Walter Eysselinck (1931–1995)

63 walter eysselinckMorgen zal het al twintig jaar geleden zijn dat de regisseur Walter Eysselinck is overleden.

Hij liet voor het eerst van zich horen in 1950 toen hij op 19-jarige leeftijd een manifest schreef (“ons hoofddoel is EXPERIMENTEREN”) voor het pas opgerichte Arcatheater. De zondagvoormiddag gaf hij overigens les in de toneelschool van Arca. “Een zeer interessante school die nooit veel ruchtbaarheid kreeg,” vertelt Jo Decaluwe t.g.v. 40 jaar Arca aan Karel van Keymeulen van “De Gentenaar” (8 juni 1990). “Vrijwel alle regisseurs en medewerkers van Arca toen, Poppe, Eysselinck, Jenny Tanghe, Wilfried De Lange, Roger De Wilde, Jacques Vermeulen gaven er op vrije basis les. Met resultaat. Jo De Meyere, Nolle Versyp, Berten De Bels, Griet De Bock waren er leerling.”
28 Papavers in de poppenkastIn Arca was Eysselinck o.m. te zien in de creatie van “Papavers in de poppenkast” van Paul Berkenman op 22/03/1957 samen met Luce Premer (foto).
Tijdens het seizoen 1967-68 werd “The Crucible” van Arthur Miller gebracht in het NTG in een regie van Walter Eysselinck. Gewoonlijk wordt dit stuk in het Nederlandse taalgebied opgevoerd als “De heksen van Salem”, maar in het NTG werd als titel “Heksenjacht” gebruikt, wellicht om het te ontdoen van een al te lokale en historische interpretatie. Het was immers niet voor niks mei ’68!
In dat fameuze jaar 1968 schreef Eysselinck zelf “Cassandra” dat werd opgevoerd in het NTG in een regie van Paul Anrieu. Frans Redant gaf hierover enige toelichting in “De Rode Vaan” nr.41 van 1987: “Cassandra is, zoals je wel weet, de priesteres uit de Ilias die dingen ziet in de toekomst maar een beetje voor gek wordt versleten. Eysselinck had haar overgeplaatst naar een Parijs salon in 1938, ten tijde van het Verdrag van München. De moraal van het verhaal was duidelijk: je moet het oor te luisteren leggen bij die zotte idealisten. De voorstelling werd dan ook bedolven onder honderden dia’s en filmfragmenten van Hitler, van de studentenopstanden in Parijs en Berkeley en noem maar op. Komt daarbij dat de kleppers van de Gentse universiteit figureerden: Guido Totté, Sus Saey, Armand Sermon, Erkki Liukki, enz. Je merkt, dat is nog van voor de tijd van de splitsing in maoisten en trotskisten en wat weet ik allemaal. En voor die mannen was dat allemaal bloedige ernst natuurlijk, maar eigenlijk werden zij door de regisseur gewoon gebruikt om in te haken op een modeverschijnsel. Maar let op, meer op termijn en minder spectaculair heeft ’68 wel zijn vruchten afgeworpen in het theater, hé. Zelfs de latere beleidsgroep binnen het NTG is daar in feite nog een uitloper van.”
Toch was Eysselinck eerder een man van beelden, niet van woorden. “De boodschap,” zo placht hij te zeggen, “daar stuurden we de kleine om.”
Walter Eysselinck werd zelf directeur van het NTG in de periode 73-76, waarin hij o.m. een versie regisseerde van “Nora of een poppenhuis” door Hendrik Ibsen. Walter Eysselinck gaf als verklaring van de titel: “Nora is als een poppenmoedertje voor haar kinderen, die afgeschermd leeft van de buitenwereld. Dit schijngelukswereldje is uiteraard gebouwd op leugens en kan niet standhouden. Het is niet enkel het gevecht van een vrouw tegen de conventionele moraal, maar van de hele mensheid. Wel is het thema, en dat van Ibsens belangrijke werken, de behoefte van het individu om te ontdekken wie of wat hij is, en om te trachten dat individu te worden. Wat nodig is, en Ibsen heeft dat zelf verklaard, is een revolutie in de menselijke geest. Het publiek was natuurlijk wel in 1879 meer gechoqueerd door de deur die aan the eind van het stuk dichtslaat.”
