“Cinema Paradisio” herleeft op donderdag 14 april om 14 uur in de Emiel Naudtszaal in Temse. Soliste is An Lauwereins. Zelf heb ik An Lauwereins (die ik toen nog Anneke Lauwereins noemde) wel eens geïnterviewd in de fameuze “Boerinnekes” in Antwerpen (zie foto M.V.)…

Misschien staat ook Robert Stolz op het programma. “Er zijn nochtans grotere componisten dan Stolz,” zegt An Lauwereins tegen Guy Van Vliet in de Gazet van Antwerpen van 15 maart 2013. “Strauss en Lehar bijvoorbeeld waren virtuoos. Maar Stolz was enorm populair en omdat hij zo oud werd heeft hij een enorm oeuvre nagelaten. Daar zitten prachtige melodieën bij. Denk maar aan Im Prater blühen wieder die Baüme. Zijn nummers waren niet altijd hoogstaand maar het zijn prachtige melodieën, die de tand des tijds hebben doorstaan. Stolz heeft zo’n omvangrijk repertoire dat ik bij deze concerten altijd weer mooie en onbekende dingen ontdek! Operette is jammer genoeg een ondergewaardeerd genre en ik vraag me af wat de toekomst gaat brengen. Niet alleen operette, ook musical heeft het steeds moeilijker.”
Maar dan heeft An het blijkbaar over “echte” musicals, want voor de rest is het juist al “musical” wat de klok slaat! (Als je dat musicals kunt noemen, natuurlijk, daar heeft ze wel gelijk in.)
An Lauwereins is bij het Ballet van Vlaanderen begonnen in “West Side Story”. Toen zong ze de rol van Maria, terwijl ze tegelijkertijd in de Vlaamse Opera een bloemenmeisje was in “Parsifal”. Een halsbrekende combinatie die An (toen nog geen dertig) nochtans met glans doorstond. Daarna stond deze Antwerpse sopraan nog in “Broadway Baby”, “Dear Fox” en “Hollywood by night”. Heel deze samenwerking met het Ballet van Vlaanderen schijnt haar echter geen deugd te doen, want op jeugdige leeftijd konden we haar nog horen in Mozart en Verdi, maar de laatste tijd wordt ze daarvoor niet meer gevraagd.
Dat zangtalent heeft ze ongetwijfeld van haar moeder, Anne Lauwereins. An zegt hierover: “Mijn eerste opera moet ik gezien hebben toen ik zowat vier jaar was, denk ik. Ik ging telkens mee met mijn vader naar de generale repetitie. En dan was er ook nog het operetteprogramma op de zondagmiddag natuurlijk. Ik heb er dan ook altijd van gedroomd om later te zingen, maar toch heb ik verkozen om eerst een universitair diploma te halen. Toen ik 18 was, ben ik economie gaan studeren, maar in mijn achterhoofd speelde wel altijd de idee: als ik een kans krijg om te zingen, dan doe ik het. Daarom nam ik tegelijkertijd privé-zanglessen bij Maria Verhaert (op de foto in het midden tussen Jan Stroobants en Ghislaine Morèze in een scène uit “Het lange kerstmaal” van Paul Hindemith in december 1977). Ik ben daarover zeer tevreden. Zij leert je op een ontspannen manier zingen. Ze zal ook nooit een stem forceren, ze laat je echt geleidelijk aan groeien. Een stem ontwikkelen is immers niet enkel een technische zaak, ook je persoonlijkheid moet zich ontwikkelen. Na mijn diploma van licentiaat in de toegepaste economische wetenschappen ben ik vier jaar gaan werken in de bouwsector als jurist, maar ondertussen bleef ik zangles volgen. Tot ik op aanraden van een vriendin aan de auditie voor de belcanto-wedstrijd van de BRT heb meegedaan en van dan af is het allemaal vlug gegaan. Vandaar dat ik mijn vaste betrekking als jurist heb opgegeven.”
Ze vertelt het me in “de Boerinnekes”, zoals het café naast de Antwerpse opera destijds heette en misschien nu, na de verbouwingen, nog altijd. Ik wil van haar graag nog wat vernemen over haar moeder…
“Mijn moeder trad vooral op in operettes (op de foto samen met Jan Joris in “Kiss me Kate”). Dat was niet echt haar eigen keuze, maar vooral die van de artistieke leiding van de opera. Men vond dat ze een goed ‘postuur’ had om operettes te doen. ’t Ging haar ook heel goed af. Ze kon heel natuurlijk acteren, maar toch heeft ze er wel spijt van, denk ik, dat ze niet wat meer andere rollen kreeg toegeschoven. Vroeger was er hier in de Antwerpse opera een echte traditie van operette en die is nu verdwenen, maar ikzelf zou er zeker geen bezwaar tegen hebben om erin op te treden. Sommige operettes hoor ik echt heel graag. En ik vind ze ook heel plezant, omdat men er, net zoals in musicals, veel moet in acteren en dat doe ik graag.”
Als je zo graag acteert, dan hoef ik je al niet meer te vragen wie je grote voorbeeld is, zeker? Degene die altijd naar voren wordt geschoven als het gaat over ‘zingend acteren’ of ‘acteren in het zingen’ is natuurlijk…
