Sean Connery wordt 85…

Vandaag viert Sean Connery zijn 85ste verjaardag. Als foto heb ik teruggegrepen naar de legendarische “Dr.No” uit 1962, waarin Connery debuteert als James Bond. Het is echter geen scène die in de film voorkomt, maar het is wel een “outtake” van Connery die Ursula Andress een handje helpt als zij een handstand doet tijdens de fameuze strandscène in de film. Er zijn op het net tientallen mooie foto’s van Sean Connery te vinden, waarom heb ik dan deze gekozen? Wel, let nu eens niét op Andress maar op Connery zelf, en meer bepaald op zijn broek. Dan zal je immers vaststellen dat hij wel enig plezier beleeft aan dit “standje”…

Het is bekend dat heel wat popvedetten (genre Rod Stewart of Ray Davies) nog een profcarrière als voetballer hebben geambieerd. Maar wie wellicht nog het dichtst in de nabijheid ervan is gekomen, dat is niemand minder dan filmacteur Sean Connery, die aan het begin van zijn loopbaan zowaar door Manchester United werd aangezocht!
Of Connery het nu wil of niet, door zijn James Bond-personage is hij toch onverbrekelijk verbonden met de koude oorlogsmentaliteit, ondanks bepaalde “aanpassingen” van de scenario’s, zoals dat van “You only live twice” (van de hand van Roald Dahl), waarin Russen en Amerikanen noodgedwongen de handen in elkaar moeten slaan in de ruimte. Sean Connery steunt weliswaar Engelse theaters in nood (al zou hij naar het schijnt daarnaast toch erg beantwoorden aan het cliché van de gierige Schot), maar zijn politieke denkbeelden zijn blijkbaar redelijk in de war. Als hij in “Paris-Match” b.v. aangeeft dat de drie personen die hij het meest bewondert de paus, Moeder Teresa en Gorbatsjov zijn, dan zou ik mij, Gorbie zijnde, toch niet helemaal op mijn gemak voelen. Naast zijn James Bond-rollen was Connery overigens ook in “The hunt for Red October” van John McTiernan allerminst Sovjet-vriendelijk.
Sean Connery werd geboren op 25/8/1930 in Edinburgh, waar hij oorspronkelijk als polijster van lijkkisten aan de kost kwam (alweer een overeenkomst met Rod Stewart), tot hij in 1954 zijn debuut maakte in “Lilacs in the spring”. In 1962 kwam pas de doorbraak toen Albert R.Broccoli hem als James Bond wou voor “Dr.No” (Lewis Gilbert), de eerste Bond-film. Oorspronkelijk wilden de producers Cary Grant voor de rol, terwijl Ian Fleming zelf de voorkeur gaf aan David Niven boven “an overgrown stunt man”!
In 1965 maakte Connery dan uiteindelijk toch indruk op hem in “The hill” van Sidney Lumet. Tijdens de oorlog verbleef Lumet in Oran (Algerije), waar er een strafkamp was voor Amerikaanse militairen die iets mispeuterd hadden. Daar deed hij de inspiratie op voor deze film met Sean Connery.
Een jaar eerder was hij ook al te zien in “Marnie” van Alfred Hitchcock, een film over een jonge vrouw (opnieuw Tippi Hedren in de titelrol) die leeft van oplichting. Sean Connery betrapt haar maar geboeid als hij is door haar “eigenaardige” karaktertrekken, huwt hij met haar in plaats van haar te verklikken. Dat breekt hem echter zuur op als blijkt dat één van die “eigenaardigheden” ook frigiditeit blijkt te zijn. Hij gaat dan op zoek naar de psycho-analytische oorzaken van haar afwijkingen en komt tot ronduit verrassende conclusies…
Connery is ook briljant in “The name of the rose” van de Canadees Jean-Jacques Annaud. Daarna draait hij met Christopher Lambert “Highlander” van Russell Mulcahy. In 1989 speelt hij het hoofd van een mafioso-familie in “Family business”. Hij is dolenthousiast als kleinzoon Matthew Broderick ook in het vak wil stappen, maar vader Dustin Hoffman ziet dat anders. Daarna was Connery als gewezen “spion” de aangewezen man om de nieuwe evoluties in het oostblok gestalte te geven. In “The hunt for Red October” van John McTiernan is hij een overlopende kapitein van een Russische atoomduikboot, die ondervindt dat koude oorlogsverhalen het niet meer doen. Het boek van Tom Clancy dateerde weliswaar van 1985, maar was bij de verfilming reeds totaal achterhaald door de historische feiten. De rol van Jack Ryan (de steeds terugkerende CIA-agent bij Clancy) wordt hier nog gespeeld door Alec Baldwin, later zal Harrison Ford deze rol overnemen. In dit geval moet Ryan uitmaken of Connery’s intenties “nobel” zijn en of hij niet eerder een privé-oorlogje wil ontketenen zoals de Russen zelf beweren. Zijn baas, James Earl Jones, is alvast geneigd hierin te trappen.
