Het is vandaag precies negentig jaar dat “Winnie-the-Pooh”, het befaamde kinderboek van Alan Alexander Milne, is verschenen. Hijzelf zou een hekel gehad hebben aan deze formulering. Hij is immers ook de auteur van talrijke theaterstukken, een paar romans en zelfs enkele filosofische geschriften. Maar niets van dat alles heeft de tand des tijds doorstaan, behalve dus dat ongelooflijk populaire kinderboek.

Het was ook hieraan te wijten dat ik mijn licentiaatsverhandeling aan de heer Milne heb gewijd. Samen met een klasgenoot uit het college, die enkele jaren geleden is overleden (M.D.) en die psychologie studeerde, wilde ik het effect van dit boek op jonge kinderen bestuderen. Daarbij zou M.D. zich om de psychologische kant van de zaak bekommeren en ik mij met de literaire kwaliteiten bezig houden. Gelukkig werd dit voorstel afgekeurd, want meer dan dertig jaar na de feiten vraag ik me af hoe ik dàt in godsnaam zou klaargespeeld hebben.
Maar ik “mocht” dus wel een verhandeling schrijven over die toneelstukken van Milne die ooit zeer populair waren, maar waar sedertdien niemand meer (heel terecht) heeft naar omgekeken.

Milne schreef dus halfweg de jaren twintig “Winnie-the-Pooh” over de knuffelbeer van zijn zoon Christopher Robin en de andere troeteldieren van zoonlief. Oorspronkelijk heette Winnie eigenlijk Edward, maar Christopher Robin veranderde van gedacht nadat hij in de Londense zoo een echte beer uit het Canadese Winnipeg had gezien, die van zijn bewakers dan ook de naam Winnie had meegekregen. (Eigenlijk was het ooit de kleine mascotte geweest voor de Canadese soldaten in de Eerste Wereldoorlog, aangekocht door luitenant Colebourn, maar kleine beren worden groot natuurlijk, zoals ook de fans van Knud nu al weten.) Pooh van zijn kant verwijst naar een zwaan die de kleine Christopher elke dag eten gaf in het park. “Pooh was de juiste benaming voor een zwaan,” laat A.A.Milne Billy Moon (zoals hij Christopher Robin echt noemde, terwijl hijzelf door Billy en andere intimi “Blue” werd genoemd omwille van zijn opvallend blauwe ogen en zijn voorliefde om in het blauw gekleed te gaan) zeggen. “Als je ze riep, en ze kwam niet (wat zwanen doorgaans plegen te doen), dan kon je nog altijd doen alsof je gewoon: pooh! had geroepen.” En inderdaad, bij het zien van de Winnie-beer in de zoo zou Christopher “Oh Pooh!” uitgeroepen hebben wegens de stank en daardoor een link gelegd tussen de twee.
Het boek werd een onmiddellijk commercieel succes, dat ook door de kritiek als dusdanig werd onthaald (met als memorabele uitzondering Dorothy Parker, die er een hekel aan had; de parodie “Popeye the Pooh” van William Faulkner gaat eigenlijk meer over de grilligheid van bestsellerslijsten dan over Pooh zelf).
Twee jaar later voegde hij daar nog “The house at Pooh Corner” aan toe en nog later verschenen de verhaaltjes en de liedjes (“Hums” eigenlijk, dus niet om te zingen maar om te neuriën) apart, wat na zijn dood in 1956 nog herhaaldelijk onder zeer gediversifieerde vormen zal gebeuren, want de “merchandising” was al in de jaren dertig begonnen. In 1929 had Milne de Amerikaanse rechten immers voor slechts 842 euro verkocht aan ene Stephen Slesinger. Deze verkocht ze in 1961 door aan de Walt Disney Company, met dien verstande dat hij 4 procent op de omzet zou krijgen en de erven van A.A.Milne 2,5 procent.
De eerste tekenfilm (in 1966) volgde nog trouw het boek, al waren er zelfs toen al kritische opmerkingen. Zo o.m. over het feit dat Winnie nu plotseling een kort rood truitje kreeg aangemeten. Sommigen zagen hierin een ingreep van zedenmeesters tegen de originele “naakte” beer (5), maar het moet toch duidelijk zijn dat juist nu opvalt – en dan precies omwille van dat truitje – dat hij eigenlijk in zijn blote kont rondrent!
In 1977 kwam dan een eerste echte “Amerikaan” op de proppen, namelijk Gopher de bever. En toen was het hek van de dam, kunnen we wel met een terechte woordspeling stellen.
Ondertussen is ook Slesinger reeds overleden, maar zijn nabestaanden ontvangen – enkel gebaseerd op die dubieuze transactie dus – nog steeds een kleine 34 miljoen euro per jaar. En dan denken ze nog dat ze door Disney in de zak worden gezet, zodat ze eind 2005 een proces hebben ingespannen voor een achterstallig bedrag van 805 miljoen euro. Ook de advocaten die de belangen van de kleindochter van Milne vertegenwoordigen, zijn naar de rechter gestapt om zowel de erven Slesinger als de Walt Disney C° te dagvaarden.
Ondanks al die copyright-problemen bracht in 1991 het Nederlandse kindertheater Artemis toch ook een eigen versie op de planken, geregisseerd door Reinhilde Decleir en met niemand minder dan Hans Teeuwen als Konijn!

