De Gentse auteur, Pol Hoste, geboren te Lokeren op 25 maart 1947 (precies op dezelfde dag als Elton John, maar dan niét in Lokeren) publiceerde zijn allereerste literaire werkje in 1965 in “De Vlaamse Gids”. Hoste werd ontdekt door Rosa Michaut (1914-1983), als gevolg van een jarenlange correspondentie. Michaut was vriendin en oud-collega van Louis Paul Boon, uit de periode toen hij nog redacteur was bij “De roode vaan” (1945-1946). Boon was in de wolken omtrent het werk en beloofde te zorgen voor publicatiemogelijkheid. In 1965 zei Louis Paul Boon over hem: “Als die jongen zo voortdoet, wordt hij één van onze groten.”

Pol Hoste groeit op als enig kind in een communistisch en niet-religieus milieu (*). De autoritaire opvoeding die hij ondergaat en de aparte plaats van het milieu waar hij opgroeit in het overwegend katholieke Vlaanderen beïnvloedt zijn persoonlijkheid diepgaand: “de niet-verbale ervaring van dat isolement speelt in je latere leven een beslissende rol bij de vorming van je persoonlijkheid,” heette het in een interview (Hoste geciteerd in Verhoeyen 2000, 11). Ook zijn literaire werk is door die isolementservaring uit zijn jeugd getekend.
Pol Hoste: “Het was een jeugdtrauma dat me richting literatuur dreef. Ik ben opgegroeid in een soort communistisch concentratiekamp, waar het evangelie vervangen was door De Rode Vaan. Mijn vader was een Stalinist van de harde lijn: een materialist pur sang, voor wie enkel het waarneembare bestond. Zijn leven bestond uit eenvoudige waarheden, waaraan niet te tornen viel. Als adolescent vond ik dat enorm beklemmend: in de winter had ik niet eens het recht om het koud te hebben als het in de kamer 18 graden was. Want 18 graden, dat was warm genoeg voor iedereen. Een of andere Russische geleerde had dat zo beslist, dus daar viel niet over te discussiëren. En zo ging dat met alles. De communisten hadden het Groot Gelijk uitgevonden en daar moest ik me maar bij neerleggen. Goedschiks, maar desnoods ook kwaadschiks. Tegen die beperking van de vrije meningsuiting heb ik me willen verzetten door te beginnen schrijven.”
“Als ik iets aan mijn opvoeding heb overgehouden, dan is het wel een afkeer voor alles wat naar rechtlijnigheid of simplisme ruikt. De werkelijkheid is niet rechtlijnig of simplistisch, hé. Niets is logisch of eenduidig. Alles is grillig en gelaagd, om niet te zeggen: overweldigend complex. Die complexiteit probeer ik ook in mijn boeken weer te geven. Ik weiger simpele, welomlijnde verhaaltjes te schrijven. Want dat is de mensen een rad voor ogen draaien en dat wil ik niet. Je zou mijn boeken met abstracte schilderijen kunnen vergelijken. Als ik over een vliegtuig schrijf, dan schrijf ik niet over een Boeing maar over de gevoelens die een vliegtuig oproept. Een vliegtuig, dat is meer dan een Boeing alleen: dat is het gevoel van vliegen, de claustrofobie, de snelheid… Een abstracte schilder zou die verschillende gevoelens wellicht vertalen door welbepaalde kleuren te gebruiken. Ik doe dat in mijn boeken met vrije associaties.”
