Jules Verne (1828-1905)

78 jules verne in 1890Het is vandaag 110 jaar geleden dat de Franse schrijver Jules Verne is overleden. Hij heeft zonder enige twijfel mijn jeugd meer kleur gegeven en mijn leeslust aangescherpt, ook als volwassene.

Jules Verne werd geboren op 8 februari 1828 en overleed op 24 maart 1905. Tijdens zijn leven kende hij twee opeenvolgende technische systemen. Het concept “technisch systeem” zoals Bertrand Gille het definieerde, omvat het organische geheel van energiebronnen, materialen en verwerkingsmechanismen. Zo wordt het technische systeem tijdens het Ancien Régime beheerst door houten machines, door metallurgie met houtskool als brandstof en door mens en dier, water en wind als energiebronnen.
Technische systemen kunnen hun grenzen of verzadigingspunt bereiken, met andere woorden: hun maximale prestatievermogen. Ze moeten dan plaats ruimen voor andere materialen en energievormen, die aanvankelijk minder renderen. Zo wordt in het midden van de achttiende eeuw waterkracht geleidelijk verdrongen door stoom, terwijl ijzer voortaan gesmolten wordt met steenkool in plaats van met houtskool. We zitten in de eerste industriële revolutie.
Op het ogenblik dat Jules Verne zijn eerste wetenschappelijke roman schrijft, “Vijf weken in een luchtballon (1863) kondigt zich echter een tweede industriële revolutie aan. Geleidelijk verdwijnt de stoom uit de fabrieken. Van Cugnot (1770) tot Amédée Bollée (1873) breekt stoom niet door in het wegtransport, maar hij zal wel het spoor domineren tot aan de Tweede Wereldoorlog.
In 1870 vindt Zénobe Gramme de dynamo uit, waarmee tegelijk de elektriciteit doordringt in de industrie. Ze dankt die doorbraak vooral aan de ontdekking van de omkeerbaarheid van de dynamo in 1878. De elektriciteit ontketent een ware revolutie inzake verlichting, met de gloeilamp (in 1879 uitgevonden door Edison) en de booglamp (1887). Met de uitvinding van de telegraaf, de telefoon (1876) en de radio (Marconi, 1899) versterkt de elektriciteit de banden tussen de verschillende werelddelen en draagt ze bij tot de mondialisering van de economie, waarvan ze tegelijk ook het ritme versnelt.
De motor met inwendige verbranding is afgeleid van de stoommachine en wordt haar zwaarste concurrent. In 1859 ontwikkelt Lenoir de gasmotor, die geperfectioneerd wordt met de uitvinding van de compressor door Beau de Rochas in 1862 en van de Otto-motor in 1877. De benzinemotor komt minder van pas in de fabriek, maar is wel lichter, waardoor de mens er meteen de weg en de lucht mee verovert. In 1883 laat Delamare Deboutteville het eerste voertuig rijden op benzine en vraagt Gottlieb Daimler een patent aan voor zijn eerste motor. In 1886 zorgt Benz voor een primeur: een wagen met een eencilindermotor en drie wielen. In 1897 pakt Rudolf Diesel uit met de naar hem genoemde ruwoliemotor. Die groeit uit tot rivaal van benzine op de weg, van elektriciteit en stoom op het spoor en van elektriciteit en gas in de fabrieken.
En hoe zit het met de materialen? Als de eerste industriële revolutie het ijzeren tijdperk is, is de tweede het stalen tijdperk. Staal is dankzij zijn fysisch-chemische eigenschappen onvergelijkbaar superieur. Was het in het vorige tijdperk nog zeldzaam en voorbehouden voor zwaar belaste mechanische onderdelen, dan wordt het nu een veelgebruikt materiaal. Henry Bessemer (1813-1898) neemt op 12 augustus 1859 zijn eerste patent. Het Siemens-Martin-procédé krijgt er één in 1868, het procédé van Thomas en Gilchrist in 1878. In 1880 stelt Siemens voor om elektrische energie te gebruiken voor de productie van staal.
Er ontstaat ook een nieuwe industriesector: de chemische nijverheid. Aanvankelijk ontwikkelt ze zich in het verlengde van de steenkoolproductie, met de uitvinding van het soda-procédé door Solvay (1862), gevolgd door de ontwikkeling van synthetische ammoniak en de organische synthese.
Deze omwenteling heeft ingrijpende gevolgen op het vlak van kennis. De verhouding tussen wetenschap, techniek en industrie verandert. Tijdens de eerste industriële revolutie blijft de traditionele knowhow de sleutel tot succes. Nu is echter het tijdperk van de ingenieurs aangebroken. Er is geen enkele belangrijke industriële vooruitgang denkbaar zonder voorafgaande wetenschappelijke studie. De techniek doet steeds vaker een beroep op het laboratorium. Peter Weingart en François Caron noemen dit proces “de verwetenschappelijking van de techniek”.