Daarom zal het pas “The Russia House” (Fred Schepisi, 1990) zijn die de (film)geschiedenis ingaat als de eerste belangrijke Hollywoodfilm die in de Sovjet-Unie werd gedraaid zonder dat dit in co-productieverband gebeurde (zoals dit b.v. het geval was met “The Red Tent” uit 1965, eveneens met Sean Connery, of met “The Blue Bird” uit 1976 naar het pacifistische verhaal van “onze” Maurice Maeterlinck). Dit was op de eerste plaats mogelijk dankzij de vriendschap tussen regisseur Schepisi en zijn Sovjetrussische collega Elem Klimov, voormalig voorzitter van de Filmmakersbond van de Sovjetunie. Er werd een structuur uitgedokterd waarbij de Russen alle kosten in hun eigen land op zich namen, terwijl de Westerse productiemaatschappij daar een gelijkwaardig bedrag tegenover stelde voor een film die de Russen in het Westen zouden willen draaien. Over de opnamen vertelt Schepisi: “Ik zou niet graag leven in een maatschappij die zo door de politiek wordt gecontroleerd, maar ik moet toegeven dat dit voor ons een groot voordeel was. Hele straten werden door de politie immers voor ons vrijgemaakt om ongehinderd te kunnen filmen.”
Glasnost en perestroika laten zich dus ook voelen in de filmwereld. Niet alleen in Oost-Europa waar nu (bijna) alles kan en mag, maar ook in Hollywood. Ook daar is immers de geliefkoosde vijand gestorven: het goddeloze communisme. Geen nood echter, spionage-auteur bij uitstek John Le Carré heeft zich reeds gerecycleerd, zodat we nu kunnen kennismaken met “The Russia House” in beeld gebracht door Fred Schepisi. Een knappe verfilming overigens met stijlvolle vertolkingen door Sean Connery en Michelle Pfeiffer.
Echte spanning valt er natuurlijk niet meer te beleven. Het weergeven van de juiste sfeer is daarentegen belangrijker geworden. Wie zich dus geen vliegtuigticket naar Moskou en Leningrad kan veroorloven, kan nu in de bioscoop terecht bij de Australische filmregisseur Fred Schepisi, spreek uit “Skepsi” (maker van o.a. “Plenty” en “A cry in the dark”).
“Eigenlijk is het een anti-spy-movie, zelfs nog meer dan een love story,” zegt Schepisi terecht. Het is dus zeker géén thriller. Of Bartholomew Blair, spion tegen wil en dank, nu zijn vaderland zal verraden of niet, maakt eigenlijk niet uit. Deze Bartholomew Blair, een heerlijk drankorgel en boekenwurm, wordt schitterend geportretteerd door Sean Connery. Dat in Oost-Europa met name “The Russia House” een bestseller is, zal echter wellicht niet aan de partijmilitanten liggen…
Het was de Engelse dramaturg Tom Stoppard die op verzoek van John Le Carré zelf zijn boek “The Russia House” tot een bruikbaar scenario bewerkte. Stoppard heeft naast “The Russia House” wel meerdere romans bewerkt voor het witte doek. Voor Steven Spielberg bewerkte hij “The empire of the sun” b.v. Merkwaardig eigenlijk dat ik van zo iemand zijn eigen stuk (en tevens zijn debuut als filmregisseur) “Rosenkrantz and Guildenstern are dead”, zo weinig kon appreciëren…
The Russia House is de naam van de afdeling van de Britse geheime diensten die zich met de Sovjetunie bezig houden. Als er in het begin van de jaren zestig al sprake was van een “house of the rising sun”, dan is dit nu zeker “the house of the setting sun”, want in een tijd van glasnost en perestroika is de “zon” voor de geheime diensten van beide blokken zeker aan het ondergaan. En dit vooral tot groot spijt van de wapenindustrie. Ook hier slaat de film dus de juiste toon aan.
