Het is al een jaar geleden dat de Antwerps-Gentse schrijver Jef Geeraerts op 85-jarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van een hartaanval. Toevallig (of niet?) werd juist vandaag ook bekend gemaakt dat de drie kinderen uit zijn eerste huwelijk (zie verder) naar de rechtbank stappen om het testament te betwisten, waardoor het grootste deel van zijn nalatenschap naar het bevriende homo-echtpaar Erwin Mortier en Lieven Vandenhaute zou gaan…

Zijn literair belang is altijd omstreden geweest. Een aantal critici en lezers (waaronder ikzelf) zijn/waren diep onder de indruk van de eerste Gangreen-boeken, die – ook literair-technisch – een uiting waren van een onstuitbaar vitalisme, maar een aantal andere critici en vooral machthebbers (zie verder) vonden dan weer dat het pure pornografie was en wilden het werk in beslag laten nemen. Diezelfde verdedigers van Geeraerts konden het dan anderzijds weer niet verkroppen dat toen Geeraerts zijn verleden van zich had afgeschreven (de primordiale bedoeling van de Gangreen-boeken, daarom kregen ze trouwens ook die titel mee), hij zich op de misdaadroman ging toeleggen, iets wat zij als pure consumptieliteratuur afdeden. Toch moet men kunnen toegeven dat hij ook in dat genre soms hoog scoorde.
67 jef geeraertsOver de jeugd van Jef Geeraerts wordt niet vaak gesproken. Uit “Gangreen 3: in het teken van de hond” leren we dat hij naar het Gentse jezuïetencollege Sint-Barbara is geweest. Vic De Donder (zelf leerling van het Sint-Lievenscollege in dezelfde stad, nadien van het Benedictijnencollege in Dendermonde) besteedt in zijn “Kom eens naar mijn kamer” (Elsevier, 1986) twee volle pagina’s (163-164) om Geeraerts’ “spuwen” te weerleggen (“toch spreken talloze oud-leerlingen van jezuïetencolleges met grote waardering over hun opvoeding. Nergens heb ik iets gelezen over ‘de rare geest’ die er volgens Geeraerts op het gebied van de menselijke betrekkingen zou hebben geheerst”), terwijl zijn boek nochtans vol staat van voorbeelden dat “niet alle leraars toonbeelden van eerlijkheid en zachtzinnigheid” waren, dat “de gegoeden en de intelligenten vaak een voetje voor” hadden, ja “over de gewoonte elkaar te kleineren, uit te jouwen.”
Zelf heb ik Geeraerts als zodanig ook nooit over zijn jeugd aangesproken, maar ik heb hem wel eens n.a.v. een Jeugdboekenweek gevraagd wat hij las in die periode. “Goh, ‘Pietje Bell’. Die deed dingen die ik niet durfde natuurlijk. Het mocht niet, dus deed ik het ook niet. Zo’n jongensclub oprichten en geheime samenzweringen houden in keldertjes en fratsen uithalen die eigenlijk niet door de beugel konden. En dat was voor mij dus een projectie. Ik kan echter wel goed begrijpen dat de jeugd van nu daar niks meer aan heeft.”
Zelf was ik, eerder als opgroeiende tiener dan als kind, wél altijd lid van een “jongensclubje”. En dat moest dan altijd uit vier leden bestaan. Gezien de tijdsomstandigheden denk je dan meteen aan The Beatles, maar ik denk dat het meer te maken had met de vier Cartwrights van Bonanza. Op een bepaald moment modelleerden wij ons groepje zelfs op vier oudere buurjongens die ieder zeer specifiek de hoedanigheid van één van de Cartwrights hadden aangenomen. Maar goed, de Blommenkinders waren dus met vier, maar ook de collegejongens die naar de Gentse universiteit gingen, waren met vier en toen ik in de Germaanse bevriend werd met Constant De Neve (omdat hij het langste haar had van heel ons jaar) diende ook hij zich te integreren in een groepje dat alweer tot vier werd herleid. Toen Johan de Belie, in dat groepje beter bekend als “Adhemar”, op een bepaald moment in de kliniek lag, maakte ik een collage waarop Stanne als Filiberke stond afgebeeld, Edwin Thoen als Nero en ikzelf als Jommeke. En Stanne gaf hem toen als geschenk “De zeven doeken der schepping” van Jef Geeraerts. Ongetwijfeld was dit geïnspireerd door het feit dat Jean-Pierre De Decker daar halfweg de jaren zestig de regie van had gedaan voor het Centrum voor Nederlandse Dramaturgie. “Dat kwam vlak na Claus’ schandaal in Knokke met de drie blote mannen op toneel. In het Paleis voor Schone Kunsten heb ik dat toen overgedaan, de eerste naakte man en vrouw op de scène, ze zijn aan ’t vrijen, en ik had dan ook een acteur in een politiekostuum gestoken, en die liet ik hen inrekenen. Schrijft Het Volk: Het blijkt dat men aan Knokke nog niet genoeg had, nu toont men ook in Brussel naakt op de scène. Gelukkig was er politie bij de hand om de acteurs meteen af te voeren.” (De Decker in Humo)
JEF GEERAERTS, DE MAN MET DE ZWEEP
Toen Jef Geeraerts de staatsprijs kreeg voor “Black Venus”, werd merkwaardig genoeg het boek haast tegelijk uit de handel genomen door Alfons Vranckx, toenmalig minister van justitie. In de jury was de socialist Piet Van Aken uit verontwaardiging opgestapt, dit in tegenstelling tot de katholieke professor Marcel Janssens. Ook andere katholieken zoals André Demedts en Albert Westerlinck verdedigden het boek, maar de grootste supporter was Marnix Gijsen die in Humo liet optekenen: “Mensen lief, daar zijn wij allemaal kleine mannetjes tegen, zowel in Nederland als in Vlaanderen.”