De overgang van ijzer naar staal is bij Jules Verne het eerst merkbaar in de wapenindustrie. Het Columbiad-kanon dat de “exploronauten” richting maan schiet, is een enorm gietijzeren gevaarte dat in Florida gegoten is in 1200 koepelovens (“Van de aarde naar de maan”, 1865; “De reis om de maan”, 1869). Alleen door zijn grootte verschilt het van andere toenmalige mortieren. Met zijn driehonderd ton en zijn 1500 mm diameter wordt de houwitser van dokter Schulze geladen via de kulas. Hij rust op een stalen affuit en is uitgerust met stalen veren, zodat er geen terugstoot is (“De 500 miljoen van de Begum”, 1879). De fabrieksstad Stahlstadt (“staalstad”) die de fanatieke Pruisische privaatdocent laat bouwen, is een exacte kopie van de geïntegreerde fabrieken in Duitsland.
Na hun nederlaag in 1870 maakten de Fransen zich voortdurend wijs dat de Pruisen hun superioriteit te danken hadden aan de kwaliteit van hun bewapeningsstaal. Vandaar dat Stahlstadt na zijn mislukking overgenomen wordt door de Elzassische ingenieur Marcel Bruckmann, die voor de omschakeling zorgt naar een vredesindustrie. De Great Eastern (een echte boot) is nog gemaakt van vastgeklonken ijzerplaten (“De drijvende stad”, 1871), maar de dubbele romp van de Nautilus is van gewalst staal dat samengehouden wordt door T-balken (“20 000 mijlen onder zee”, 1870). De demonteerbare sloep waarmee Afrika kan worden verkend, is van gegalvaniseerd staal en lijkt enorm goed op de sloepen die Cockerill bouwde van Stanley (“De avonturen van drie Russen en drie Engelsen”, 1872).
Jules Verne staat echter nog altijd behoorlijk “onder stoom” als hij zijn romans schrijft. Zo is de zee het toneel van een verwoede concurrentieslag, tussen de beste zeilboten (de Saint-Enoch, de Tankadère, de Savaréna, de Syphanta, de Sloaghi, de Alert, de Chancellor, de Halbrane, de Brick van Sacratif) en stoomzeilschepen zoals de Abraham Lincoln, de Alaska en de Henrietta, waarvan Phileas Fogg al het hout opstookt. Als een “Reis om de wereld in tachtig dagen” mogelijk is, komt dat omdat de expresstoomboten de wereld rond beginnen te varen. “Het Stoomhuis” (1879-1880) daarentegen is al een archaïsme. Twee pagoden worden voortgetrokken door een stoomlocomobiel die de vorm heeft van een olifant en uitgerust is met een buisvormige stoomketel met 60 m2 stookruimte en twee cilinders van 80 pk. Het reusachtige formaat van de machine contrasteert met zijn relatief geringe vermogen en wijst erop dat de techniek stagneert.
Het is merkwaardig dat Jules Verne geen motoren met inwendige verbranding opvoert in zijn boeken. In “Parijs in de twintigste eeuw” (1860) zijn verschillende taxi’s (de zogenaamde “gaz-cabs”) wel uitgerust met gasmotoren. Toch dient de olie alleen om de Angara in brand te steken (“Michael Strogoff”, 1876) of om briketten mee te maken die in verwarmingsketels gaan (“Het bestuurbare eiland”, 1895).
Jules Verne is gefascineerd door elektriciteit, “een kracht die ooit het kloppend hart van de industrie zal worden” (“Robur de Veroveraar”, 1886). Sommige effecten zijn al geruime tijd bekend. Zo zijn de elektrische projectielen die kapitein Nemo afvuurt met zijn onderwatergeweer, Leidse flessen (“20 000 mijlen onder zee”, 1869-70). Het dek van de Nautilus wordt geëlektrificeerd om de barbaren tegen te houden. Hetzelfde gebeurt met de kettingen van de valbrug in “Het Spookkasteel” (1892), om Nick Deck de toegang tot het kasteel te beletten. Elektriciteit zorgt voor de ondergrondse verlichting van Coal City (“Het zwarte goud”, 1877), maar ook voor de individuele verlichting van de vulkanologen (“Naar het middelpunt der aarde”, 1864) en van de autonome helmduikers (“20 000 mijlen onder zee”).