Eerst is er vanwege Britten en Amerikanen veel belangstelling voor een manuskript dat een Russische geleerde die zichzelf “Dante” noemt (naar de Italiaanse klassieke schrijver) naar het Westen en meer bepaald naar de uitgeverij van Blair wil oversmokkelen. Alles gaat echter uiteindelijk de doofpot in omdat de onthullingen van “Dante” bewijzen dat het atoomarsenaal van de Sovjet-Unie schromelijk overdreven wordt. Dat horen de westerse industriëlen niet graag, want een sterke Sovjet-Unie is veel gunstiger voor de afname van hun producten.
Nadat men eerst een aantal Russische actrices uitprobeerde, werd voor de rol van Katja, de tussenpersoon tussen Dante en Blair, uiteindelijk geopteerd voor Michelle Pfeiffer, die in onvervalste Meryl Streep-stijl, Engels met een Russisch accent moest leren. Maar het werkt! Pfeiffer is echter dan écht. En daarnaast geeft ze zelfs nog een aandoenlijke vertolking in de vrij voorspelbare liefdesrelatie tussen de twee “koeriers”.
One-liners zijn natuurlijk weer aan de orde van de dag: de uitspraak van Blair dat je de dag van vandaag moet denken als een held, “just in order to behave as a merely decent human being,” heeft zelfs reeds zijn weg gevonden naar de scheurkalenders. Zelf hou ik echter meer van omschrijvingen zoals “Ik zie eruit als een groot onopgemaakt bed met een winkeltas eraan vastgemaakt.” Ook al omdat hij er eigenlijk nog het meeste uitziet als een kruising tussen de bezadigde monnik uit “The name of the rose” en de verstrooide professor uit “The last crusade”.
De kleinere rollen zijn eveneens uitstekend bezet: op de eerste plaats is er natuurlijk Klaus Maria Brandauer die als “Dante” nu eindelijk de rol van de overloper mag spelen, die hij in “Red October” aan Connery moest laten. Maar daarnaast zijn er ook nog James Fox en Roy Scheider die heel knap de diverse aanpak van respectievelijk de Britse en Amerikaanse geheime dienst portretteren. En een speciale vermelding gaat naar de extravagante regisseur Ken Russell, die in deze film een geheim agent van de oude stempel speelt. Russell, die blijkbaar het rolletje nochtans enkel uit geldnood heeft aangenomen, is gewoonweg briljant in zijn irriterend persoontje.
En natuurlijk zijn Moskou en Leningrad mooi. Zo mooi dat sommigen het als een verwijt naar de regisseur terugkaatsen. Wellicht doen die sfeerbeelden het ook zo goed dankzij de muziek van Jerry Goldsmith, een ouwe rot in het vak, en trouwe lezers weten reeds dat ik telkens wegsmelt bij deze Hollywoodiaanse Rachmaninov-epigonen.
Daarna werd “Medicine man” van John McTiernan opnieuw een flop. In juli 1993 haakte Sean Connery tijdens “Smoke and mirrors” af. Het zou om een goedaardige vorm van keelkanker gaan. Anderzijds heeft hij datzelfde jaar wel “Rising sun” afgemaakt, nadien nog gevolgd door “Just cause”, “First knight” en “Dragonheart”. In “Just cause” (naar het boek van John Katzenbach) uit 1995 probeert Sean Connery als Harvard professor de onschuld van a young black man (Blair Underwood) condemned to death for the horrific murder of a child te bewijzen. Uiteindelijk werd Norman Jewison als regisseur vervangen door Arne Glimcher en draaide de film uit op een pleidooi voor de doodstraf.
Sean Connery was in 1996 samen met Nicolas Cage te zien in “The rock”: een ex-Vietnam-officier (Ed Harris) heeft met andere gevangenen Alcatraz overgenomen en bedreigt Amerika nu met kernraketten. Koekje van eigen deeg!
“Dragonheart” van Rob Cohen met Dennis Quaid, David Thewlis en Pete Postlethwaith tenslotte bracht draken tot leven die eruit zagen als een kruising tussen Sean Connery (stem) en de dinosauriërs van Spielberg.

Referentie
Ronny De Schepper, The Russia House: meer sfeer dan spanning, Stepsmagazine april 1991

35 Sean Connery

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s