Jef Geeraerts tegen Fred Braekman in Knackweekend: “Ik had van Frans Van Mechelen in 1969 de Driejaarlijkse Staatsprijs gekregen en die verdedigde zich op aanvallen met het argument dat hij het boek nooit gelezen had. Hij had toen ook al verklaard dat hij niets van cultuur afwist. Ik moest als laureaat ook in de jury van de volgende prijs zitten en ik heb dat geweigerd omdat ik dat corrupt vond. Jonckheere en Daisne hebben elkaar op die manier de prijs toegeworpen. Bijna drie maanden lang is die rel in de pers geweest en waren er interpellaties in Kamer en Senaat. Dat gebeurt niet vaak voor een boek. Als die rel er niet zou zijn geweest, dan was ik zeker minder bekend geworden. Als dat nu zou gebeuren, had ik stukken meer boeken verkocht, toen heeft het vooral geholpen om mij bekend te maken. Ik was toch al veertig.”
Zijn tegenstanders bleven echter spreken van een “staatsprijs voor pornografie”. En dat waren niet altijd mensen van rechtse signatuur. Renate Rubinstein b.v. schreef over “Black Venus” in NRC: “Als er boeken zouden bestaan die verboden moesten worden, dan is dit er één.” En Herwig Leus voegde eraan toe in Het Parool: “In een samenleving waar auteurs gelauwerd worden die het neerschieten van negers verheerlijken omdat het toch maar bavianen zijn, maakt ‘Mein Kampf’ best nog een kans.”
En voor wie denkt dat het toch allemaal al zo lang geleden is, Jef Geeraerts heeft begin januari 2013 nogmaals kwaad bloed gezet met een uitspraak op Radio 1. In het programma De ochtend stond de auteur telefonisch presentator Joris Vergeyle te woord voor een item over de dreigende sloop van de Charleville, de laatste Congoboot die voor de verbinding tussen Antwerpen en Matadi zorgde. Vermits Geeraerts als oud-koloniaal de verbinding geregeld gebruikte, werd ook hij gepolst naar verhalen over het schip. De 82-jarige schrijver bleek aan zijn vaartochten vooral goede herinneringen over te houden vanwege amoureuze vonken. Hij beschreef hoe hij scharrelde met een passagier, terwijl zijn vrouw ziek in bed lag. Even later beschreef Geeraerts hoe hij in Congo, leunend over de reling van het schip, een “prachtige negerin” bemerkte. “Ze maakte een wellustige beweging met haar tong, maar ik kon niet naar beneden”, vertelde hij. En daarna: “Wat kun je nu met een neger doen?” Hij vulde aan: “Ge kunt daar toch geen liefdesverhouding mee aangaan?”
Op 19 april 2010 stond er in Het Nieuwsblad een interview met zijn dochter Ilse n.a.v. de reportage die Lieven Vandenhaute met Jef heeft gedraaid voor Canvas t.g.v. de vijftigste verjaardag van de Congolese onafhankelijkheid. Ilse (nu eveneens vijftig jaar) verwijt de reportagemakers dat ze een veel te positief beeld ophangen van haar vader. Dat er een feestje werd gebouwd toen Geeraerts opnieuw opdaagde in zijn toenmalige woonplaats schrijft zij op rekening van het doorbreken van de alledaagse ellende: “Het is altijd feest als je arriveert in een dorp waar nooit blanken komen. Alleen al omdat zo’n gebeurtenis de kans biedt om te ontsnappen aan de ellende van elke dag. Ik had graag gehoord wat die mensen echt dachten van de oud-koloniaal die weerkeert naar de plaats waar hij al die mensen heeft afgeranseld.” Geeraerts’ bijnaam was inderdaad “de man met de zweep”, dat heeft hij zelf niet weggemoffeld in de reportage, integendeel, hij is er fier op: “Zonder kon je niets bereiken. Ze zijn niet gedisciplineerd en werken doen ze zo weinig mogelijk.”
Als koloniale ambtenaar heerste Geeraerts als chef de région over een gebied groter dan een Vlaamse provincie, waar hij instond voor het onderhoud van de wegen, het innen van de belastingen, de rechtspraak en de controle op de landbouw. Hij was toen gehuwd met Josée Swaelen, waarmee hij in 1954 naar Congo was vertrokken. In Congo zelf had hij – zoals we vooral uit “Black Venus” leren – diverse liefjes (“Het zijn wilde beestjes, ze geven zich totaal over”), waaronder vooral Julie Yenga, die – zoals bleek uit de reportage – ondertussen is overleden.
In Humo van 20/4/2010 vertelt Jeroen Brouwers bovendien: “Ik zag Jef ook met een herdruk van Black Venus in zijn handen, met die prachtige naakte negerin voorop. ‘Dit was mijn geliefde!’ zegt hij ergens in een interview. Dan denk ik: schei toch uit! Want dat was gewoon een model, gefotografeerd door een meneer uit Den Haag.”
