Vandaag wordt Robert Redford tachtig jaar. In de tijd dat ik voor Stepsmagazine werkte, heb ik ooit een bijdrage moeten schrijven over “Havana”. Het is dan ook vertrekkende van die film (zie foto hierboven) dat ik even wil terugblikken op de carrière van de jarige.

“Havana” was de zevende film die regisseur Sydney Pollack en steracteur Robert Redford samen draaiden. “Havana” is een zwoel-romantische prent geworden tegen een politieke achtergrond. In de V.S. is men allergisch voor zo’n combinatie, maar Europeanen zijn hopelijk verstandiger. En anders is er altijd nog Lena Olin die een bioscoopticket méér dan waard is.

Redford had ik daarvoor niet minder dan vier jaar eerder voor het laatst aan het werk kunnen zien (in “Legal eagles” van Ivan Reitman uit 1986). Het eerste wat dan ook opvalt, is dat de blonde god een ferme “coup de vieux” heeft moeten incasseren. Zijn charme is echter onaangetast gebleven.

Een liefdesverhaal dus, maar toch ook weer meer dan dat. We bevinden ons in Havana, uiteraard, maar dan wel op het einde van het jaar 1958. Het regime van dictator Batista wankelt. De rebellen onder de leiding van Fidel Castro winnen steeds meer veld. Eén van Castro’s handlangers is Benito Duran, een vooraanstaande Cubaan (gespeeld door Raul Julia), die met de Zweeds-Amerikaanse Roberta (Lena Olin) is gehuwd. Robert Redford van zijn kant speelt een beroepsgokker (Jack Weil) die van al die politiek hoegenaamd geen kaas heeft gegeten. Maar als hij er wat mee kan verdienen, wil hij er zich wel mee bemoeien natuurlijk.

Op die manier komt hij in contact met Roberta. Van zijn kant is het liefde op het eerste gezicht, maar zijzelf blijft haar echtgenoot trouw en doet alleen maar (vergeefse) pogingen om Weil “voor de goede zaak” te winnen. Hoe het verhaal verder evolueert, ga ik niet verklappen (want, al is het redelijk voorspelbaar, toch zit er op een bepaald moment een onverwachte wending in), maar ik wil wel kwijt dat men op het einde even doorflitst naar de vroege jaren zestig. Dan is Weils politieke bewustzijn in zoverre gegroeid dat hij nu toch al een krant leest. En dan niet alleen om op de paarden te kunnen gokken, zoals hij zelf zegt, maar ook voor de “human interest stories”, de rubriek gebroken armen en benen zouden wij zeggen.

Ik vermeld dit speciaal omdat het de geloofwaardigheid van de film ten goede komt. Alhoewel Redford in zijn privé-leven wel een aantal politiek vooruitstrevende initiatieven steunt, zou je dat van hem als filmpersonage nooit aanvaarden. Bovendien staat het prediken nooit bovenaan het verlanglijstje van Sydney Pollack, ook al is hij dan de maker van “Three days of the condor” of “The scalphunters” (over racisme). “Ik wil gewoon goede films maken,” zegt Pollack. “Als er een boodschap inzit, is dat enkel meegenomen.”

“Havana” is dan ook niet zozeer een politieke film, eerder een filosofische. Een film die vragen stelt naar de zin van het bestaan. Maar laat je daardoor nu a.u.b. niet afschrikken, ook al deed hij me op die manier nog het meest aan “They shoot horses, don’t they?” denken, de film van Pollack die kort daarvóór door Dominique Deruddere als toneelstuk werd gebracht.

Net zoals in “The way we were”, een andere Pollack-Redford-coproductie, zitten er ook in “Havana” een boel nostalgische melodieën, die harmonisch zijn opgenomen in de score van Dave Grusin, Pollacks vaste filmcomponist. De muziek speelt immers een belangrijke rol om de zwoele atmosfeer van het Havana van de jaren vijftig op te roepen. Havana stond in die tijd bekend als de heetste stad op aarde en Pollack is er op lokatie in Santo Domingo bijzonder goed in geslaagd om dit filmisch weer te geven (merk op: het waren de Amerikanen die hem geen toelating gaven om in het echte Havana te gaan filmen, wat de kostprijs met zowat zeven miljoen dollar heeft opgedreven!).

Ik heb op deze plaats reeds een paar films besproken die erotisch wilden zijn en het helemaal niet waren (“Wild orchid” en “Henry and June” b.v.), hier is het precies omgekeerd. In het eerste gedeelte zie je Redford b.v. rotzooien met twee vrouwtjes op een manier dat je even je halsboordje moet losmaken, maar Pollack mengt deze beelden met een harde inval van Batista’s geheime politie bij Duran en zijn vrouw. Waardoor je je wel een beetje ongemakkelijk voelt. En dat was precies de bedoeling.

