Op 28 juni 1841 ging in de Parijse Opera het ballet “Giselle” in première. De oorspronkelijke choreografie was van Jean Coralli en Jules Perrot op muziek die Adolphe Adam voor het ballet componeerde. Het libretto is geschreven door Théophile Gautier voor Carlotta Grisi, die ook als eerste de titelrol danste. Hij liet zich inspireren door de legende van de Wili’s (foto) van Heinrich Heine.

Tijdens de romantiek vertaalde de angst bij de mannen voor seksueel wangedrag bij de vrouwen zich in balletten zoals dat van de Sylfiden, waarbij vrijgevochten vrouwen als meedogenloze verleidsters voorgesteld werden. Dat feministen bovendien eisten om scheiding mogelijk te maken en dat alsmaar meer vrouwen ervoor kozen niet in het huwelijk te treden, bezorgde de mannen nog meer angst. Vele balletten en theaterstukken gaven dan ook uitdrukking van dergelijke angsten.
“Giselle” b.v. is het verhaal van een nobelman die zich in boerenzoon verkleedde om Giselle, een boerendochter, te verleiden. Dit verhaal over de Wilis, jonge bruidjes gestorven vóór hun huwelijksdag, die ’s nachts nog altijd willen dansen, was de aanleiding om voor het eerst spitsen met versterkte punten te gebruiken. Deze “nachtelijke bacchanten”, zoals Heinrich Heine ze noemt, verplichten mannen die hun nabijheid komen mee te dansen tot ze er dood bij neervallen. Toen de dichter Théophile Gautier dit las, schreef hij in 1841 samen met de toneelschrijver Jules Vernoy de Saint Georges een scenario over een boerenmeisje dat door een jonge graaf wordt bedrogen zodat ze sterft “van een gebroken hart”. Het is overigens een fraai staaltje van “klassejustitie”, want in het eerste bedrijf (dat buiten de fameuze “boeren pas de deux” meer “stommen ambacht”, lees: mime, is dan ballet) wijst de graaf de jaloerse boerenknecht, die het bedrog heeft uitgebracht, als schuldige aan voor de dood van het meisje en inderdaad, in het tweede bedrijf wordt hij een slachtoffer van de Wilis, terwijl de graaf wordt gespaard!
Men spreekt in verband met de muziek van Adolphe Adam wel eens van “een opera zonder woorden”, ook al zijn twee belangrijke passages uit het ballet eigenlijk niet van de hand van Adam, namelijk de variaties van Giselle in de eerste akte (Minkus) en de beroemde boeren-pas-de-deux (Burgmüller).
Dit scenario werd door Jean Coralli in dans omgezet (hij danste zelf de rol van haar landelijke minnaar Hilarion). Het was de bedoeling om de rijzende Italiaanse sterballerina Carlotta Grisi alle kansen te geven om te schitteren. Haar minnaar Jules Perrot arrangeerde alle scènes voor haar. Albrecht werd gedanst door Lucien Petipa.
Lucien Petipa (1815-1898) was the brother of the famous balletmaster of the Russian Imperial Ballet (late eighteen-hundreds), Marius Petipa. He was born in Marseille and died in Versailles.
He originated many of the principal male roles during the Romantic era, working with choreographers, for example Jean Coralli among others. In 1865, he became maitre de ballet of the Paris Opera.
Men noemt dit dan de “balletsblancs” omdat er bijna uitsluitend in het wit wordt gedanst met pointes en tutu’s. Van 1831 tot 1844 werkte hun vader Antoine in de Munt, waar dan ook Marius af en toe optrad.
Toen Perrot door de Parijse opera niet werd vergoed voor zijn bijdrage, reisde hij naar Sint-Petersburg, waar hij tweemaal “Giselle” ensceneerde (eens voor Fanny Elssler, die als dramatische danseres vooral haar stempel zou drukken op het waanzinstoneel, en nogmaals voor Grisi), telkens geassisteerd door Marius Petipa, de broer van Lucien. Ook hij had trouwens de rol van Albrecht nog gedanst in Sint-Petersburg, een jaar voor Perrot daar was gearriveerd. Toen Marius in 1862 tot balletmeester van de keizerlijke theaters werd benoemd, bleef “Giselle” een van zijn geliefkoosde werken, waaraan hij echter steeds enkele veranderingen aanbracht, zodat men rond 1884 kon spreken van een eigen bewerking. In 1899 debuteert in St.Petersburg ongetwijfeld de beroemdste Giselle: Anna Pavlova.
Een beroemde uitvoering van de originele versie werd nog in 1910 gebracht in Parijs met Tamara Karsavina en Vaslav Nijinsky in een productie van Sergei Diaghilev (1872-1929), maar toen in 1918 Nikolay Sergeyev, de laatste “keizerlijke” regisseur, de pas gevormde Sovjetunie ontvluchtte, nam hij de aantekeningen van Petipa mee, zodat die van dan af de basis zouden vormen van alle “Giselle”-ensceneringen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s