Na zijn vertrek uit Belgisch Congo in augustus 1960, heeft Geeraerts Germaanse gestudeerd en zich in de letterkunde heeft gestort: “Kort na mijn terugkeer in België kreeg ik geelzucht. Dat was een geschenk uit de hemel. Ik moest 21 dagen in quarantaine in het Tropisch Instituut van Antwerpen. Op een dag kwam er een zwarte student binnengewandeld. Hij kwam uit Kongo en ik vroeg wat zijn plannen waren na zijn studies. Wel, vóór de onafhankelijkheid had die jongen twee vrachtwagens medicijnen kunnen achterhouden van de arts bij wie hij werkte. Die buit had hij opgeslagen in zijn dorp, en daar wilde hij nu als dokter veel geld gaan verdienen. Zo had ik mijn eerste verhaal, waarin ik tegelijk de typische Afrikaproblematiek kon verwerken. ‘Ik ben maar een neger’ (1962) was dus gebaseerd op feiten, maar het leest als een roman.” (Zone 09, 20/10/2004)
In DS Magazine van 29/8/1997 vat Geeraerts de eigenlijke drijfveer voor het therapeutische schrijven nog eens samen: “Ik ben niet bang van de dood, wel van het sterven. Die angst groeit nog met de jaren. Niet dat ik constant op mijn stoel zit te beven, maar de weerzin om afscheid te nemen van dit prachtige leven verlamt me. (…) Meer nog dan de sterfangst is het wellicht de levenshonger die me parten speelt. Dus probeer ik elk moment te drinken op een Japanse, geconcentreerde manier.”
Korte tijd nadien is Geeraerts “zonder omkijken weggereden bij zijn gezin,” aldus Ilse in Het Nieuwsblad van 19/4/2010. “Uit Schotland hebben we nog een kaartje gekregen: Ben vertrokken. Good luck. En dat was het. Mijn moeder had geen werk, we hebben toen echt zwarte sneeuw gezien.”
Nog later heeft Geeraerts zijn drie kinderen “geschrapt uit zijn leven”. Dat moet men vrij letterlijk nemen, alhoewel ik mij niet goed kan voorstellen wat men onder de juridische term “verstoten” moet verstaan.
In de zomer van 1961 begon Jef Geeraerts aan zijn tweede roman. Op een nacht, in het ongelukkige huwelijksbed, schoten hem de titel en de eerste regels van het boek door het hoofd : „Schroot. Harry steekt de zandweg over…” De roman verscheen twee jaar later bij de Amsterdamse uitgeverij P.N. van Kampen, die in 1962 Geeraerts’ debuut “Ik ben maar een neger” zou publiceren.
Voor de petite histoire : Van Kampen (“de Nederlandse uitgever van Willem Elsschot“, aldus Geeraerts) gaf ook nog een derde boek van Geeraerts uit, „Zonder clan” (1965), maar daarna zocht deze zijn heil bij het huis Manteau, zijn huidige uitgever. Manteau kreeg nochtans als eerste de kans om “Ik ben maar een neger” te publiceren, maar Geeraerts vond dat hij door de toenmalige Manteau-onderdirecteur Jos Vandeloo (!) wat te nonchalant werd behandeld. (*)
DOLLE JEF BINDT DE VROUWEN DE PENIS AAN (**)
“Een vrouw die geen genot kan voelen is niet waard dat ze leeft.” (p.34)
“Een vrouw die de eerste huwelijksnacht in het donker wil doorbrengen wordt vroeg of laat verraden.” (p.50)
“Ik denk wel dat ik uiteindelijk voor het huwelijk geschikt ben, op voorwaarde dat de echtgenote een hete donder is die zich van de rest van de wereld zo weinig mogelijk aantrekt.” (p.55)
“Vrouwen zoals ze moeten zijn, nauwkeurig afgestelde, soepele machines, speciaal geconstrueerd voor de eredienst van de Fallus.” (p.109)
“Wéér eens had ik het bewijs dat de vrouw essentieel een kut is als het erop aan komt.” (p.94)
“Ik voelde me bevuild omdat ik tegen de mannencode had gezondigd met een primair wezen dat iedere vrouw ten slotte is. Hoewel ik er altijd had, besefte ik toen voor het eerst dat ik eigenlijk niet van vrouwen hield…” (p.98)
Een zekere Rina Spooren reageerde dan ook met “Heet koudvuur: Black Priapos”. Volgens de reclametekst is het “een onbeschrijfelijk boek. Open, brutaal-eerlijk, heidens, epicurisch en volkomen schaamteloos. Een vrouw in Kongo die het aandurfde het klimaat, de passies, het ongetemde van het land in zich op te nemen. En die het nu bruisend uit zich laat gulpen. Mannen mogen boeken schrijven over de zwarte vrouw, een lustobject, en krijgen daar literaire prijzen voor. Rina Spooren heeft echter de uitgeverijen plat gelopen om haar werk gepubliceerd te zien. De zwarte man, lustobject van de blanke vrouw. Er zouden moeilijkheden van komen, de publieke opinie was niet rijp voor zulk boek. Literaire pornografie is immers een mannenaangelegenheid, vrouwen zouden het eigenlijk niet eens mogen lezen. Het is tenslotte een marginale uitgeverij (Univers Boekhandel, Hundelgemsesteenweg 310, 9220 Merelbeke) die het aandurft dit overweldigende boek uit te geven, rauw, teugelloos, er zijn geen woorden voor. Niets of niemand wordt gespaard. De missionaris, de wereldvreemde non, de geëvolueerde neger, de koloniaal. Niets wordt verborgen. De zwarte hoertjes, geheime riten, wilde zinnelijke uitspattingen, gruwelijke wreedheden. Een boek om zelf te lezen. Om het vol afschuw weg te gooien. Of om er door gefascineerd te worden. Rina Spooren treft de heren der schepping op hun zwakste plaatsen. In hun trots. En in hun broek.”