Toen in het begin van de jaren twintig toneelschrijver Alan Alexander Milne de verhaaltjes over speelgoedbeer Winnie de Poeh, die hij voor zijn zoontje Christopher Robin verzon ook in boekvorm uitgaf, stapte hij dus meteen het pantheon der onsterfelijken binnen, iets wat hem als dramaturg (ondanks een kortstondige succesperiode) niet was gelukt en wat hem dus eigenlijk goed dwarszat. Van Schotse afkomst zijnde had hij evenwel geen bezwaar tegen de « merchandising » die het succes van Winnie de Poeh met zich meebracht. Buiten de noodzakelijke « opvolger » van het werk (« The house at Poch corner ») verschenen er dan ook alras versjes van Poeh, « hums » (liedjes) en andere vlug in elkaar geknutselde werkjes. Dat ging ook nog door lang na zijn dood, zodat in 1971 ene Katie Stewart voor een « Pooh Cook Book », zijnde 21 recepten die door kinderen kunnen worden bereid, zorgde. Dit is nu voor uitgeverij Van Goor vertaald als het « Poeh-kookboek » door Hennie Franssen, maar die heeft er nog meer dan het dubbele aan nieuwe recepten aan toegevoegd. Zowel Stewart als Franssen hebben daarbij zowel de allerkleinsten als reeds meer gevorderde koks-in-spe voor ogen gehad. Aangezien Poeh een smulpaap is, bevatten nogal wat gerechten grote hoeveelheden suiker e.d., maar voor kinderen die doorgaans nog erg dynamisch en energiek door het leven hollen is dit allicht minder erg dan voor de ouders die de brouwsels van kindlief misschien zullen moeten uitproberen…

by Howard Coster,photograph,1926

DE ONDERGAANDE ZON TEGEMOET
Ondanks zijn frustratie omwille van het succes van “Winnie the Pooh” vroeg Milne aan zijn illustrator, E.H.Shepard (die zelf pas in 1976 is gestorven), om op zijn graf twee tekeningetjes uit de Pooh-boeken te plaatsen: Piglet die een dandelion (pisseblom) wegblaast en Pooh en Christopher Robin die de ondergaande zon tegemoet gaan. (Het is echter niet gebeurd.)
Milne had de pretentie om reeds op 57-jarige leeftijd een autobiografie te schrijven die hem voor altijd in het pantheon van de Grote Auteurs zou moeten verheffen. Helaas voor hem en gelukkig voor ons is hem dat dus niet gelukt, hij zal steeds in ’s werelds herinnering blijven voortleven als de geestelijke vader van de meest bescheiden beer uit de kinderliteratuur (“I am a Bear of Very Little Brain, and long words Bother me“), niet alleen bij rockartiesten (waarvan kwatongen misschien zouden durven veronderstellen dat zij aan geen “serieuzere” lectuur toekomen) maar ook bij Erkende Genieën als Christopher Isherwood of Ingmar Bergman. En Haruki Murakami vindt van zichzelf dat hij een “onschuldige Winnie de Poeh-blik” kan opzetten (uit “Puntmopjes” in de bundel “Blinde wilg, slapende vrouw”, p.224).

