Vandaag is zestig jaar geleden zijn dat Hugo Claus huwde met Elly Overzier. Het huwelijk (dat, weliswaar enkel op papier, 35 jaar zal standhouden) werd gevierd in het Brusselse Goudblommeke van Papier. Enkele jaren geleden werd er een programma uitgezonden op La Deux vanuit ’t Goudblommeke van Papier, “ooit Claus’ stamcafé” zoals er toen in Humo stond. Ik wist niet dat Claus in Brussel had gewoond. En nog minder gewerkt, zoals wij brave pendelaars jaren hebben gedaan en dan inderdaad op de middag een spaghetti konden gaan eten in ’t Goudblommeke. En je kan toch enkel maar een stamcafé hebben op een plaats waar je ofwel woont ofwel werkt? Nee, wat er diende te staan was: “het café waar Claus zijn eerste huwelijk vierde”.

Over dat huwelijk met Elly Overzier vertelt zoon Thomas in diezelfde Humo trouwens een paar zaken die mensen die Claus heilig willen verklaren (zij het dan niet op de manier zoals kameraad Danneels dat interpreteert) node zullen aanhoren. Maar niets menselijks was Claus vreemd, net zoals dat bij Louis Paul Boon ook het geval was, wat al kort na zijn dood meteen werd opgerakeld. Ikzelf ben er dus niet van geschrokken, maar ik heb het wel als correctie opgenomen in mijn eigen verhaal over leven en werk van de Meester. (Al dient gezegd dat Claus in het algemeen niet de wat uit de hoogte doende “dandy” was die men altijd van hem heeft willen maken. Hij was nog niet eens koud of er werd al op de radio verkondigd “dat hij van snelle auto’s hield”: hij kon verdomme niet eens rijden!)
Het merkwaardige is dat Louis Paul Boon op 14 april 1960 een “Boontje” schrijft, waarvan je zou zweren dat het over dit huwelijk gaat. Het speelt zich inderdaad af in het café De Goudpapieren Bloem en voor wie zou aanvoeren dat er wel meer koeien zijn die Blaar heten, voegt Boon daaraan toe: “Voor wie de Goudpapieren Bloem nooit bezocht: al wie iets met kunst heeft te maken wordt daar met open armen ontvangen en leeggeplunderd. Het is er klein en duister, met achteraan een trapje waar men zich de nek kan kraken, met ramen van in lood gevatte ruitjes, met een kachel uit de jaren 1700 en een tingeltangel uit 1900.”
En wie trouwt er? “Dichtertje zelf was cynisch ontroerd, en de bruid bekoorlijker dan ooit. Vooral omdat zij (was het symbolisch?) zo gekortwiekt leek: de lange haren, die steeds haar trots waren, had de kapper in de hoek gevaagd.” Er is dan ook een zekere Simon die zich afvraagt: “Dat hij niet begreep waarom Dichtertje en zijn filmster dit feest gaven… Ik ken u nu al jaren, Dichtertje, en telkens ik u zag was die filmster bij u. Waarom maak je er dan vanavond zo speciaal kabaal over?” En die Simon haalt ook herinneringen op uit de tijd van La Bohème, “toen zij samen op een onmogelijk kleine kamer in Parijs hokten.” Je zou dan toch wel denken: dat zal dan wel Simon Vinkenoog geweest zijn, zeker omdat het stukje eindigt met “Het werd een onvergetelijke avond en een nog onvergetelijker stuk in de nacht. Tot Dichtertje met zijn Bruid in de Morgen verdween.” Maar de “samenstellers” (Herwig Leus & Julien Weverbergh) reppen er met geen woord over in de “annotaties” (*). Misschien omdat zij zich net als ik afvragen: waarom zou Boon het nu plotseling, vijf jaar na de feiten, over dit huwelijksfeest hebben? Waarop trouwe lezers van mijn blog zouden antwoorden: “Waarom niet? Jij doet dat toch zelf ook?” Inderdaad, beste vrienden, maar dan wel op de exacte verjaardag!
Toen Hugo Elly voor het eerst ontmoette in januari 1949 was ze een fotomodel en beginnende actrice. Deze Nederlandse uit Oostende hielp hem van zijn West-Vlaams accent af. In 1951 zou ze onder de naam Elly Norden drie bescheiden rolletjes weten te versieren in evenveel films. Deze films kan je terugvinden op de internet movie database als je de naam Elly Norden intikt (en je krijgt er nog een vierde, “uncredited”, uit 1954 gratis en voor niks bovenop), maar merkwaardig genoeg krijg je op de naam Elly Overzier enkel de vermelding dat zij vooral bekend is als Elly Claus, “the first wife of the Flemish writer and director Hugo Claus”, als “costume designer” en zowaar ook één filmrol, namelijk in “De vijanden” (1968) van… Hugo Claus! Het feit dat ze vooral als casting-director actief was, wordt niet vermeld. Nochtans hield dat soms meer in dan men op het eerste gezicht zou vermoeden. Zo vertelt Robbe de Hert in een interview afgenomen door Juul Anthonissen over zijn film “De Witte”: “Dank zij Elly Claus hebben we de casting kunnen doen. Er waren niet minder dan tweeduizend kandidaten. Na videotesten bleven er tweeëntwintig over. Hieruit kwam Eric Clerckx als vanzelfsprekend naar voren. (…) Hij acteerde zoals een ware professioneel, zoals de andere kinderen trouwens. Wanneer de camera’s op hem gericht stonden, werd Eric onmiddellijk de Witte zelf. De kinderen waren trouwens door Elly Claus terdege voorbereid.”