En in zekere zin heeft natuurlijk ook Mireille Cottenjé op haar manier gereageerd tegen de geschriften van Jef Geeraerts, vooral dan op de met haar beleefde “Indian summer” (in haar versie “Eeuwige zomer”, beide uit 1969), al blijkt anderzijds vooral uit “Dagboek van Carla” dat ook Cottenjé tot het vitalisme mag worden gerekend.
BACH IS NIET GOED GENOEG VOOR CONGO
Ik gebruikte al die citaten toen prof.Van Elslander ons vroeg een essay te schrijven over “Black Venus” (of was het nu over “eender wat” en had ik “Black Venus” gekozen?) en hij zei in de les dan ook dat hij al uitkeek naar het resultaat. Helaas, dat was een enorme tegenvaller. Blijkbaar had ik al mijn energie gestoken in het opzoeken van die citaten en die dan tot een speelse titel te herwerken, want verder geraakte ik niet. Ik voegde dan maar al mijn suggesties samen, maar zo krijg je geen essay natuurlijk, laat staan een goed essay. Een terechte buis was dan ook mijn deel. Maar aangezien ik me heb voorgenomen om àlles te publiceren wat ik ooit heb geschreven, zal ik mezelf niet ontzien en ook dit onding op mijn blog zetten.
“De volgende morgen reed ik naar Antwerpen en kocht er een pick-up en Archiv-platen van Bach, ik zei dat ik vermoeid was van de reis en de winpokken en dat ik alleen wou zijn, ik sloot me op in de vertrouwde kamer met de geweren, de zadels en de donkere eiken lambrizeringen, stak de open haard aan en maakte me twee dagen lang week en ziek met Bach…” (p.58)
Het is een onderdeel van Jef Geeraerts’ filmisch schrijven in “Black Venus” dat hij zijn “regie-aanwijzingen” (“vertraagde film”, p.62; “Fellini-licht”, p.110; “een stadje uit een Far Westfilm”, p.114; “hij deed me denken aan Anthony Quinn”, p.119; “zoomlens”, p.136; “close-ups”, p.178) laat vergezeld gaan van een passend muzikaal thema. Gans zijn boek is trouwens als het ware geschreven op het ritme van de tamtams.
De gejaagde stijl verandert dan ook helemaal in een rustig, weeïg deinen, wanneer het toneel zich verplaatst naar België. Het is hier dat hij zich wendt tot Bach, want het precieuze kantwerk van Johann Sebastian Bach, een typisch – zij het brilliant – product van de Europese rationaliteit, is niet bestand tegen de oerdriften die sluimeren in het Congolese Evenaarswoud. Het is trouwens opvallend dat hij, wanneer Julie ziek is (p.206), wel de kans heeft om Bach te spelen, maar de voorkeur geeft aan Igor Stravinsky’s “Le Sacre du Printemps”, waarvan het gesaccadeerde ritme overigens de resteren vijf bladzijden blijft beheksen.
Is het Stravinsky-leidmotief letterlijk een overgang tussen het “primitieve” Congo en het “beschaafde” België, dan komt het bezwerende ritme van Ravels “Boléro” pas ten volle tot zijn recht in het overweldigende natuurkader van het eerste, zoals blijkt uit het volgende citaat: “Toen ik de Bolero speelde, luisterde ze eerst aandachtig, ademoos en zei dan ‘Speel het nog eens’ en toen danste ze de Belero en ik geloof dat Ravel alleen reeds onsterfelijk is door de manier waarop ze danste, ik zat er kapot bij want opeens moest ik denken aan Mbala” (p.101-102).
Is dit verwonderlijk als men weet dat Ravel gefascineerd was door jazz, de muziek van een ontworteld volk, de heimwee-muziek bij uitstek?
Jef Geeraerts verteert ook van heimwee naar dit zwarte continent, waar men het contact met de Natuur-met-hoofdletter nog kan opsnuiven en men de Congostroom als het ware in zijn aderen voelt voorbijsluimeren met het trage ritme van een polsslag. Het is duidelijk dat Jef zijn frustraties moet uitschrijven. Als zijn pen leeg zal zijn, zal hij getormenteerd als een dove Beethoven of een krankzinnige Van Gogh zijn leven moeten slijten of, als hij de moed heeft zijn voorspelling in te volgen, zelfmoord plegen. De heimwee-passages zijn de beste uit het boek, maar ze zijn ook met een grote emotionaliteit geschreven (en eigenlijk juist dààrom te beste), zodanig dat een koele, beredeneerde bespreking tot het Rijk der Onmogelijkheden behoort. Het liefst zou ik feitelijk Jef Geeraerts zelf aan het woord willen laten met een collage van citaten (een niet te onderschatten onderneming), maar dit wordt gewoonlijk niet aanvaard als een volwaardige verhandeling.