Elektrische circuits verbinden de boordinstrumenten met de machinekamer van de Nautilus en zijn sloep is via een telegrafische draad verbonden met het stuurhuis. Zo’n draad verbindt trouwens ook het Spookkasteel met de herberg van koning Mathias. En dankzij de telegraaf kunnen journalisten ogenblikkelijk nieuwsberichten vanuit Siberië, bijbelverzen of Parijse chansons versturen (“Michael Strogoff”). Het gaat telkens om gelijkstroom die geproduceerd wordt door diverse batterijen van het type Bunsen of Rahmkorff.
Alleen in “Het bestuurbare eiland” (1895) wordt de stroom geproduceerd door dynamo’s die aangedreven worden door stoommachines.
Maar of het nu om stoom of om elektriciteit gaat: het energiesubstraat is steenkool, en in “Het zwarte goud” maakt de auteur duidelijk dat deze brandstof vroeg of laat uitgeput zal raken.
Het is gemakkelijk en eerlijk gezegd ook vrij zinloos om eraan te herinneren dat de machines die Jules Verne bedacht, in zijn tijd onhaalbaar waren (anders had de schrijver er zeker een patent op genomen). Zo is de luchtballon Victoria, waarbij de waterstof uitzet door de warmte van een brander, een heuse vliegende bom (“Vijf weken in een luchtballon”, 1863).
Om Vernes verbeeldingsrijke gedachtengang te kunnen volgen moeten we zijn machine vergelijken met het technische systeem waaruit ze noodzakelijkerwijze is ontstaan. Op die manier kunnen we de materialen, energievormen en aandrijving van de Nautilus (1873) en de Albatros (uit “Robur de Veroveraar”, 1886) onder de loep nemen. Tussen beide schepen liggen dertien jaar en een uitvinding: de omkeerbaarheid van de dynamo, met andere woorden: de elektromotor (1878).
Zoals we eerder al opmerkten is de Nautilus van staal. Hij is bestand tegen de druk van de diepzee dankzij zijn T-balken, een op zijn zachtst gezegd optimistisch uitgangspunt. “Zijn scheepshuid kan het niet begeven: ze hecht vanzelf in plaats van met klinknagels. Ze dankt haar homogene constructie aan de perfect geassembleerde materialen, waardoor ze zelfs de meest woeste zeeën kan trotseren.”
De onderzeeër wordt aangedreven door de elektriciteit die geproduceerd wordt door natriumbatterijen. “Het is dat natrium dat ik uit het zeewater haal en waarmee ik mijn elementen vervaardig (…). Vermengd met kwik, vormt het een amalgaam dat zink vervangt in de Bunsen-elementen. Kwik slijt nooit, terwijl natrium op zich verteert, en de zee schenkt het me vanzelf. Bovendien moeten natriumbatterijen als de krachtigste worden beschouwd. Zo ligt hun elektromotorische kracht twee keer zo hoog als bij zinkbatterijen.”
De romanschrijver extrapoleert hier op basis van toenmalig onderzoek: hij vervangt het zuur van de batterijen en verhoogt hun vermogen en hun levensduur. En wat schrijft Verne over de motor? “De geproduceerde elektriciteit beweegt zich naar achteren, waar ze werkt via grote elektromagneten in een speciaal hefboom- en tandwielsysteem dat de beweging overbrengt op de schroefboom.” Verne is goed vertrouwd met elektromagneten en heeft een soort krukasmechanisme in gedachten waarbij de krukstangen om beurten aangetrokken en afgestoten worden en waarbij hun slingerbeweging verandert in een draaibeweging.
De Albatros biedt, net als alle schepen die zwaarder zijn dan de lucht, in die tijd een dubbele uitdaging: de lichtheid van de materialen en de gewicht-krachtverhouding van de motor. Het schip is gemaakt van “papier zonder lijm waarvan de bladeren doordrenkt zijn met dextrine en zetmeel, en vervolgens samengedrukt worden met een hydraulische pers.” En wat de schroeven betreft: “De met gelatine bedekte vezel maakt de substantie tegelijk krachtig en soepel.”
De analogie met de moderne kunststoffen is wat vergezocht. Verne bedient zich als het ware vrijelijk van de hydraulische pers en het onderzoek in de textiel- en de papiersector om vezelhoudende stoffen te doordrenken. De 39 schroeven worden nog altijd voortbewogen door elektriciteit, maar over de “buitengewoon rendabele” batterijen en de accumulatoren laat de auteur minder los.
In beide gevallen geeft hij de indruk dat zijn verbeelding hier slechts en kleine rol speelt. Hij houdt ze in bedwang, hoedt zich voor nutteloze overdrijvingen en beperkt zich tot extrapolaties. Daarbij gaat hij uit van de mogelijkheden van een technisch systeem dat hij weliswaar beheerst, maar waarvan hij de beperkingen uitvlakt.