In Zweden was er zelfs een dichter, Nils Ferlin (1898-1961), die zichzelf identificeerde met Eeyore, terwijl de fictieve dichter Warren Penfield in “Loon Lake” van E.L.Doctorow op een bepaald moment (p.159 in de Nederlandse vertaling) met “Pooh bear” wordt aangesproken. Gerard Reve had dan weer een voorkeur voor “Teigetje” en in “De Avonden” heeft hij een erotische verhouding met een speelgoedkonijn. Over konijnen gesproken, ook Richard Adams geeft in interviews grif toe dat de dierenportretten in “Winnie-the-pooh” hem hebben geïnspireerd bij het schrijven van “Watership Down”.
En Michel Wuyts mag de wielrenner Alexander Vinokourov dan nog gemeenzaam “Vino” noemen, in zijn eigen land (Kazakstan) wordt hij “Vini” genoemd, met een expliciete verwijzing naar de sympathieke beer. Net als Winston Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog trouwens.
Is bovendien de “beer” die John Irving iedere lezer tot steun wenst in “The Hotel New Hampshire” eigenlijk ook niet gebaseerd op Winnie? Met haar bijnaam “Pooh” verwijst Bainbridge Percy, de wraakengel van Garp in het gelijknamige boek, uiteraard wel degelijk naar de “Bear of Very Little Brain” maar dan niet onmiddellijk op een sympathieke manier, om het met een understatement te zeggen (al is de bijnaam tegelijk ook een “vergoelijking” van haar onbezonnen daad).
En natuurlijk is er ook nog Brian Jones van The Rolling Stones die in de jaren zestig uit pure bewondering het buitenverblijf van wijlen A.A.Milne in Hartfield, Sussex kocht (Cotchford Farm). De keerzijde van de medaille is wel dat hij dus in het zwembad van Milne is verdronken…
Hoe populair “Pooh bear” wel werd, bewijst het feit dat zelfs kroonprins Charles van Engeland zijn hond Pooh heeft genoemd. Op filmgebied is er “Sirens” (1994), waarin de hoofdpersonages, vertolkt door Hugh Grant en Tara Fitzgerald elkaar resp. Pooh en Piglet noemen. Twintig jaar later speelden Pooh en Piglet trouwens ook een hoofdrol bij de ontknoping van de thriller “Before I go to sleep” van Rowan Joffe. Er was in Engeland trouwens ook een reggaegroepje dat zichzelf The Piglets noemde. Hun grootste hit was “Johnny Reggae”, een compositie van Jonathan King, later net als Michael Jackson, Gary Glitter en Jeffrey Jones aangeklaagd voor pedofilie overigens. En Carly Simon schreef de muziek voor “Piglet’s Big Movie”, een Amerikaanse animatiefilm uit 2003 van Francis Glebas. Twee jaar later, in 2005, toen political correctness op zijn hoogtepunt (of moet ik zeggen: dieptepunt?) was, dienden in Britse bibliotheken alle afbeeldingen van Piglet te worden verwijderd, omdat ze beledigend zouden zijn voor de moslimgemeenschap…

Met dank aan Walter Ceuppens kan ik ook nog volgend fragment uit de Britse serie “It ain’t half hot, mum” aanbevelen:


De grootste bekende Pooh-fan in Vlaanderen is echter Raymond van het Groenewoud. Op zijn elpee “Ik doe niet mee” staat dan ook het nummer “Janneman Robinson” zoals Christopher Robin in de Nederlandse versie wordt genoemd. Een knappe vertaling overigens, want een aantal filologen zijn van oordeel dat Milne ook pedagogische bedoelingen had. Dat hij als aanhanger van de Nieuwe-Schoolbeweging voor een empirische instelling pleitte. Hij wilde m.a.w. het initiatief meer aan de kinderen zelf laten, ze alles zelf laten ontdekken a.h.w., vandaar de goede keuze van de naam Robinson.