Dit heimwee culmineert in zijn herinneringen aan Mbala, de verpersoonlijking van de zwarte vrouw, van de ongerepte natuur, van Congo. De kosmische vervoering die hij de eerste nacht dat ze samen geslapen hebben ervaart, uit hij dan ook als volgt: “Ik ging naar buiten, de Eerste Man, en ademde diep in.” (p.38)
Bijbelreferenties, en dan vooral naar het Oude Testament, zijn trouwens legio in Geeraerts’ werk. Niet te verwonderen, daar het Oude Testament een corresponderende oertijd beschrijft, met z’n ontbonden passies en losgelaten hartstochten. Voor Geeraerts is het Paradijs Sodomma en Gomorra.
Het citaat doet me tevens heel sterk denken aan Lady Chatterley die in naarke verrukking met haar “game-keeper” in de regen danst en coïteert. Bij D.H.Lawrence zijn natuurbeleving, erotische extase en kosmische vervoering ook immers één. Geeraerts’ beschrijving van de inwijdingsritus vormt overigens juist door deze volmaakte drieëenheid één der hoogtepunten van het werk.
Ik vind dat ik het best kan besluiten zoals ik begonnen ben, namelijk met een citaat, waarin Jef in zijn (volgens mij) onovertroffen stijl in feite in een paar regels de volledige inhoud van deze verhandeling weergeeft: “daarna gaf ik Mohongu het bevel, dadelijk de bagage in te pakken en een uur daarop reed ik weg, zonder de demijohn palmwijn te hebben aangeraakt, die de clan als tegengeschenk had gestuurd, hierdoor overtrad ik bewust de erecode, maar ik moest iets definitief vernielen om niet kapot te gaan van heimwee naar een wilde tijd die onbereikbaar in het verleden lag…” (p.103)
83 briefje van Jef GeeraertsZO IS HIJ EEN GOEDE MOORDENAAR
“Op blz.186 van Gangreen 1 (Black Venus) staat: ‘De periode van 22 april 1959 tot 16 maart 1960 sla ik over. Later misschien zal ik er over schrijven, of misschien niet…’
Een literaire truuk om een militair intermezzo te lichten uit een fuga voor erogene instrumenten. Terzelfdertijd een vergrotende suggestie, omdat er toch al pittige staaltjes in 1 staan.
Nu klinkt trompetgeschal. Nu spreekt de heraut met gekwelde tong zijn hoge verhaal: Gangreen 2 (De Goede Moordenaar).
Een verhaal over luitenant Geeraerts die, enkele maanden voor Zaïre’s onafhankelijkheid, een opstand onderdrukt. Een verhaal over Geeraerts die het met vrijen, jagen, doden en ‘bewust leven’ een jaar lang drukker heeft dan een vlo op een dik wijf. Een verhaal, geschreven in de buurt van een lijkenhuisje. Een Bosch van vreselijke bomen. Moraal van het epos: ja, Marnix Gijsen heeft gelijk, het leger maakt van een jongen wat het bordeel maakt van een meisje. (…) De stralende held, een rekwisiet van gisteren, een fictie van snoevende reactionairen.
Geeraerts valt door deze illusie, zonder ze te kunnen opgeven, probeert ze te redden, glanzend te restaureren, als een echte volksschrijver. Want hij belooft wat enkel nog ook al in diskrediet geraakte politici beloven: heling van alle complexen zonder berouw. (…) De verheerlijking van het actieve leven tierde eens welig (Hemingway, Miller, Malraux) in anti-democratische en anti-intellectualistische beddingen van fascistische of communistische aarde. Geeraerts had zich vóór WO2 nog beter kunnen verkopen en zich nog beter verkocht geweten.” (***)
Dit zijn dus de woorden van Gilbert De Swert, want zelf zou ik uiteraard nooit “fascistisch” en “communistisch” in een juxtapositie gebruiken. Maar voor de rest kan ik me wel in deze omschrijving vinden. Voor eigen gebruik maakte ik de volgende nota: “Een literair minder geslaagd werk dat de demystificatie van ‘held’ Geeraerts verder zet (let wel: bij de lezer, niet bij hemzelf). Vooral op p.191 en 318. Dit wordt slechts in geringe mate gecompenseerd door de ‘lof der liefde’ op p.272. Overigens is gans de My-historie (hysterie) één grote mislukking met een stream of consciousness van de Nachtvogel als toemaatje erbij op p.103 e.v. Nochtans vat ‘zij’ (hijzelf natuurlijk) Geeraerts’ karakter en literaire richting goed samen op p.102. Tot mijn grote ergernis wordt Mie (!) tot tweemaal toe vergeleken met Benoits Antinea (p.92 en 126).
Tot slot nog dit: voor wie het nog niet gemerkt had in Gangreen 1, voor Geeraerts bestaan er twee soorten wezens van het vrouwelijke geslacht, de ene zijn teefjes of wijfjes en de andere vrouwen of dames.”
Later zou ik een passage uit “De goede moordenaar” vertalen voor de Engelse versie van mijn rock-opera “De Kat”. Hierbij vindt men de “briefwisseling” hierover tussen Jef en mij. En nog later (in 1982 met name) zou ik hem nog eens telefonisch interviewen over dit boek in de Rode Vaan-rubriek “Aan het lijntje” naar aanleiding van… de Waaslandwolf!