“Ik vind in elk geval niet dat ik elitaire boeken schrijf, zoals critici me vaak verwijten. Integendeel zelfs: ik vind mijn boeken veel democratischer dan de gemiddelde Hollywood-film. Want wat serveren ze het publiek daarin? Simpele, logische verhaallijntjes die realistisch lijken maar niets met de werkelijkheid van doen hebben. Alsof Jan Met De Pet het recht niet heeft om te weten hoe ingewikkeld de wereld in elkaar zit. Alsof de werkelijkheid voor hem minder complex zou zijn. Dàt is pas een elitaire gedachte! Ik heb het al vaak gezegd, en ik blijf het herhalen: ik zou heel graag fragmenten uit mijn boeken gaan voorlezen in metaalfabrieken. Ik ben ervan overtuigd dat mijn lezerspubliek daar zit, en niet in de golfclub of op de universiteit. In elk geval kan ik mijn boeken iedereen ongelooflijk aanbevelen: je kan ze makkelijk twintig keer herlezen en ze zijn ideaal voor boekbesprekingen. Studenten kunnen zich ervan afmaken met: er gebeurt niets en daar hebben de personages allerlei gevoelens en bedenkingen bij.”
(lacht)
In 1974 kwam Hoste in contact met Daniël Robberechts die hem aanraadde zijn debuutroman “De veranderingen” op stencil uit te geven. In plaats daarvan trekt Hoste ermee naar uitgeverij Manteau, waar Weverbergh hem vier jaar tegenhoudt. “Toen Kris Lenaerts bij de uitgeverij kwam, had die afgesproken dat hij met de winst van de kaas-, wijn- en aquariumboeken ook literatuur mocht uitbrengen.”
“De veranderingen” is het uitgepuurde verhaal van een jonge intellectueel, Achternet (“ik zou het nu niet meer durven verzinnen”), die de maatschappelijke gebeurtenissen zoals de studentenopstand van 1968 als “veranderingen” ondergaat en zijn eigen machteloosheid tegen die achtergrond plaatst. “Ik heb de roman bewust niet De strijd genoemd, maar De veranderingen. De idee is dat alles verandert en evolueert, maar dat je nooit kunt weten wat die veranderingen op gang heeft gebracht,” zegt Pol in de Standaard der Letteren van 4/12/1997. “Dat is inderdaad een fundamentele relativering van het maatschappelijk engagement. Mijn engagement bestaat uit het stellen van vragen, niet in het formuleren van antwoorden.”
“Vroeger dacht ik dat ik een boodschap moest verkondigen,”
aldus nog Pol Hoste. “Maar nu vind ik dat de taak van de kunstenaar erin bestaat schoonheid te creëren. Ook dat is een ethische taak. Het engagement is er dus nog, maar wordt nu vertaald in een manier van schrijven. De manier waarop je iets vertelt, zegt namelijk iets over je opvattingen over de werkelijkheid. De vorm zelf is dus de commentaar, niet wat er staat.”
Door het conflict Lenaerts-Weverbergh werd het boek nooit behoorlijk gedistribueerd. “Volgens een berekening zijn er 800 van verkocht, maar er is ook een rekensommetje dat uitkomt op een oplage van min 102.”
“Behalve met het amateurisme van de uitgevers heb ik toen ook kennis gemaakt met andere domeinen van het Vlaamse literaire leven. Op een goede dag stuur ik op vraag van Georges Adé het manuscript in voor de literaire prijs van de Antwerpse Pink Poets. Ik hoor er niks meer van tot ik jaren later verneem die prijs wel degelijk te hebben gewonnen. Het had zelfs in de krant gestaan: ‘Pol Hoste en Johnny Van Tegenbosch laureaten!’ Nu, wat was er gebeurd? De Pink Poets hadden tijdens een redactievergadering mijn deel van het prijzengeld (25.000 frank) opgegeten en opgedronken, zodat ze alleen Van Tegenbosch konden uitbetalen.”
“Begrijp je nu waar mijn reputatie van moeilijke jongen vandaan komt? Ik geef toe dat ik één keer zelf ben gaan dwarsliggen door een interview voor de BRT-televisie te weigeren. Maar ook dat had een goede reden. Ik had toen net aan het journalistenexamen deelgenomen en bleek voor alle proeven geslaagd, behalve voor de maturiteitsproef. Ik had niet eens 50 procent. Mag iemand met een dergelijk cijfer zo maar op de Vlaamse kijker worden losgelaten?”