Maria Callas, dat spreekt vanzelf. Magnifiek is dat. Vooral omwille van haar gevoel, haar interpretatie. Ik hoor tien keer liever een zanger of zangeres die technisch niet zo perfect is, die misschien niet zo’n ‘mooie’ manier van zingen heeft, maar die heel veel gevoel legt in wat hij of zij zingt. Dat geldt ook voor andere genres. Ik hou b.v. erg veel van Sinead O’Connor. Want ondanks haar kaalgeschoren hoofd en agressieve podium-act, is ze eigenlijk erg gevoelig, kijk maar naar haar ogen. Het grootste compliment dat iemand me zou kunnen geven is: je hebt me echt ontroerd. Niet zozeer: je hebt goed gezongen. Dat is natuurlijk leuk om te horen, maar als ik zie dat ik iemand echt ontroerd heb dan ben ik werkelijk tevreden.”
Zou je dan ook oratoria zingen of Lieder?
“Ja. (lacht) Jij denkt zeker: die zegt op alles ja?”
‘k Zou niet durven…
“Het is een kwestie van smaak, maar ik vind toch ook dat je Lieder niet zo emotioneel mag zingen als opera. Je mag niet echt uithalen. Vandaar dat ze beter geschikt zijn voor een kleine ruimte. Het is ‘kamermuziek’. En in die omstandigheden doe ik het ook graag. Omdat je dan meer aan de interpretatie, aan de tekst kan werken en niet meer zozeer met het volume moet rekening houden. Dan is het ook meer intiem. Oratoria en requiems zou ik ook heel graag doen, maar dat is een liefde die pas later is ontstaan.”
Met West Side Story komen we al dicht bij popmuziek en zo terecht. Zie je je dat ook nog doen?
“Nee. Maria in ‘West Side Story’ is toch wel iets speciaals, omdat het toch voornamelijk een zangrol is. Kijk ook maar naar andere ensceneringen, men neemt er meestal een klassieke zangeres voor omdat het een heel hoge partij is. Al heeft men mij vooraf bij het Ballet wel op het hart gedrukt om de rol niet te zingen zoals Kiri Te Kanawa op de plaat met José Carreras. Linda Lepomme had mij gezien in ‘Tijd voor Koen’ en heeft me daarna opgebeld. Maar ze drukte er wel op dat ze absoluut geen ‘klassieke’ Maria wilde. Ik heb dan naar een compromis moeten zoeken en ik denk het te hebben gevonden door wat meer mijn borststem te gebruiken. Maar af en toe moet je toch je kopregister gebruiken of je haalt gewoon die hoge do niet. Bovendien zong ik die rol dus alternerend met die van een bloemenmeisje in ‘Parsifal’ en dat was heel zwaar. Zeker omdat het dus ook nog mijn eerste rollen waren! Op voorhand had het me wel schrik ingeboezemd, maar uiteindelijk bleek het toch niet onoverkomelijk. Vooral de twee verschillende manieren van zingen (met en zonder micro) zouden moeilijk te combineren zijn, dacht ik. Maar dat ging heel goed. Het waren uiteindelijk nog de repetities die het zwaarste bleken te zijn, omdat ik dan heel veel moest assimileren op een heel korte tijd.”
Hopelijk krijgt An Lauwereins dan ook de kans om binnenkort de draad van haar opera-carrière weer op te rapen, als het al niet te laat is, want na “The Sound of Music” deed ze eindelijk een stapje buiten het BVV, maar ook dan weer was het voor een musical, namelijk “Cats”, al speelde ze daarin de “opera-poes” (dat zal wel die zijn die “Memory” zingt). Terloops, op de CD van “The sound of music” wordt duidelijk dat haar uitspraak (de korte “a” in “start” of de “i” van “zingen”) niet alles is. Ja, ze is van Antwerpen, hé!
Voor het verdere verloop van haar carrière, moet ik mij opnieuw tot Guy Van Vliet wenden. En hij heeft een verrassing in petto: “Tot vandaag ben ik de enige Vlaamse vrouw die een hoofdrol mocht spelen in een West End-musical. Dat staat mooi op je cv”, lacht An, die de rol van Carlotta vertolkte in de Londense versie van The Phantom of the Opera. Ze had langer kunnen blijven, maar dat aanbod sloeg ze af. “Ik heb voor mijn zoon gekozen. Hij was toen pas zes en miste zijn familie en zijn vrienden toen we in Londen zaten. Ik heb nooit spijt gehad van mijn terugkeer. Ik bewonder artiesten die de wereld rond trekken zonder hun gezin. Maar ik kan dat niet, ik ben een familiemens.” Toch is de Londense droom nog niet helemaal opgeborgen. “Mijn zoon is intussen negentien. Als er zich een kans aandient en mijn zoon is tegen die tijd het huis uit, is het goed mogelijk dat ik toch weer naar Londen ga!”

Ronny De Schepper

Referenties
Ronny De Schepper, Zo moeder zo dochter, De Rode Vaan nr.47 van 22 november 1991
Ronny De Schepper, “Je Anne”: goede bedoelingen alleen volstaan niet, Graffiti december 1994
Guy Van Vliet, “Dol op Weense charme”, Gazet van Antwerpen, 15 maart 2013

foto2

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s