Dat Pollack en Redford zo vaak samenwerken, kan uiteraard geen toeval zijn. Alhoewel Robert Redford (°18/8/1937) bekend staat als karakterieel een wat moeilijke jongen, klikte het tussen hem en de twee jaar oudere Sydney Pollack reeds op de set van de eerste film die Redford heeft gedraaid. In “War hunt” (1962) moet hij als nieuwe recruut zijn orders gaan vragen aan de sergeant en dat is niemand minder dan Sydney Pollack.

Acteren is aan Sydney Pollack eigenlijk niet besteed, zodat hij na “War hunt” enkel nog als regisseur optrad (tenzij in zijn eigen film “Tootsie” waarin hij de manager van Dustin Hoffman incarneerde en nog later, in 1992, in “Husbands and wives” van Woody Allen). Zoals zo vaak was dat eerst in TV-series, waarvan er ook enkele in Vlaanderen bekend zijn: “Dr.Kildare”, “The Fugitive”, “Mission Impossible” e.d. Nadien draaide hij achtereenvolgens “They shoot horses don’t they”, “Three days of the condor”, en “Havana”.

Ook Redford is als TV-ster begonnen. Hij trad net als Pollack op in “Playhouse 90”, een live-televisiebewerking van beroemde literaire meesterwerken. Nu lijkt het wel ongelooflijk, maar Redford speelde daarin bijna uitsluitend “the bad guy”.

In 1965 kreeg Redford dan de kans om de mannelijke tegenspeler te worden van niemand minder dan Nathalie Wood in “Inside Daisy Clover”. Dat kwam omdat Wood hem aan het werk had gezien in een toneelstuk en zij wilde hem per se hebben. Dat was ook nog het geval het jaar daarop voor “This property is condemned” van Tennessee Williams. Nathalie Wood was toen reeds zo’n vedette dat ze ook de regisseur mocht kiezen. En toen raadde Redford haar Sydney Pollack aan. Zonder de tussenkomst van Redford was dit wellicht niet het geval geweest, want Pollacks debuutfilm “The slender thread” uit 1965 werd zelfs door de maker verafschuwd.

De tweede film waarin Pollack en Redford samenwerkten was dan “Jeremiah Johnson” uit 1972, het onvergetelijke epos van de eenzame trapper in het noordelijke indianengebied. Het jaar daarop kwam “The way we were”, waarin Redford voor het eerst een echte liefdesheld mocht spelen. In deze nostalgische film krijgt hij immers Barbra Streisand tegenover hem. Dit was in de gloriedagen van Redfords carrière want daarna speelde hij in twee succesrijke films van George Roy Hill (“The Sting” en “The Great Waldo Pepper”) en tussendoor ook nog in “The Great Gatsby” van Jack Clayton.

Daarna volgde dan de vierde film, geregisseerd door Sydney Pollack, “Three days of the condor”, een bijtende satire op de CIA, gevolgd in 1978 door “The electric horseman”, deze keer met Jane Fonda en een paard in de andere hoofdrollen.

In 1980 maakt Robert Redford met “Ordinary people” voor het eerst zelf een film. Hij krijgt er meteen een oscar voor. Toch blijft acteren zijn voornaamste bezigheid. Zo draait hij in 1984 “The natural” (Barry Levinson), een hulde aan zijn vader, een baseball-freak.

In 1985 vinden we Redford weer bij Pollack, deze keer voor “Out of Africa” met Meryl Streep als tegenspeelster. Daarna begint Pollack aan “Rain man”, maar na één week houdt hij ermee op. Sedertdien heeft hij enkel nog films geproduceerd (dus niet geregisseerd). Redford zelf scheidt van zijn vrouw Lola Van Wagenen, waarmee hij drie kinderen heeft.