Maar niet iedereen denkt er zo over. Tom Lanoye: “Ik vind dat je zoals Pol Hoste niet kunt weigeren interviews te geven en je dan tegelijk beklagen over het feit dat er zo weinig belangstelling is voor de literatuur in het algemeen en voor je eigen boeken in het bijzonder. Ik heb een hekel aan iemand die me wil imponeren gewoon met het feit dat hij zo goed kan schrijven. Dat interesseert me niet. Ik wil iets lezen dat me ‘pakt’. Anders word ik ten hoogste technisch geboeid. Dat is b.v. het verschil tussen Pol Hoste en Stef Hertmans. Ik heb bepaalde opmerkingen over hoe Pol Hoste met de media omgaat, maar ik vind het wel een goede schrijver, terwijl Stefan Hertmans mij alleen maar interesseert omdat hij inderdaad zo ver gaat in zijn behandeling van de taal.”
Pas in 1988 volgde dan “Vrouwelijk enkelvoud”, een aangrijpend tekstgeheel waarin Hoste op zoek gaat naar de grootste gemene deler van een vijftal vrouwenfiguren en in hen de persoon van zijn grootmoeder, die een belangrijke rol in zijn leven heeft gespeeld, tracht terug te vinden. Johan de Belie schrijft erover in De Rode Vaan nr.31 van 1987: “In 1980 hadden we de grootste waardering voor de debuutroman van Pol Hoste « De Veranderingen ». En die waardering hernieuwt zich bij « Vrouwelijk Enkelvoud », een roman waarin Hoste vijf vrouwenportretten bundelt, daarbij zijn grootmoeder als rode draad gebruikend.
« Vijf verhalen over vrouwen te midden van hun werksituatie. Vrouwen zoals ik ze hier in Gent heb ontmoet. Dat was de uitdaging van mijn onderwerp. Ik was erg aangegrepen. Ik heb vijf versies van het boek gemaakt. Tot ik in al die vrouwen haar terugvond om wie het me al die tijd te doen was geweest: mijn grootmoeder, de vrouw die me heeft grootgebracht ».
En die vrouw, die we niet persoonlijk terugvinden in dit boek maar enkel via de portretten, wordt telkens als inleiding op een verhaal naar voren geschoven, om het geromanceerde duidelijk op de realiteit te betrekken en in zijn sociale en politieke contekst en in zijn historische evolutie te plaatsen. Niet dat de verhalen over Hostes vijf vrouwen onvoldoende voor zichzelf spreken, hij maakt het de lezer enkel een ietsje makkelijker en weet op deze wijze de verschillende portretten een sterkere algemeen-geldendheid mee te geven.
Opvallend is dat de vrouwen zelf niet enkel de inhoud van hun verhaal bepalen, maar ook de stijl waarin het door de auteur werd geboetseerd. Dat maakt de teksten niet altijd makkelijk en leidt zelfs tot opmerkingen over de taal die de auteur hanteert. Immers, is er geen probleem over het dialectgebruik in de dialogen of in de innerlijke monologen, dan val je toch wel over taalfouten in het auteursverhaal zelf: onnauwkeurigheden, slordigheden, opvallend in het eerste verhaal, daarna afgezwakt (gecorrigeerd ?). En dat ontkracht soms de toch wel sterk poëtische taal van Hoste, zijn prachtige beelden.
Wordt in elk portret een bepaald facet van de grootmoeder verduidelijkt (het procédé werd in feite omgekeerd), dan lijden enkele teksten wel onder een te grote versnippering van de problematiek; verliezen daarin in hun kracht.
Hoe gebalder Hoste in zo’n portret blijft, des te sterker is ook zijn polemische overtuigingskracht, zijn emotionele impact die hij hanteert om maatschappelijke relevantie te bereiken. En hij slaagt erin binnen het bestek van één pagina een vrouw compleet te tekenen, suggestief, ontroerend, en daarmee de lezer aan het denken te zetten.