In antwoord op de protesten van de bourgeoisie tegen het einde van “Een poppenhuis” heeft Ibsen ook een ander slot geschreven met een happy end. Deze versie wordt nu nooit meer opgevoerd (cfr. Eric Bentley, “Taking Ibsen personally” in “The Theatre of Commitment and Other Essays”): “The reason why Ibsen is rejected by the Marxists: he’s an individualist (his plays are studies in unhealthy consciences: psychological instead of social). Ibsen is a product of his time: he’s a Victorian alright (manliness, free intellect, abundant individuality), but at the same time he’s a rebel against Victorianism, he might even be called an anarchist.
Walter Eysselinck: “Wanneer een publiek aan de uiterlijkheden nu minder aanstoot neemt, dan is dat publiek daarom niet noodzakelijk minder burgerlijk dan toen. Er moet nog steeds een dagelijkse strijd gevoerd worden tegen blindheid en zelfgenoegzaamheid.”
Waarop de vragensteller verdergaat met: “In het stuk zegt dokter Rank dat hij ziekelijk is omdat zijn vader dronk. Torwald zegt dat alle jeugdmisdadigers liegende moeders hebben gehad. Ibsen baseert zich hier op de 19de eeuwse erfelijkheidstheorie. Je hebt dat in het stuk bewaard. Vrees je niet dat dit naïef gaat klinken?”
Eysselinck: “Wij spreken over Jung (en Freud, nvdr) en zij spreken over Darwin. Een wezenlijk verschil is er niet, en daar gaat het ook niet om. De gedragingen zijn belangrijk, niet de verklaringen.”
Vraag: “Waarom een realistisch, 19de eeuws decor?” (van John Halle)
Eysselinck: “Ja, dit stuk moet volledig vastzitten aan een stijl en periode om juist daardoor tot vandaag te spreken. ‘Een Poppenhuis’ gaat over het openen en sluiten van deuren; daarom moeten de deuren echt zijn. De sfeer, die bepaald wordt door het visuele, moet echt zijn. Dit decor moet zeer claustrofobisch aandoen en binnen die muren dient gestreefd naar frisheid, naar vlotheid.”
Vraag: “Jij hebt de rol van de kindermeid omgeschreven tot een jonge vrouw?”
Eysselinck: “De tragedie van de vrouw die gedwongen is haar kind af te staan is voor mij veel pregnanter wanneer zij jong is en dit gebeuren nog fris in haar geheugen ligt, eerder dan een voorval van dertig jaar terug. En ook voor het slot speelt dit een rol: door de jeugd van de gouvernante kan men vertrouwen dat ze die kinderen beter zal opvoeden, dan Nora zelf is opgevoed geworden.”
Vraag: “Humor in het stuk?”
Eysselinck: “Een Poppenhuis moet aan het publiek voor een geruime tijd de indruk geven dat het een prettig stuk is, vóór je gaat voelen hoe diep het wel bijt.”
Vraag: “En poëzie?”
Eysselinck: Het is ook een zeer poëtisch stuk, met theatersymbolen in plaats van literaire symbolen. Bijvoorbeeld de figuur van dokter Rank: hij staat voor de onbegrepen en eenzame mens. Een fantastisch symbool dat helpt aan dit stuk een enorme dimensie te geven.”
(uit het NTG-magazine, “Met Walter Eysselinck praten over een poppenhuis”)
Mark Vlaeminck schreef dan weer over zijn volgende stuk, Sean O’Casey’s De ploeg en de sterren: “Ontroerende Magda Cnudde domineert bij het NTG” in De Standaard van 23 december 1974.
“Omdat ten eerste het stuk zelf zo’n waarachtige brok volkstoneel is, omdat ten tweede de regie precies de dosering van komedie en tragedie aanvoelde zonder ooit naar melodrama over te hellen, omdat ten derde de vertolking homogeen en professioneel overkwam maar niet in het minst omwille van de indrukwekkende manier waarop de jonge actrice Magda Cnudde gewoon ontroerend vrouw was is zaterdagavond de NTG-première van Sean O’Casey’s De ploeg en de sterren in een regie van Walter Eysselinck een zeer goede voorstelling geweest.
De ploeg en de sterren is het verhaal van de doodgewone vrouw Nora Clitheroe (Magda Cnudde) die eenvoudig vrouw wil zijn maar haar man verliest omdat de ellende in Dublin haar Jack (Herman Coessens) opeist voor de strijd.
De kan zat er dus dik in dat het stuk een tranerige draak zou worden over ‘Kijk daar dat arme soldatenlief, ze is alleen en krijgt niet eens een brief’.