« … de apotheose kwam vrij snel, na ongeveer een kwartier, op het ogenblik dat zijn geslachtsorgaan met twee rukken werd afgesneden, soldaat tweede klas Antoine Kanza van de stam der Bakongo stierf toen bij bewustzijn aan bloedverlies, op twaalfhonderd kilometer ten oosten van zijn geboortegrond, de laatste klanken die hij voortbracht waren aa-aa !, aa-aa !, wat maa-maa ! betekende, maar zelfs zijn moeder zou het niet meer verstaan hebben, want toen had hij zelfs geen lippen meer, toen hij dood was, werd zijn hoofd afgehakt, de armen, de benen, en alles werd bij de vier Baluba op een hoop gegooid, en toen werd de mars hernomen … »
Aan het woord is Jef Geeraerts in het tweede boek van zijn Gangreen-cyclus, « De goede moordenaar » (Manteau, vijfde druk, 1972, blz.253). En de overgang klinkt misschien wat oneerbiedig maar toch moesten we bij de gruwelijke, zinloze moorden op runderen in het Land van Waas aan deze auteur denken wanneer we iemand zochten om in deze rubriek enige kanttekeningen bij deze misdrijven te maken.
— U gaat akkoord met de thesis dat het hier lustmoorden betreft ?
Jef Geeraerts
: Dat weet ik niet. Ik denk dat het eerder sadisten zijn. Een lustmoord, als we dat analyseren op criminologisch gebied dan is er ook een geslachtsdaad mee gemoeid en ik weet niet of dat dáár het geval is. Als dat zo zou zijn, dan heeft men volgens de « Psychopatia Sexualis » van Dr. Kraft Ebing ook te maken met bestialiteit. Als je het zo ver wil drijven natuurlijk, want je valt me op de nek met dat mooie « lustmoord ».
— « Het Nieuwsblad » pakte daar vorige week maandag op de voorpagina mee uit…
J.G.
: Als een lezer nadenkt, een lustmoord op een dier, dat bestaat, maar dan zouden ze dat zeer zeker moeten weten of dat hier het geval is, denk je niet ?
— Als we nu aannemen — wat ook het meest aannemelijke is — dat er geen geslachtsdaad werd gepleegd, zou u dan als u een psychologisch portret van de vermoedelijke daders zou moeten schetsen, niet menen dat er naast het pure sadisme ook een zekere wellust mee gepaard gaat ?
J.G.
: Dat weet ik niet. Ik was daar niet bij, hé ?
— Maar we bellen niet zó maar naar u, uit uw boek « De goede moordenaar » onthouden we toch dat bij het martelen en zo een seksuele prikkeling optreedt ?
J.G.
: Maar dat is op mensen, hé, en bovendien 23 jaar geleden. Ik ben nu helemaal anders.
— We hebben het ook niet zozeer over uzelf maar hoe het in het boek beschreven staat…
J.G.
: Toch wel, dat betreft mijzelf. Maar eigenlijk zou ik mij nog niet zover willen wagen met verdenkingen. Er zijn ook beesten gestolen. Dus, wat zit daar achter ? Eén man ? Een bende ? Is dat een psychopaat die rondloopt met een mes ? Iemand die beesten doodt en poten afsnijdt en martelt en zo ?
— Heeft het iets te maken met de economische depressie denkt u ?
J.G.
: Ah nee, want dan zouden ze die beesten gewoon deskundig opladen.
— Gaat u het van nabij volgen zoals u dat ook met de zaak Horion heeft gedaan ?
J.G.
: Oh maar zo erg is dat niet, dat is gewoon correctionele rechtbank, dat is niet zo belangrijk. Ik denk echter wel dat er veel zal over worden geschreven, omdat het nogal marginaal is, nietwaar ? Maar ze zullen hem proberen zot te verklaren natuurlijk.
— Er wordt gesproken van het oprichten van een « boerenwacht ». Op het eerste gezicht lijkt dat normaal, maar dan ben je op één stap van allerlei gewapende milities die de kop opsteken…
J.G.
: Het veemgericht, jaja. Maar de politiecommissaris geeft hun raad daar in Belsele, hé. Ik denk dat die vooral willen dat dit eindigt omdat hun veestapel in gevaar is. Een boer zijn geld, zijn grond en zijn beesten, daar moet je niet aankomen. Dat is een heel natuurlijke refleks vind ik, ik zou ook zo zijn. En men zegt : je mag geen wapens dragen, maar ik denk dat ze verdomme allemaal met een tweeloop rondlopen en dat ze eerst zullen schieten en daarna pas zeggen « handen omhoog » of zoiets.
— Dit soort misdrijven duikt af en toe wel eens op en dat zal dan overal wel een beetje het geval zijn, maar toch kunnen wij ons niet van de indruk ontdoen dat het méér voorkomt in het Land van Waas. U woont nu in Gent, vroeger in Antwerpen, het Waasland ligt daar zowat plompverloren tussenin…
J.G.
: Ja, ik ken dat nogal goed, maar is dat niet omdat de Hollandse grens tamelijk dichtbij ligt ? Ik meende toch gelezen te hebben dat zij ook beesten opladen en slachten over de grens ? Maar ik weet niet of dat hier het geval is, ik ben niet op de hoogte van de details van het dossier. Ik ben zeer voorzichtig geworden daarin. Als het echter één of meer kerels zijn die dat zo maar doen, gratuit, dan zijn dat psychopaten hé. Kerels die zich willen amuseren, die zich willen afzetten tegen boeren. Of is het een haat tegenover bepaalde families ? Ik weet het niet. Ik wil alleen maar oordelen als die kerels gepakt worden en ondervraagd.
— Bent u zó veranderd dat zo’n zaken u nu koud laten ?
J.G.