Hoste weet zich niet enkel in de sociale positie van de vrouw in te leven, maar ook (en dat is een voorwaarde om dit project tot een goed einde te brengen) in de emotionele leefwereld. Van Sylvia die als dienster in het restaurant van een grootwarenhuis werkt, via Gerda die stempelt en goed is voor een indringend portret — een brok overtuigend proza waarin de auteur de innerlijke wereld concretiseert via de omweg van poëtische beeldspraak — naar Eva de oervrouw in wie romantiek en erotiek samenvloeien in een gebald levensverlangen, met de parallel en het contrast van de vrouwenrelaties, de oppervlakkige contacten binnen die verhoudingen.
Het verhaal over coffeeshop « Le Relais », dat rond een locatie een serie vrouwen tekent, een sfeerbeeld oproept, waarin je misschien toch centraal één figuur (Sonja) kan stellen, is een experimenteel geschrift dat zeker als het boeiendste deel van deze roman bijblijft.
In het laatste verhaal over Cynthia wordt de vervreemding van alle burgerlijke waarden, de midlife crisis, centraal thema. En gaat plots een man, Aimé, een evenwaardige rol spelen.
Dan blijkt ten overvloede hoe Pol Hoste ook nevenfiguren via de kracht van de suggestie, via een oproepen van details, belangrijk weet te maken.
Hoe geprononceerd alle vrouwen in dit boek ook worden neergeschreven, Hoste verleent hen toch vooral via suggestie en poëzie het reliëf dat hen onvergetelijk maakt en hen de kracht verleent die ze nodig hebben om symbool te staan voor een generatie, voor een klasse.
Elke vrouw wordt een pamflet, maar verliest daarin zichzelf niet. Dat maakt deze roman zo knap en onthullend.”

In 1989 volgt “Een schoon bestaan”, een ‘fragmentaire autobiografie’ van zijn eigen jeugd als zoon van een tirannieke communistische vader. In 1991 is er t.g.v. het Mozartjaar het wat ontgoochelende “Brieven aan Mozart”, maar in 1993 herpakt hij zich met twee lange novellen, “Een schrijver die geen schrijver is” en “Ontroeringen van een forens”, die onder de titel van deze laatste samen worden uitgegeven. Na de bundel “Foto’s met de aap” (1998) volgt in 1999 “De lucht naar Mirabel” (uitg.Bert Bakker) en in 2003 “Montréal” (Prometheus).
Hoste studeerde Germaanse filologie (Nederlands en Engels) aan de Universiteit Gent en werkte een periode op onregelmatige basis als leraar Nederlands en Engels. Hij schreef recensies voor De Morgen (1980-1983), De Nieuwe (1981-1982) en De Volkskrant (1983-1984) en werkte ook voor de Vlaamse televisie en radio mee aan literaire programma’s (o.a. IJsbreker en Letterbak). Van 1983 tot 1985 was hij redacteur van Heibel. In die tijd was Pol Hoste ook te gast in onze leesclub.
Over die leesclub moet ik u toch ’t een en ’t ander vertellen. Die was gesticht binnen ’t kader van het toenmalig Volkshuis in de Sleepstraat. Dat was toen nog altijd het lokaal van de Gentse afdeling van de communistische partij, maar die boekenclub ging daar helemaal niks mee te maken hebben, zei men. Ja, dat zal wel, dacht ik bij de eerste bijeenkomst toen iemand meteen een boek over de eerste vrouwelijke minister van cultuur van de nieuwe Sovjetrepubliek, tevens minnares van Lenin, voorstelde.
Maar ik vergiste me: die vrouw had dat boek eigenlijk aangegrepen als een metafoor om over haar eigen huwelijksproblemen te kunnen praten. Dat systeem zou zowat altijd het uitgangspunt van onze boekenclub blijven, die daarmee het enge kader van een boekenclub als zodanig ver oversteeg. Zo herinner ik me ook iemand die het boek “Hersenschimmen” van J.Bernlef ter sprake bracht om over de Alzheimer van zijn eigen vader te kunnen praten.
