De populairste film van 1952 was “The African Queen”: Humphrey Bogart en Katharine Hepburn in een gammel bootje, terwijl regisseur John Huston op olifanten ging jagen. Dat deden ze dan vaak in een drive-in movie theatre (naar de film gaan kijken, bedoel ik, niet op olifanten jagen), want die schieten vanaf dat jaar als paddestoelen uit de grond.

In 1953 is er “The robe” van Henry Koster die vooral ophef maakte omdat het de eerste film in cinemascope was, waarbij de verhouding dus 1/2,35 was i.p.v. de gebruikelijke 3/4. Hiervoor waren wel speciale (anamorfische) lenzen nodig. Datzelfde jaar werd ook de eerste “driedimensionale” film gedraaid (met van die brilletjes met een rood en een groen glas, weet je wel) namelijk “House of wax” van André de Toth.
“Twelve angry men” (Sidney Lumet) is hét “courtroom drama” bij uitstek, tenzij het “Witness for the prosecution” van Billy Wilder uit datzelfde jaar 1955 of “Anatomy of a murder” van Otto Preminger zou zijn. Om over “Beschuldigde sta op” nog te zwijgen natuurlijk!
Ondertussen deed de invloed van het Italiaanse neorealisme zich ook in Hollywood voelen. Dat is het best merkbaar bij Nicholas Ray. Zijn (anti-)helden zijn meestal angstige sociale rebellen die zichzelf vernietigen in hun zoektocht naar liefde of als gevolg van hun losbandig en furieus leven. In 1950 had hij zo reeds Humphrey Bogart ten tonele gevoerd als een scenarist die van moord wordt beschuldigd in “In a lonely place” en Joan Fontaine die in “Born to be bad” liegt, bedriegt en manipuleert om een rijke echtgenoot (Robert Ryan) aan de haak te slaan. Maar hij zal dit natuurlijk op de spits drijven met “Rebel without a cause” uit 1955, waarin James Dean tot “instant hero” wordt, al zou met name Elia Kazan (die met Dean vroeger in datzelfde jaar “East of Eden” had gedraaid) zichzelf hiervoor op de borst kloppen: “Alhoewel ik er met ‘East of Eden’ zelf toe bijgedragen heb, vind ik het beeld dat Jimmy Dean de jongeren voorspiegelt vals. Voor mij zijn het in de eerste plaats nietsnutten, vol medelijden met zichzelf. Daarom dat ik hem ook als Cal heb gecast. Echte akteertechniek had Dean niet. Als hij een oudere man moet vertolken in ‘Giant’, zie je wat hij eigenlijk is: een beginneling. Alhoewel ze vaak worden vergeleken en Jimmy hem mateloos bewonderde, is hij zowat het tegendeel van Marlon Brando.”
In 1956 lanceert David O.Selznick “A farewell to arms” als opvolger van “Gone with the wind”. De regie was in handen van Charles “King” Vidor naar een scenario van Ben Hecht. In de “acknowledgements” krijgt Andrew Marton een nogal grote vermelding. Waarschijnlijk was hij misschien de oorspronkelijke regisseur en werd hij nadien aan kant geschoven. Maar hoe dan ook, de film flopte, o.m. omdat Selznick zijn tweede vrouw Jennifer Jones als 38-jarige een jong meisje liet vertolken. I.p.v. een nieuwe “Gone with the wind” te worden, veroorzaakte het bijna zijn failliet.
Countryzanger Burl Ives (1910-1995) krijgt een oscar voor beste mannelijke bijrol als Rufus Hannassey in “The big country” (William Wyler, 1957), die ook de Gouden Palm in Cannes wint. “Ben Hur”, eveneens van William Wyler, haalt een record aantal oscars binnen, nl.elf (waaronder beste film en beste acteur, uiteraard Charlton Heston, die de rol had overgenomen toen Rock Hudson hem had geweigerd). Slechts één nominatie werd niet in een oscar omgezet. Ondanks dit succes van MGM maakt de firma dat jaar voor het eerst verlies en het zal nooit meer goedkomen, ook al rijven ze in 1981 nog United Artists en de rechten op de James Bond-films binnen. Het zal uiteindelijk uitmonden in een faillissement in 2010.
In 1958 draait Martin Ritt “The long hot summer” naar “The hamlet” en nog een aantal andere kortverhalen van William Faulkner. Paul Newman is redelijk legendarisch in de rol van Ben Quick, maar er is ook nog Orson Welles als de onbuigzame Will Varner. Bij de Vlaamse televisiekijker wordt Ben Quick echter voor eeuwig en altijd belichaamd door Roy Thinnes, omdat hij in 1965 de gelijknamige rol vertolkte in de televisieserie die naar de film werd gedraaid (ikzelf had echter nauwelijks oog voor hem omdat ik tot over mijn puberoren verliefd was op zijn tegenspeelster Nancy Malone). In 1985 kwam er dan een remake van de film als zodanig en ook hier werd de rol van Ben Quick door een echte mannetjesputter gespeeld, namelijk Don Johnson. Zijn tegenspeelster is Cybill Shepherd en er waren ook nog rolletjes weggelegd voor Hollywood-legendes als Jason Robards en Ava Gardner.