: Ah nee, natuurlijk niet, neeneenee. Het interesseert mij enorm. Als je zoiets doet, dan mag je al zeker zijn van een bepaalde graad van psychopatie of sociopatie, zoals de Amerikanen zeggen : mensen die moeilijkheden hebben met de samenleving en die zich dan wreken op dieren. Kom, eigenlijk beter op dieren dan op mensen, hé, vind je niet ?
JEF GEERAERTS: BOURGEOIS WEL, MAAR LINKS? (****)
Geeraerts werd over het algemeen vrij vlug ontmaskerd als “een burgerman die de feodale veldheer wil uithangen” (Bert Brouwers bij zijn bezoek aan Germania in 1972), ook door Johan Soenen, de ex-echtgenoot van Eleonore Vigenon, de “levensgezellin” van Geeraerts, in “Neergang”. (*****)
Een ontluistering van de “stoere” Jef Geeraerts vindt men ook in het boek “Magie van woord & woud” van Willy Van Poucke (p.89-93). De anekdote werpt een blik achter de opname van een documentaire over Geeraerts en aangezien Willy Van Poucke jarenlang op de persdienst van de BRT heeft gewerkt, mag men wel aannemen dat wat hier verteld wordt, waarheidsgetrouw is.
VINCKE EN VERSTUYFT
Geeraerts verklaarde zichzelf na vier Gangreen-boeken “genezen” en wierp zich vanaf 1979 op detectiveverhalen rond de progressieve commissaris Eric Vincke die terzijde wordt gestaan door de nogal rechtse Freddy Verstuyft. In 1986 kreeg hij zelfs de eerste Gouden Strop die ooit werd uitgereikt voor “De zaak Alzheimer”, veel later verfilmd door Erik Van Looy.
Met « De trap » was Jef Geeraerts al aan zijn vijfde « krimi » toe, maar toch was het de eerste in dat genre die we van hem in handen kregen. Aangezien wij destijds nog voor een examen van Nederlandse literatuur zijn gezakt omdat we « Black Venus » zo goed vonden, werd er bij de overhandiging meteen aan toegevoegd : « Stel er u maar niet te veel van voor ». Nu, dat doen we gewoonlijk niet bij dat soort literatuur, daarom misschien dat « De trap » eigenlijk nog best is meegevallen. Neen, Jef krijgt van ons zeker geen trap na !
« Akkoord », horen wij u denken, « maar is ‘dat soort literatuur’ toch niet een té pejoratieve term en dus… ? » Zo is het alvast niet bedoeld. Wij rangschikken « krimi’s » op de eerste plaats onder ontspanningsliteratuur en als zodanig hebben wij er reeds uitgebreid onze mening over gegeven in de reeks die wij er destijds aan hebben gewijd (rv nr. 45 van 1982). Alles wat erbij komt, is in onze ogen meegenomen. Maar, eerlijk gezegd, in tegenstelling tot andere vormen van ontspanningsromans is dat bij « krimi’s » veel minder het geval. Een man als Edgar Allan Poe b.v. stijgt met z’n griezelverhalen wel boven het genre uit, maar in zijn « detectives » (zoals de fameuze « Moorden in de Rue Morgue ») slaagt hij daar toch ook niet echt in. Ten hoogste mag je misschien naast de zuivere misdaadstory een gedegen schildering van het sociaal-economische milieu verwachten, zoals bij de Zweden Sjöwall en Wahlöö.
Nu, dàt tracht Geeraerts dus ook te doen, maar aangezien zijn misdaadroman zich in een « beter gesitueerd » milieu afspeelt, blijft de lezer ook hier afstandelijk tegenaan kijken. Zelfs de « politieke » discussies tussen de « centrum-linkse » commissaris Vincke en de « centrum-rechtse » inspecteur Verstuyft, die het onderzoek naar de moord op de 58-jarige Jeanne Thalmann-Siemoens leiden, lijken er bij de haren bijgesleurd evenals de obligate seks-standjes die er via een verkeerd spoor ook in vóór komen.
Wat maakt er dan eigenlijk dat het boek tóch boeit ? Geeraerts’ heldere schrijfstijl, zonder twijfel. De authenticiteit, de rechtlijnigheid waarmee hij telkens op z’n doel afgaat, zelfs met verwaarlozing van de psychologische tekening van de dader. In tegenstelling tot een Simenon b.v., is Geeraerts — althans in dit boek — blijkbaar helemaal niet geïnteresseerd in de motivaties van iemand die op een bepaald moment besluit een moord te begaan. In dat opzicht is « De trap » de tegenvoeter van een roman van Fernand Auwera uit 1968 waaraan hij ons bij wijlen deed denken (en niet enkel omdat de hoofdfiguren hierin ook een schilder en een « Eva » zijn), nl. « In memoriam A.L. ». Tegenvoeter in die zin dat Auwera meer aandacht heeft voor de psychologie, maar er dan ook de nauwkeurigheid van zijn verhaal aan opoffert. Overigens heeft diezelfde Auwera in « Het Laatste Nieuws » van 30 oktober jl. een smakelijke parodie geschreven op de tandem Vincke-Verstuyft…
Neen, voor Geeraerts is de verplichting alimentatiegeld te betalen aan een vroegere echtgenote blijkbaar voldoende om tot nogal ingrijpende daden over te gaan. Wat hemzelf meteen tot een potentiële moordenaar maakt, want in een interview van Carlos Alleene in « Het Volk » (ook al van 30 oktober) antwoordt hij op de (overigens nogal domme) vraag waarom hij eigenlijk blijft schrijven : « Om het hoofd financieel boven water te houden. Ik moet nog altijd alimentatie-geld aan mijn ex-echtgenote betalen ».