Het feit dat realisator Robert Redford in persoon aanwezig was, zal er wel toe bijgedragen hebben dat « The Milagro beanfield war » een vrij groot succes behaalde bij het publiek op het festival van Cannes in 1988 waar deze prent « buiten competitie » vertoond werd. Ook het vrij lage niveau van de films die er in de aanvangsfase voorgesteld werden, zal daar voor iets tussen gezeten hebben. « Milagro » kwam bij de mensen aldaar als een soort opluchting over, een werk waarmee af en toe kon gelachen worden maar waarin de sociale ondertoon toch ook voor een moment van bezinning zorgde. Luim en ernst dus.
Bekeken buiten de festivalsfeer, tijdens een normale persvoorstelling hier ten lande, gaat er van dit « boerenverhaal » dat zich in een heel klein plaatsje van New Mexico afspeelt (Milagro — 426 inwoners onveranderd sedert 300 jaar maar vandaag in volle beroering volgens boek- en scenarioschrijvers John Nichols en David Word) evenwel heel wat minder bezieling uit. Niet dat wij er totaal onbewogen zouden bij gebleven zijn. Neen. De gezonde boerenhumor die er in ten toon gespreid wordt, bracht ook ons af en toe aan het glimlachen. En de manier waarop de organisatie van het volksverzet tegen de inplanting van een reusachtig pretpark getoond wordt, kan als voorbeeld gelden voor elke progressistische basisbeweging.
Aan goede bedoelingen ontbreekt het dus zeker niet in deze geschiedenis over een arme klusjesman die op zekere dag zijn door de zon verschroeid bonenveld illegaal gaat bevloeien en alzo in conflict komt met de ontwerpers van een grootscheeps bouwproject die de hele streek zonder water willen zetten. Die ene kleine actie ontketent een reeks gebeurtenissen waardoor de hele plaatselijke dorpsbevolking in beweging komt. En die uiteindelijk eindigt op de overwinning van de kleine man. Kan het mooier?
Vertrekt de film als een realistisch verhaal dan blijkt weldra dat het eigenlijk om een sprookje handelt, om een « mirakel » waarbij heel wat oude volkswijsheid te pas komt…
In “Sneakers” van Phil Alden Robinson (1992) speelt Robert Redford een computerhacker, samen met o.a. Sidney Poitiers, Dan Aykroyd en River Phoenix. Zijn jeugdvriend, gespeeld door Ben Kingsley, blijkt uiteindelijk zijn grootste tegenstrever. Op het einde is er nog een leuke cameo-rol voor James Earl Jones.

In 1993 wordt “A river runs through it” geregisseerd door Robert Redford himself. Als acteur draait hij dan “Indecent proposal”, een erotisch bedoelde zedenkomedie over een jongeman (Woody Harrelson uit “Cheers”) die één miljoen dollar aangeboden krijgt indien hij zijn vrouw (Demi Moore) ertoe kan overhalen met een machtige industrieel (Robert Redford) onder de lakens te kruipen. Deze aanklacht tegen het yuppiedom was de eerste film van Adrian Lyne na “Fatal attraction”.

In 1994 regisseerde Robert Redford zijn vierde film, “Quiz Show” over het schandaal rond het NBC-kwisprogramma “Twenty-One” op het einde van de jaren vijftig. Grappig is dat een vraag rond “onze” koningskwestie daarbij van doorslaggevend belang is.

Op aandringen van zijn vrouw heeft Redford destijds omdat hij werkloos was nog willen meedoen aan “Twenty-One” (om dezelfde reden ben ik ooit nog eens in een filmquiz van Pierre Platteau beland), maar hij mocht niet omdat hij een acteur was en de makers waren bang dat de mensen dan inderdaad zouden denken dat het doorstoken kaart was, dat het “geacteerd” werd. “Twenty-One” ging daarbij het verst. Hun kandidaten werden werkelijk “gecast” alsof het acteurs waren. Stemple (de rol van John Turturro), de man die het allemaal aan het rollen bracht, speelde trouwens oorspronkelijk het spelletje goed mee. Hij moest van hen een ex-marinier spelen en dat deed-ie ook, al was hij nooit bij de mariniers geweest. Ook het feit dat hij zo “dull” was, was gewild.

“Twenty-One” was overigens niet de eerste quiz waarbij de kandidaten de vragen op voorhand (nl.tijdens de repetities) kregen. Een zekere dominee Jackson had dit trouwens reeds in de media proberen aankaarten. Die waren echter niet geïnteresseerd. Met het geval van Charles Van Doren (rol van Ralph Fiennes) lag dat natuurlijk anders, omdat hij echt tot een mediafiguur was uitgegroeid. Daar hadden de media zelf toe bijgedragen, omdat ze hem tot een voorbeeld voor de jeugd wilden promoveren in tegenstelling tot die nietsnut van een Elvis Presley die op dat moment (1958) zozeer in de belangstelling stond. Toch stortte de pers zich niet onmiddellijk op de onthullingen van Stemple (die uiteindelijk de beledigingen niet langer kon slikken). Dat gebeurde pas na het Dotto-schandaal, een andere quiz, waarbij een reserve-kandidaat in de coulissen het notaboekje van een deelnemer vond, met daarin alle vragen die hem zouden worden gesteld. Tot hun verdediging dient trouwens gezegd dat “Twenty-One” het oorspronkelijk zelfs eerlijk probeerde te spelen, maar hun eerste aflevering werd zo’n immense flop (met twee kandidaten die beiden op nul eindigden) dat ze ook maar hun toevlucht namen tot het bekende truukje. Dat hield bovendien ook in dat de kandidaten niet zoveel wonnen als op televisie te zien was, precies omdat het afgesproken spel was.