Maar nog veel opvallender is dat er dus geen link is tussen Elly Norden en Elly Claus/Elly Overzier. Foutje van IMDb of zou Elly Norden dan toch iemand anders zijn? Tenslotte hebben we enkel de getuigenis van zoon Thomas (die toen nog niet eens geboren was) om ons op te baseren…
In het eerste nummer van “Tijd en Mens” (15 september 1949) verschenen ‘Drie blauwe gedichten voor Ellie’. In 1963 (toen ze in Gent woonden) kregen ze samen een zoon, Thomas, misschien niet toevallig genoemd naar het personage uit “Bruid in de morgen“. Bijna zijn hele leven lang zou Thomas anoniem blijven (aan mij heeft Hugo eens verteld dat Thomas – net als ikzelf – aan de filmquiz “Retroscoop” heeft meegedaan; of hij erbij verteld heeft of hij het goed heeft gedaan, kan ik me niet meer herinneren, maar veel slechter dan ik kan toch niet), tot hij kort na de dood van zijn vader plotseling met een autobiografische roman van 300 pagina’s uitpakte, “Lucas Somath” (een anagram van Thomas Claus). In Humo van 29/4/2008 (waarin we leren dat hij eerst heeft getracht als plastisch kunstenaar aan de bak te komen, maar uiteindelijk bij het koeriersbedrijf DHL is beland) spreekt hij dan ook voor het eerst over deze periode:
“Toen ik geboren werd, woonden mijn ouders in Gent aan de Predikherenlei. Hij was op dat moment een film aan het draaien met François Beukelaers en Sonja Cantré (“Het Speelmeisje”, RDS). Eén keer is hij in het ziekenhuis geweest. Voor Hugo al een hele prestatie (grimlach). Daarna verhuisden ze naar een boerderijte in Nukerke. Zes jaar later zei mijn vader op een ochtend, in de keuken, tegen mijn moeder: ‘Ik ben weg! Nu, meteen!’ En hij pakte zijn boeltje en vertrok. Wij verhuisden weer naar Gent, Hugo trok naar Amsterdam met zijn nieuwe vlam Kitty Courbois. Mijn moeder kon het onmogelijk vatten. Iets in haar is geknakt die dag, haar verdriet was tomeloos. En ze is er nooit volledig van hersteld. Ze heeft nog enkele losse relaties gehad, maar nooit heeft ze afstand kunnen nemen van die eerste, verwoestende liefde. Ikzelf voelde een enorm verlies, dat ik nooit goed heb kunnen verwerken. Als dat zoveel jaar later nog altijd terugkomt, moet het een uiterst pijnlijke gebeurtenis zijn geweest, hé.”
Waarop de interviewers van Humo (Martin Coenen en Jan Haerynck) hem er tamelijk tactloos op attent maken dat hijzelf ook zijn kind en zijn eerste vrouw (Maria Degrève, hij heeft haar leren kennen op de set van “Crazy Love” en zij is degene die hem tot de plastische kunst heeft gebracht) heeft verlaten.
Thomas Claus: “Een gruwelijke beslissing. Ik heb die breuk zo lang mogelijk uitgesteld, tot mijn zoon Anwar wat ouder was. Hij was acht toen mijn vrouw en ik beslisten om uit elkaar te gaan, maar ik heb nog altijd een uitstekend contact met hem. We hebben voor co-ouderschap gekozen, hij woont de helft van de tijd bij me, want ik wou per se vermijden dat mijn zoon me als een afwezige vader beschouwde. (…) Hugo had zelf op kostschool gezeten, hij had gezworen zijn kinderen nooit in een internaat te stoppen. Maar door die scheiding met Elly, die voor haar werk veel in het buitenland zat, ben ik toch in een kostschool in Keerbergen terechtgekomen. Ik herinner mij dat ik huilend afscheid nam van mijn ouders.”
Toch zullen Elly en Hugo zowat ten eeuwigen dage bevriend blijven. Elly Claus, zoals ze zich naderhand altijd zal laten noemen, zal later een casting­bureau beginnen en deed op die manier o.m. de castings voor de films van Hugo. Dat was b.v. ook het geval in 1984 bij de filmversie van “De Leeuw van Vlaanderen” van Hendrik Conscience, waarvoor ik nog vruchteloos heb geprobeerd om een rolletje af te pingelen voor Nora Tilley. Ze moest echter blond zijn, zei Claus. Oók het schaamhaar.