Die boekenclub had bijgevolg zoveel succes dat de communistische partij toch van zich liet horen en dan meer bepaald de studiedienst IMAVO (Instituut voor Marxistische Vorming) die op sterven na dood was. Die kwamen niet aan voldoende “uren” om aan de subsidienormen te kunnen voldoen en daarom vroegen ze of de bijeenkomsten van de boekenclub voortaan mochten doorgaan onder de auspiciën van IMAVO. Inhoudelijk zou er niets veranderen, de deelnemers zouden alleen gevraagd worden een aanwezigheidslijst te ondertekenen. Daartegen hadden wij geen bezwaar en aldus geschiedde.
Maar natuurlijk, dergelijke vormingsinstellingen die worden (gelukkig maar) ook geïnspecteerd. En wat wil nu het toeval? Op een avond hadden wij – zoals wij als Germanisten destijds Louis Paul Boon naar ’t Keetje hadden uitgenodigd – Pol Hoste gevraagd om een avond bij te wonen over zijn werk (ik geloof dat het “Vrouwelijk enkelvoud” was). Het Volkshuis zat afgeladen vol en precies die avond kreeg IMAVO bezoek van een inspecteur. Het werd een geanimeerde discussie tot een stuk in de nacht en die inspecteur schreef zo’n lovend rapport dat het IMAVO daar nog ettelijke jaren subsidies heeft voor mogen ontvangen! (**)
In 1994 – Hoste had toen reeds vijf romans op zijn palmares – ging hij als zelfstandige schrijven. Veelal is men geneigd deze auteur geen veelschrijver te noemen. Toch werkte hij mee aan de meest diverse literaire tijdschriften, schreef hij een periode voor televisie en werkte gedurende vier jaar mee aan een radioprogramma, waarvoor hij columns schreef die hem een zekere vorm van bekendheid verschaften als rasechte, notoire culturele dwarsligger met een fijn gevoel voor humor. Tevens bouwde hij een reputatie op als autonoom denkend individu die geregeld in strijd ligt met het establishment.
In mei 2000 mocht Pol Hoste de Cultuurprijs van de Stad Gent in ontvangst nemen. Deze gebeurtenis had plaats in het Bijlokemuseum, waar tevens de tentoonstelling “De Genodigden” werd geopend. Pol Hoste wilde deze prijs immers met zijn vrienden delen. “Wetenschappers geven hun prijzengeld toch ook aan het instituut waarvoor ze werken? Wel, Gent is mijn instituut!”
“De Genodigden” waren achttien vrienden van de schrijver die op een of andere manier met plastische kunst bezig zijn en die door hem voor deze feestelijke gelegenheid werden samengebracht. “De meesten kennen elkaar niet, maar ik heb ze altijd al met elkaar in contact willen brengen. Ze hebben nochtans geen enkele artistieke band. Zij doen zeer uiteenlopende dingen. Van fotografie of schilderkunst tot design of video. De enige band is een emotionele.”
Het stadsbestuur stelde het Bijlokemuseum en personeel ter beschikking, maar voor de meeste kosten draaien Hoste en zijn vrienden zelf op. Hijzelf schat dat de tentoonstelling hem 50.000 frank zal kosten. De prijs bedraagt 100.000 frank, maar dat geld wordt hiervoor niet aangewend.