In 1996 is er “Up close and personal” (John Avnet), waarin oude TV-rot Robert Redford wat ziet in het talent van Michelle Pfeiffer. Eigenlijk is dit het verhaal van anchor woman Jessica Savitch, die ten onder ging aan drank en drugs, maar het scenario werd door Hollywood zodanig opgekuist dat er nauwelijks nog iets van overblijft.

In 2001 was Redford eigenlijk al te oud om the Great American Hero te spelen in “The Last Castle” van Rod Lurie. Zijn rol leek wel een parodie op zijn Brubaker-personage van een kwart eeuw vroeger. Daarom moet ik toegeven dat ik eerder naar de film heb gekeken omwille van zijn opponent, James Gandolfini. Die was namelijk net overleden, toen ik een kans kreeg de film te bekijken in 2013. Gandolfini speelt de incarnatie van het Kwaad in deze gevangenisfilm, maar de voornaamste les die we moeten onthouden is dat die vuile communisten uit Hanoi nog duizend keren erger waren. En dat wordt dan vooral in de mond gelegd van de “linkse” Robert Redford. Maar ja, dat soort “linksen” kennen we onderhand wel… Een ziekmakende film met als “apotheose” a salute to the Stars and Stripes.

In “The clearing”, de enige film van de Nederlander Pieter Jan Brugge die in Hollywood heeft gestudeerd en daar dan is blijven plakken (maar vooral als producer) uit 2004, mag Redford nog eens alle schuifkes opentrekken als ontvoerde zakenman, waarvan we door de opbouw van de film al weten dat hij daar niet levend gaat uitkomen (en hijzelf weet dat eigenlijk ook). De film is namelijk enerzijds de laatste dag van die zakenman (dus vanaf zijn ontvoering ’s morgens tot zijn dood ’s nachts) en anderzijds het verloop van de onderhandelingen over het losgeld, waarbij zijn echtgenote (alweer een uitstekende Helen Mirren) tevergeefs om een teken van leven vraagt. Door die twee lijnen te verknippen en door elkaar te kleven weet men reeds dat dat teken van leven er nooit zal komen…

Daarna was Robert Redford te zien in “An unfinished life”, een regelrechte smartlap (maar niet negatief bedoeld) uit 2005 van Lasse Hallström. Redford speelt hierin de rol van Einar Gilkyson, een verbitterde, oude boer die zichzelf en zijn ranch heeft laten verloederen na de dood van zijn zoon, tien jaar eerder. Het enige waar Einar nog tijd en energie in stopt, is zijn beste vriend Mitch (prachtige rol van Morgan Freeman), die na een confrontatie met een beer gehandicapt is geraakt. Maar dan komt zijn schoondochter (Jennifer Lopez) weer op de proppen. Ze heeft een dochtertje mee (Becca Gardner) waarvan hij geen weet had. Einar geeft Jean (Lopez dus) de schuld voor de dood van zijn zoon (zij zat aan het stuur van de verongelukte wagen) en reageert eerst afwerend. Maar door de kleindochter komt het natuurlijk toch tot een toenadering. En ook door het feit dat de vrijer waarvoor Jean op de loop is, een wife-beater is. En zelfs de beer speelt er een rol in. Een rol die onweerstaanbaar doet denken aan het oeuvre van John Irving

In 2010 regisseerde hij “The conspirator”, een courtroom drama over de “legale moord” op Mary Surratt (gespeeld door Robin Wright). It was the American Film Company’s first film. Their mission is to make historically accurate films about America’s past. In casu: in the wake of Abraham Lincoln’s assassination, seven men and one woman are arrested and charged with conspiring to kill the President, the Vice-President, and the Secretary of State. The lone woman charged, Mary Surratt, 42, owns a boarding house where John Wilkes Booth and others met and planned the simultaneous attacks. Against the ominous back-drop of post-Civil War Washington, newly-minted lawyer, Frederick Aiken (James McAvoy), a 28-year-old Union war-hero, reluctantly agrees to defend Surratt before a military tribunal. As the trial unfolds, Aiken realizes his client may be innocent and that she is being used as bait and hostage in order to capture the only conspirator to have escaped a massive manhunt, her own son. (IMDb)

Referentie
Ronny De Schepper, Robert Redford doet het nog steeds, Stepsmagazine februari 1991
37 Robert Redford

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s