1958 is symptomatisch voor het feit dat in de Verenigde Staten de filmstudio’s voor het grootste gedeelte door televisiestations worden overgekocht. Daar heeft men namelijk het systeem van de syndicated repeats ontdekt, d.w.z. dat men een bepaalde reeks wel twintig keer kan verkopen.
Na de opkomst van het nieuwe medium televisie en mede door de anti-trustwetten, was het studio-systeem in elkaar gevallen. Een gevolg is o.a. dat scenaristen niet langer bedienden zijn, maar specifiek voor elk project worden ingehuurd door onafhankelijke producenten. We krijgen dan ook het verschijnsel van de ster-scenaristen, gestart in 1967 met de 400.000 dollar voor William Goldman (“Butch Cassidy and the Sundance Kid”) en ondertussen heeft de scenarist van “Basic Instinct”, Joe Eszterhas, de leiding genomen.
In 1968 wordt de Hays Code afgeschaft, echter niet zozeer omwille van “de revolutionaire jaren zestig” dan wel wegens het feit dat de televisie in de praktijk de censurerende invloed van de code had overgenomen. De zenders bepaalden immers wat wél en vooral wat niet kon. En er kon en kàn in Amerika véél niet…
Zelden werden zoveel filmaandelen verhandeld als tijdens het begin van de jaren ’80. Herinneren we aan oliemagnaat Marvin Davies die in één hap de prestigieuze Twentieth Century Fox opslorpte. In dezelfde lijn lag de stoeltjesdans die bij de meeste onafhankelijke productiemaatschappijen plaatsgreep. Verschuivingen op de diverse directieposten waren haast dagelijkse kost en tussendoor probeerden de ‘onafhankelijken’ een groter deel van de filmkoek te bemachtigen. Via een eigen filmmarkt te Los Angeles probeerden ze zich meer op de voorgrond te hijsen. Het meest in het nieuws kwam toen een ‘major’ filmbedrijf United Artists (destijds opgericht door o.a. Charlie Chaplin) door de moedermaatschappij Transamerica afgestoten en verorberd werd door MGM. Daar bleef het niet bij. De fusie beïnvloedde ook andere structuren en gaf aanleiding tot het vormen van de United International Pictures (UIP) die de filmverdeling van de voornaamste Amerikaanse productiemaatschappijen in Europa ging behartigen. Aan de basis van deze hele verschuiving lag één film: “Heaven’s Gate” van Michael Cimino. Toen Cimino in 1979 met de film op locatie begon, zou het een film worden van 12 miljoen dollar. Uiteindelijk kostte de film driemaal het oorspronkelijke budget. Cimino werd de hemel ingeprezen na “The Deer Hunter” en kreeg de vrije hand voor deze film aan de hand van een eerder afgewezen scenario. Zijn manie voor prefectie zette hem er toe aan om reusachtige decors op te stellen en wekenlang te repeteren met de dure acteurs en figuranten. In totaal filmde hij gedurende 156 dagen (30 tot 60 dagen was normaal) 500.000 meter film. Deze meer dan één miljard kostende prent werd een reuzenflop. Het falen van “Heaven’s Gate” zorgde voor een kleine revolutie in Hollywood en producers kondigden drastische maatregelen aan. Regisseurs werden beperkt in hun artistieke vrijheid, budgetten werden teruggeschroefd, de controle op de uitgaven werd verscherpt, enz. De tijd van de monsterproducties met de uit de pan rijzende budgetten ZOU voorbij zijn. Ondertussen zou het bioscoopbezoek zowel in de VS als in Europa felle klappen krijgen. In sommige landen liep de terugloop op tot 25%. De videosector die een ferme hap deed in die terugloop kwam grotendeels in Hollywoods handen, althans voor wat de nationale markt betrof. Bovendien hadden de studio’s geleerd om hun strategie te veranderen. Het maken van films voor specifieke doelgroepen werd nu volledig overgelaten aan kleinere gespecialiseerde firma’s zoals Touchstone Pictures, Cannon of New World Pictures. De grotere studio’s concentreerden zich op de ‘ten-must-see’, tien films per jaar die hoe dan ook iedereen zou bereiken. Dergelijke films mochten veel geld kosten, want ze zouden haast zonder concurrentie zijn in de zalen (er werd niet meer tegen elkaar, maar naast elkaar geprogrammeerd). Bovendien werd een gedeelte van de opbrengst verschoven naar spin-off activiteiten, zoals de video-release, gadgets, cartoons, video- en computerspelletjes. Als de film dan nog werd voorafgegaan door een uitgekiende reclamecampagne kon het haast niet meer mislukken. Superman (1978), Ghostbusters (1984), Batman (1989) en Jurassic Park (1991) vormen hiervoor uitstekende voorbeelden.
Hollywood is ondertussen niet langer meer de cinema van ‘stars’ en ‘genres’. De hedendaagse kritiek ziet overal hybride genres, genrevermengingen en ‑overschrijdingen. Cineasten ‑ en televisiemakers ‑ mengen (in volle vrijheid, zo lijkt) alle mogelijke soorten genres. En zo ontstaan gedrochten als ‘docusoaps’, ‘infotainment’ en ‘psychologische horrorthrillers’. De postmoderne beeldenmakerij luidt op die manier het einde in van de traditionele genres. Of zelfs van genres in het algemeen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s