Het werd integendeel zeer zinvol theater dat tussen en door middel van bijna banale situaties accenten legde die verder dragen dan de onmiddellijke inhoud van het stuk zelf.
Het is heus niet de eerste keer dat ik naar een toneel ga. Ik ben helemaal geen slapjanus en ik heb hier en daar in het leven al wat meegemaakt maar toen ik zaterdagavond zag hoe echt Magda Cnudde een ongelukkige vrouw was die lijdt omdat de man die ze liefheeft zinloos verdwijnt, ben ik, in de overtuiging dat vrijen inderdaad beter is dan vechten, gewoon beginnen wenen en dat overkomt me anders nooit. Toch niet in een schouwburg.”

Daarna volgde “Equus” van Peter Shaffer, dat Eysselinck regisseerde onder de titel “Paard en Ruiter” in het najaar van 1975. Ene J.V. schreef erover een recensie in De Gentenaar van 3/11/1975 onder de titel “Paard en Ruiter: boeiend, eigentijds”. Hieruit de volgende passage: “Diep en rijk van inhoudt, evenwel cerebraal, is Equus een origineel eigentijds stuk waarover nog lang kan worden nagepraat. Het is degelijk geconstrueerd in de vorm van een thriller, waarbij de psychiater de jongen ondervraagt, de zaak commentarieert en bij de reconstructie de betrokken personen in de handeling betrekt. In een intelligente en precieze regie van Walter Eysselinck, die geen goedkope effecten najoeg, bracht het NTG een voortreffelijke en opmerkelijke vertoning die insloeg bij het publiek.
In de moeilijke rol van de jongen staat Hans Royaards (23) voor z’n eerste belangrijke opdracht. Nerveus, bijwijlen onhandig, koortsachtig, wantrouwig en opstandig tegenover de psychiater maar helemaal anders ten opzichte van de paarden, weet hij deze figuur intens levendig uit te beelden.
Als de psychiater is Jef Demedts gewoonweg schitterend. Sober maar overtuigend tekent hij de eerlijke door twijfels overmande man, die lijdt om z’n middelmatigheid. Treden verder op: Suzanne Juchtmans ontroerend als de moeder, Nolle Versyp (keurige interpretatie van de vader), Blanka Heirman (begripvol en natuurlijk), Els Magerman (aanvaardbaar), Herman Coessens en Caroline Smolders (bevredigend). Verder nog Eddy Spruyt, Mark Willems, Willy Jonckheere, Reinhard Walraeven en Jan Vermeersch die als paarden voor het spectaculaire element zorgden.”

En J.V. besluit: “Stuk en montering lijken ons minder geschikt voor jongeren.” Waaruit ik afleid dat J.V. niet de eerder genoemde Jan Vermeersch is, maar anderzijds vraag ik me toch af of deze Jan Vermeersch mijn voormalige collega van bij De Rode Vaan was?
Daarna deed Eysselinck musicalervaring op o.m. met “Oliver” en “Cabaret”, de musical van Joe Masteroff, Fred Ebb & John Kander, die in het N.T.G. werd geregisseerd door John Allison en choreograaf Steve Riley, twee Amerikanen door Walter Eysselinck speciaal hiervoor naar hier gehaald. In de rolverdeling herkenden we Machteld Ramoudt als Sally Bowles en verder nog Werner Kopers als de ceremoniemeester en Jo De Meyere als de schrijver (gezien op 07/02/1975).
Vele jaren later (in mei 1993) legde Eysselinck voor de regie van “Anatevka” bij het Ballet van Vlaanderen even zijn functie aan de American University van Kaïro neer.
De korte inhoud van “Anatevka” vertellen, zal wel niet meer nodig zijn neem ik aan, want iedereen kent wel deze musical die reeds in ’74 op het programma van de Antwerpse opera stond. Overigens eveneens met heel veel succes.
Het verhaal van de oude jood Tevje die in het begin van deze eeuw zijn tradities teloor ziet gaan als z’n drie oudste dochters huwen met een man naar hun eigen keuze, i.p.v. met één die hen door een koppelaarster of hun ouders werd opgedrongen, mag triviaal lijken, tegen de achtergrond van de pogroms wordt het tragisch, ja zelfs aangrijpend. Het ultieme afscheid van zijn dochter die met een Rus is getrouwd (oh schande!), is bijna identiek aan het afscheid tussen vader en zoon Van Paemel en menige zakdoek dient dan ook te worden bovengehaald.