Thomas Claus: “Hij bleef haar zien tot aan de officiële echtscheiding in 1987. Een paar jaar later is hij met Veerle De Wit getrouwd, en is mijn moeder definitief uit zijn leven verdwenen.”
In 1950 vertrekt Hugo Claus naar Parijs, want nogal fanatiek hield hij zich aan de Heilige Drievuldigheid van het Surrealisme: de poëzie, de revolutie en de liefde. Binnen de Cobrafamilie maakt Claus kennis met Karel Appel, Corneille, Pierre Alechinsky. Hij heeft inmiddels de Leo J.Krijn­prijs ontvangen en loopt rond met ideeën voor experimentele, surrealistische films. Bij gebrek aan een camera schrijft hij scenario’s als “Melk en Bloed” en “Zonder Vorm van Proces”. Hij stelt ten toon met de Cobragroep in Brussel en Parijs. Uit die tijd dateren ook verhalen uit “De zwarte keizer”, een essay over het werk van Corneille en gedichten voor de bundels “Paal en Perk”, “De blijde en onvoorziene week” en “Een huis dat tussen nacht en morgen staat”.
In 1953 verlaten Elly en Hugo Claus Parijs voor Rome, waar hij voor Bruno Maderna een opera-libretto schrijft, Morituri. “Maanden had ik er met hem aan voorbereid en toen het erop aan kwam dat op muziek te zetten, vertikte hij het. Nam hij uit zijn la een paar oude deuntjes die hij nog liggen had en forceerde het libretto daarop. Een catastrofe. Maar het is te lezen, het is uitgegeven, perfect zoals het op papier staat.”
Ondertussen wordt zijn reputatie als romancier en dichter bevestigd met “De Hondsdagen”, “Oostakkerse gedichten” en “Een huis dat tussen nacht en morgen staat”. Over “Oostakkerse gedichten” schrijft Paul Rodenko: “Hiermee heeft Hugo Claus wel definitief bewezen, een dichter van ongewone betekenis te zijn, die ver boven zijn generatiegenoten uitsteekt.” (NRC, 17/12/1955)
In 1953 werd “De Metsiers” onmiddellijk lovend ontvangen door Simon Vestdijk en Ferdinand Bordewijk. Jan Greshoff hield er echter een andere mening op na. “De Hondsdagen” werd dan weer zeer negatief ontvangen door Willem Elsschot (wiens soberheid de “barokke” Claus ook niet kan appreciëren: “Als je vijf adjectieven hebt, die alle vijf goed zijn, dan ben je automatisch beter dan als je er maar één zet”) en Louis Paul Boon, die vond dat Claus in herhaling viel en dat dus al bij het tweede boek! En Maurice Roelants schreef: “Vroeg rijp, vroeg rot”.
Alhoewel Claus dus een tijdje toneelschool heeft gevolgd in Gent is hij zeker niet “van jongsaf door toneel gepassioneerd”. In 1953 regisseert hij voor het eerst een toneelstuk, zijn eigen “De Getuigen” bij het Brusselse Kamertoneel. In deze satirische eenakter beschrijft Claus naar verluidt eigenlijk de verhouding van Alice Nahon met Urbain van de Voorde. Lang voor de “herontdekking” van Nahon als sensuele vrouw (Ria Van den Brandt e.a., “Kan ons lied geen hooglied wezen”, Houtekiet 1996) schetst Claus haar al als “een sluimerend liefdesdier” (Patrick Vanleene).
In 1955 keert Hugo Claus terug naar Vlaanderen. Hij werkt zelfs even als free-lancer voor de socialistische krant Vooruit, met name voor het proces van de jonge Oswald Spruyt, die op 8 november 1953 zijn beide ouders had vermoord, toen hij amper negentien was. En zeggen dat het nog vijf jaar zou duren vooraleer Truman Capote aan het verzamelen van het feitenmateriaal zou beginnen rond een viervoudige moord begaan door twee landlopers, wat pas in 1965 zou uitmonden in de non-fictie roman “In cold blood”. Tom Wolfe beschouwde dit boek als de eerste roman van het zogenaamde “New Journalism”, maar ja, die man leest dan ook geen Nederlands, nietwaar…
Nog in 1955 springt Paul Snoek, die in Gent rechten studeert, geregeld binnen bij Hugo Claus, tot deze er genoeg van krijgt en hem via een brief laat weten dat hij niet meer welkom is.

(*) Op een andere plaats hebben ze het er wel over dat Boon Claus een bronzen kop van Caligula als huwelijksgeschenk heeft gegeven, maar ze verwijzen daarbij naar een Boontje van 15 maart 1962.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.