In China daarentegen werd in 2018 de nieuwe Winnie the Pooh-film, “Christopher Robin”, verboden. Het heeft allemaal met deze foto te maken:

Een foto van de Chinese president Xi Jinping met zijn toenmalige Amerikaanse ambtgenoot Barack Obama deed gebruikers op sociale media denken aan Winnie de Poeh en Tijgetje. Vanaf dan proberen de Chinese autoriteiten Winnie de Poeh op alle kanalen te censureren. Nochtans schreef de Amerikaanse auteur Benjamin Hoff ooit The Tao of Pooh, waarin hij de oude Chinese beginselen van het taoïsme vergeleek met de levensbeschouwing van de teddybeer. En uitgerekend deze film wordt nu verboden in China?

Tegenwoordig is het rebooten van tekenfilmklassiekers schering en inslag bij Disney. Maar Christopher Robin is anders. Het is geen live-action remake, maar een nieuw verhaal. Eentje dat meer schatplichtig is aan de originele Poeh-boeken van A.A. Milne. En een beetje aan Steven Spielberg. In 1991 maakte de regisseur Hook, een bewerking van het Peter Pan-verhaal waarin de ooit zo fantasierijke jongen een saaie volwassene is geworden. Een workaholic die zelden tijd maakt voor zijn gezin. Tot kapitein Haak hem ontvoert en terughaalt naar Neverland. Marc Forster (Finding NeverlandQuantum of Solace) doet nu hetzelfde met Poeh. Christopher Robin is bij hem een manager bij een bedrijf dat valiezen produceert, een saaie en tijdrovende job, die alle kansen tot een gezond gezinsleven wegzuigt. Tot Christopher Robin weer oog in oog staat met zijn vriend van toen: Winnie de Poeh. Forster heeft er zichtbaar alles aan gedaan om alle fans – van de boeken én de tekenfilms – te vriend te houden, zo schrijft Robin Broos in De Morgen. Zo lijken de originele pentekeningen van Ernest Shepard de voornaamste inspiratie voor de vormgeving, meer nog dan de Disney-versie. Maar vooral Ewan McGregor maakt de zoektocht naar het innerlijke kind interessant, aldus Broos.

Referentie
Andrew Birkin, J.M.Barrie and the Lost Boys, 1979.

Robin Broos, ‘Christopher Robin’ houdt de wijsheden van teddybeer Poeh waardig in leven, De Morgen 6 augustus 2018.
Frederick C.Crews, The Pooh Perplex, New York, Dutton, 1965.
Ronny De Schepper, The plays of Alan Alexander Milne, Universiteit Gent, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1973.
Ronny De Schepper, Winnie, De Rode Vaan nr.4 van 1982.
Ronny De Schepper, Ook A.A.Milne was graag ontevreden, De Rode Vaan nr.38 van 1986.
Ronny De Schepper, Het Poeh-kookboek, De Rode Vaan nr.30 van 1987.
Kathleen Kelley-Laîné, Peter Pan ou l’Enfant triste, Calmann-Lévy.
Dr.Dan Kiley, The Peter Pan Syndrome.
Christopher Robin Milne, Betoverde plekjes, Den Haag, Sirius en Siderius, 1980.
Jacqueline Rose, The case of Peter Pan, or the impossibility of children’s fiction.
Ann Thwaite, A.A.Milne, the man behind Winnie-the-Pooh, New York, Random House, 1990.
Paul Verduyckt, Eenvoudig kan ook, De Morgen, 26 juli 1991.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.