Ergens vind ik het wel jammer dat de joods-Amerikaanse auteurs Joseph Stein en Jerry Bock hun musical in Rusland situeerden, want het mag dan nog het Tsaristische Rusland zijn en er mag zelfs een student rondlopen die de bijbel als revolutionair handboek gebruikt en “dus” positief wordt afgeschilderd, toch krijgt het Amerikaanse publiek hier weer een vijandbeeld (we schrijven bij de creatie: 1964) opgehangen, waartegenover dan het land van Uncle Sam op het einde als het Beloofde Land, als “god’s own country”, wordt geplaatst.
De auteurs zelf verwijt ik niets, integendeel zelfs, maar ik heb zo mijn twijfels over de historische en aardrijkskundige kennis van het publiek, vooral het Amerikaanse, maar de laatste tijd helaas ook het onze.
Anderzijds kon “Anatevka” gewoon nergens anders worden gesitueerd of men had een andere musical. De joods-Russische muziek vormt immers de essentie ervan. Max Smeets (die er steeds meer als een “klassiek” dirigent gaat uitzien) leidt een dertienkoppig orkest dat, op twee synthesizers na, helemaal uit akoestische instrumenten bestaat en dat komt de productie ten zeerste ten goede. Dat valt b.v. op bij de uitstekende dansnummers die werden gechoreografeerd door Danny Rosseel.
Op zo’n moment is het ook opvallend hoezeer de koppeling van het oude Arenatheater aan het Ballet van Vlaanderen een zegen is geweest, ook al is acteurs doen dansen iets helemaal anders dan professionele dansers begeleiden. Maar in deze cast zitten er ongetwijfeld “professionelen” bij. Dat kàn haast niet anders als men b.v. de flessendans op het huwelijksfeest neemt of de braspartij waarin Russen en Joden voor één keer eens verbroederen. Iets wat Rosseel overigens uitstekend in zijn choreografie heeft doen uitkomen.
De regie is in handen van Walter Eysselinck, die ook instond voor de vertaling, maar de liedjesteksten werden (uitstekend) naar het Nederlands overgezet door Stef Bos. De grote triomfator is echter Nolle Versyp. Naast Nolle zijn er nog tal van vertrouwde gezichten, zij het dan vertrouwd in het theatermilieu en niet zozeer in het musicalgenre. Maar ook zij brengen het er goed van af. Ik heb het over Gerda Marchand of Ward De Ravet b.v.
En dan is er ook nog Nikki Langley, die tijdens de Gentse Feesten met haar compaan Tony Boast de talkshows van Erik Goeman opluisterde. Haar kregen we verrassend in de rol van de koppelaarster te zien.
Als Tevje tegen zichzelf (of tegen zijn god, of tegen het publiek) praat, bekijkt hij de dingen altijd vanuit verschillende hoeken. “Maar van de andere kant…” gaat het dan. Nu, er is toch ook wel een “andere kant” aan deze succesproductie. Janke Dekker met name, die we nog kennen als Evita en die we ook graag als Mata Hari aan het werk hadden gezien, als deze vrije productie niet voortijdig werd afgevoerd. Wat me stoort bij Dekker is dat ze geen enkele moeite doet, maar dan ook niet in het minst, om haar Hollands accent te verbergen. Zo lijkt ze tussen haar vier Vlaamse zusters en met haar twee Vlaamse ouders wel een vreemde eend in de bijt!
Degene die verantwoordelijk was voor de casting (directrice Linda Lepomme zelf?) is gelukkig zo verstandig geweest haar ook een Hollandse vrijer kado te doen (Victor Van Swaay), die wél z’n best doet om te klinken als een Vlaming. In scènes met Janke praat hij dan opnieuw wat Hollandser en zo legt hij toch min of meer een brug tussen Dekker en de rest van de cast (terwijl nota bene bij hem een accent wél zou kunnen, want hij is student en hij komt uit Kiev, uit de “stad” dus, wat hem onderscheidt van de plattelandsbevolking).
Maar eigenlijk is dat alles wat ik op deze productie heb aan te merken, buiten wat storende problemen met de draadloze mikrofoons, een euvel dat wel nooit helemaal van de baan zal zijn, en een Daan van den Durpel die zijn rol als joodse kleermaker te karikaturaal aandikt. Maar verder geen onvertogen woord. Zo is er het efficiënte draaidecor van Karina Lambert b.v. of de dito lichtregie van Jaak Van de Velde, “the light-wizard”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.