“Daarvoor heb ik nog een ander project ingediend voor 2002. Dat symbolische jaar zal zwaar beladen zijn met nationalistische ideeën en daarom wil ik zeven Europese auteurs uitnodigen, die elk vanuit hun invalshoek – ook letterlijk: de richting van waaruit zij Gent binnenkomen – de stad zullen belichten. Zij geven dus iets aan Gent, wat als tegengif moet dienen voor de opvatting dat buitenlanders alleen profiteren of dingen weghalen. Uiteraard zal 100.000 frank daarvoor niet volstaan. Naar verluidt zou het stadsbestuur bereid zijn om het bedrag op te trekken naar 200.000 frank, maar dan nog zal ik op zoek moeten gaan naar sponsors om het project rond te krijgen.” (***)
Maar materiële problemen hebben Pol Hoste nooit klein gekregen en dat is ook nu niet het geval. Enthousiast leidt hij ons rond in de tentoonstelling, terwijl die nog volop in opbouw is en waar de meeste kunstenaars hem om de hals vallen. Misschien is het daarom dat hij ietwat sip opmerkt: “Straf hé, ik ken zoveel vrouwen en toch zijn het bijna allemaal mannen. Opvallend is ook dat de aanwezige vrouwen allen met teksten werken. Anne Smits komt zelfs voor de eerste keer met haar werk naar buiten. En Marie-France en Patricia Martin hebben zelfs teksten van mijzelf verwerkt.”
Die Zwitserse tweeling valt ook nog op met hun “gekantkloste geslachtsorganen”, een rariteit die in het conservatieve kantklosmilieu de nodige ophef verwekte.
Ook Hugo De Leener werkt met teksten, al zie je dat pas als je heel dicht bij zijn glazen serre gaat staan. Pol Hoste verkiest hierbij gefotografeerd te worden: “Als er nu iemand tegen loopt, hebben we het toch nog op foto!”
Zelf presenteert Hoste een installatie die zijn televisieverleden in herinnering wil brengen. Niet alleen presenteerde hij ooit het kunstprogramma “IJsbreker”, hij schreef zowaar ook televisiegeschiedenis door bij de opening van Chambres d’Amis van het middaguur tot middernacht op antenne te zijn, waarbij hij ook de medewerking kreeg van de motards die normaal wielerwedstrijden verslaan.
“Met deze tentoonstelling wil ik een signaal geven aan de stad dat het mogelijk is om zelfs in een gebouw als het Bijlokemuseum actuele kunst te brengen. Een actief cultuurbeleid mag niet louter afwachten tot iemand zich aanbiedt. Maar let op, hé, dit wil niet zeggen dat ik hiermee solliciteer naar een job als intendant,” verduidelijkt Hoste. “Als dit achter de rug is, kruip ik terug achter mijn schrijftafel, waar het slothoofdstuk van mijn laatste boek al veel te lang op mij ligt te wachten!”

Ronny DE SCHEPPER
(met dank aan Wouter Van Driessche en Geert Goeman voor de inleiding)

(*) In 2008 schreef Pol een bijdrage voor het jaarboek van het Filip De Pillecyn-comité vertrekkende van het feit dat De Pillecyn na de oorlog in het interneringskamp van Lokeren werd opgesloten en dat de vader van Pol “in die tijd als lid van de Communistische Partij en het O.F. (Onafhankelijkheidsfront), samen met iemand van een Belgicistische weerstandsbeweging de dienst uitmaakte op het stadhuis in Lokeren, waar ze door een boer uit Daknam, die ze de rol van burgemeester hadden toebedeeld, (…) dat hij interneringsmandaten ondertekent zonder enig verder onderzoek. Hij dient zelfs blanco mandaten te ondertekenen.
(**) Voor de volledigheid: achteraf hebben we tóch gebroken met het IMAVO, al was er geen concrete aanleiding. Vanaf dan vergaderden we in De Grote Avond en daar heeft er o.m. een even succesvolle avond plaatsgevonden met als eregast Willy Van Poucke. En ik mag zeker ook niet vergeten te vermelden dat VRT-regisseur Anton Stevens in ’t Volkshuis vaak ook één van zijn werkstukken vertoonde.
(***) Ik kan me niet herinneren dat deze manifestatie heeft plaatsgevonden. Pol, correct me if I’m wrong!

Referenties
Jos Borré, NCR-prijs: and the winner is…, De Morgen, 8 december 1988
Jooris Van Hulle, Die mij hebben opgevoed…, Standaard der Letteren, 2 december 1989

13 nieuwjaarswensen pol hoste 1996

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s