Ondanks het feit dat Geeraerts nu de facto van het « therapeutisch schrijven » is afgestapt, wil dat trouwens daarom niet zeggen dat hij volledig met zijn verleden heeft afgerekend. Wij herkennen hem immers zowel in de « superieure » Vincke, « een wandelende Winkler Prins » met een al even übermensch-achtige echtgenote, als in de schilder Rudolf Thalmann die in z’n tweede huwelijk een veel meer verfijnde levensstijl aankleeft en ook al zo’n barbiepop-met-hersens als echtgenote heeft. En dat natuurlijk terwijl het slachtoffer een lelijke kwezel is met snor die haar zieleheil in de handen van pastoors en Salvator-nonnen legt (al is dat laatste een actualisering onzentwege).
Hebben we nu nog niet te veel verklapt van de intrige ? We menen van niet. Want in dat opzicht is « De Trap » toch wel een merkwaardige « whodunit » (wie heeft het gedaan ?) : we zoeken 275 blz. lang naar een onbekende moordenaar, maar wanneer hij voor het eerst ter sprake komt (nl. op blz. 162), voelt men al met de ellebogen aan dat hij het is. In dat (over het algemeen wél interessante) vraaggesprek met Alleene zegt Geeraerts hier zelf over : « In een echte whodunit verschijnt de dader in het boek, zonder dat de lezer weet dat hij de misdaad gepleegd heeft. Ik bedoel: de stijl Agatha Christie waarbij je je afvraagt wie van de vijf verdachten het gedaan heeft. Ik doe dat niet. In mijn volgend boek zal men de dader, zonder hem te kennen, kunnen meevolgen in het begaan van zijn misdaden ». O.K., Jef, dat is dan meteen afgesproken voor volgend jaar op de Boekenbeurs!
Voor “Sanpaku” (1989), een misdaadroman rond een zeldzame cello, had Geeraerts informatie nodig over het intieme seksuele leven van homoseksuelen, zo zegt hij zelf. Daarvoor deed hij dan een beroep op Gerard Mortier. “Sanpaku” is het Japanse woord voor “doodsogen”, een duistere kracht die aan samoerai werd toegeschreven. Het werk is dan ook geen detectiveroman in de lijn van de andere boeken van Geeraerts, maar hoort bijna in het magisch-realisme thuis.
In juni 1992 zijn de detective-romannetjes van Geeraerts toch wel op een merkwaardige manier in het nieuws gekomen. Ene Walter Vlieghe, een 56-jarige nogal “opvliegende” werkloze, heeft zichzelf en zijn 60-jarige gewezen vriendin Marie-Louise Sablain vermoord in Zwevegem door het inspuiten van een gif dat hij op basis van het boek “Kodiak.58” had bereid. Net als het Chinese personage uit de roman vervaardigde hij met de bonen van de exotische ricinusplant, waarvan hij de zaden in een tuincenter kocht, een harsachtig product dat hij op een ochtend in de dij van zijn minnares spoot en daarna in zijn arm. Marie-Louise overleed slechts enkele dagen daarna, hijzelf bleef nog een tiental dagen in leven.
In 1994 stelde Roger De Neef de roman “De nachtvogels” van Jef Geeraerts voor in het Delbekehuis (Antwerpen). Hij haalde daarbij scherp uit naar Mieke Musschoot omdat ze Jef heeft genegeerd in een overzicht van het Vlaamse proza; Geeraerts antwoordt met: “Er groeit mos in haar navel”.
Blijkbaar heeft Geeraerts ook de gewoonte om teksten te “recycleren”. Toen eind 2004 “Geld” verscheen merkte Mike Denecker in Humo immers op dat bepaalde passages rechtstreeks uit “Gangreen 2” kwamen. Een week later reageerde Lieve Heyvaert in hetzelfde blad dat een fragment uit “De PG” (1998) op p.222-223 verdacht veel leek op een alinea op p.211 van “Romeinse suite” (1987). Alweer een week later voegde Pieter Servranckx eraan toe dat de stukken over de Vietnamoorlog in “De Ambassadeur” oorspronkelijk afkomstig zijn uit “Double face”.

Ronny De Schepper

(*) Marc Reynebeau, Denken is nooit goed, Knack, 22 augustus 1990.
(**) Alle citaten komen uit Jef Geeraerts, Gangreen 1/Black Venus, Brussel/Den Haag, Manteau, 1967, of uit Gangreen2/De Goede Moordenaar, zelfde uitgeverij, 1972.
(***) Gilbert De Swert, Zo is hij een goede moordenaar, Spectator nr.50, 9 december 1972.
(****) Gebaseerd op “Ik ben een linkse bourgeois” in Werk van Nu 2, Marnixpocket nr.45.
(*****) Eleonore schreef in 2007 zelf een boek “De Spoken van Jef Geeraerts”, wat een testament bleek te zijn, want een jaar later stierf ze aan kanker op 78-jarige leeftijd.

Referenties
Jan Draad, Jef Geeraerts aan het lijntje, De Rode Vaan nr.35 van 1982
Jef Geeraerts, De Trap, Antwerpen, Manteau, 279 blz.
Ronny De Schepper, Jef Geeraerts krijgt geen trap na, De Rode Vaan nr.51 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s