer dan 30 jaar maar mijn Totale Speeltijd is maar 47 minuten en 53 seconden”. Boeiend is het te lezen hoe hij heel anders communiceert met de musici die zijn werk uitvoeren, als ontstaat er een eigen aparte taal tussen hen.
Dat het niet steeds gemakkelijk was te leven met een autistisch gezinslid getuigt Kenzaburo zonder schroom. De andere gezinsleden werden soms ongeduldig, wrevelig, zelfs kwaad – vooral hij als vader bekent hij. Er waren vaak kleine en grotere wrijvingen. Met al eens kinderachtige conflicten tot gevolg.
Interessant is het wanneer er gesproken wordt over hoe je via verzorging, medelijden en inleving nader tot de patiënt (om het even welke) komt; maar dat op dit punt gearriveerd ook de verbeelding plots essentieel wordt om de noden van de patiënt te begrijpen. In de rand van wat hij schrijft over zijn zoon en zijn gezin heeft Kenzaburo Oë het ook over wat hem in de loop der jaren bezighoudt. Reizen (alleen of met het gezin), Hiroshima (n.a.v. een tentoonstelling die hij met Hikari bezoekt, beklijvend), William Blake, de auteurs Nadine Gordimer en Yoshie Hotta, de filmregisseur Juzo Itami, Wagner…
Dit boek is niet alleen interessant om het proces te volgen van de integratie van de mindervalide in het gezin, maar we volgen de auteur zelf ook die zich gedurende deze jaren als schrijver blijft profileren.

Johan & Jan de Belie-Segers

(*) In een interview uit 1984 heeft hij het wel degelijk over een “zwakzinnige” zoon. Misschien is dit toch niet dezelfde als de “autistische” zoon.
(**) In de Japanse originele titel komt wel degelijk het woord “futtoboru” voor. In bovengenoemd interview zegt Oë dat hij het opzettelijk heeft gebruikt omdat het een Amerikaans leenwoord is (het slaat dus op American football en niet op soccer!) en hij de opstand tegen de Amerikaanse bezetting ermee in de verf wil zetten. Toch werd het boek in het Engels vertaald als “The silent cry” (met dank aan Gregory Ball).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.