Onder invloed van artikels zoals dit van Robert Halleux en ook een spectaculaire documentaire op televisie wou ik op 65-jarige leeftijd nog eens de magie uit mijn kinderjaren beleven en uit mijn uitgebreide Verne-bibliotheek koos ik het verhaal “De geheimzinnige straal”, omdat deze titel veel beloftes inhield. Misschien was deze straal wel afkomstig van kapitein Nemo of van Robur de Veroveraar? Niets was echter minder waar. Ik had beter op de oorspronkelijke Franse titel gelet (uit 1882), want die was gewoon “Le rayon vert” en inderdaad, het povere verhaaltje gaat gewoon over een natuurfenomeen, niks geheimzinnigs aan. Dank u, vertaler Pieter Verhulst of uitgever Loeb, om mij op het verkeerde been te hebben gezet!
Nee, wat we uiteindelijk voorgelegd krijgen is een soort van Courths-Mahler verhaaltje over een verwend nest dat bestemd is om te worden uitgehuwelijkt aan een saaie wetenschapsman en die uiteindelijk voor een avontuurlijke schilder kiest. Het geheel speelt zich af in het Noord-Westen van Schotland en het enige wat ik er van Jules Verne in herken, is het gedegen documentatiewerk over alle hoeken en kantjes van de Schotse kust (in de genoemde documentaire werd o.a. verteld dat een aantal van zijn verhalen eigenlijk zijn geschreven door zijn veel minder getalenteerde zoon: misschien was dit er wel één van?). Tenzij hij misschien zichzelf ook spottend ten tonele voert in de persoon van de saaie wetenschapper, die de ongelooflijke naam Aristobulus Beerenkooi meekrijgt (terwijl de andere namen toch degelijke Schotse namen als Campbell, Melvill of Sinclair zijn). Ik moet toegeven dat het deze keer geen fantasietje van de vertaler betreft, want in het originele werk heet dat heerschap ook Aristobulus Ursiclos…
HET GELOOF IN DE TECHNOLOGIE
Het geloof in de technologie weerspiegelt zich ook in “Streethawk”, een actiefilm van Virgil W.Vogels uit 1984 met een wonderbaarlijke motor die wordt ingezet in de strijd tegen drugs, zoals dat in “Blue thunder” het geval was met een helicopter en in “Knight rider” met een auto. De acteurs zijn Rex Smith, Christopher Lloyd, Jayne Modean, Richard Venture en Joe Regalbuto. De muziek is van Tangerine Dream.
Vaak vind je referenties naar strips in dergelijke geweldfilms, zoals “Total Recall” of “Robocop”, allebei van Paul Verhoeven. “Robocop” speelt zich af in Detroit, in de nabije toekomst. Een politieagent wordt tijdens een actie gedood. De man wordt door het bedrijf dat de politietaken heeft overgenomen omgebouwd tot een ingenieuze moordmachine. Het cybernetische mechanisme dat perfect gehoorzaamt neemt echter zelf wraak op zijn moordenaars. In deze cynische en sombere visie op de toekomst etaleert Paul Verhoeven het ultieme tempo van de actiefilm en integreert hij naadloos de fantastische animaties van Pil Tippet.
Soms gaat er ook iets verkeerd met al die technologie, maar als het dan een komische film betreft, krijgt de machine dan juist iets menselijks, zoals in “Short circuit” van John Badham (gevolgd in 1988 door de onvermijdelijke sequel, deze keer van Kenneth Johnson) of “D.A.R.Y.L.” van Simon Wincer (eveneens uit 1988), waardoor de machine zich tegen zijn duivelse maker gaat keren.
Maar meestal gaat het inderdaad verkeerd en blijkt de machine nog moorddadiger te zijn dan gepland. Zo zal Starr Andreeff de hoofdrol spelen in “Syngenor” over wetenschappers die eeen lévend wapen uitvinden. Het ontsnapt echter en doodt de “verkeerde” mensen. Niet bijster origineel, want die problematiek vinden we b.v. ook al in “Eve of destruction” met Renée Soutendijk, “Westworld” van Michael Crichton en het vervolg “Futureworld” (Richard T.Heffron). Het hoeven trouwens niet noodzakelijk op hol geslagen machines te zijn. Vele SF-regisseurs zien de toekomst als gewelddadig: “Rollerball” van Norman Jewison uit 1975 (*) b.v. of “Mad Max” van George Miller uit 1979. En als het dan wel al “peaceful” is, dan blijkt er een vreselijke realiteit achter schuil te gaan zoals in “Soylent green” (Richard Fleischer, 1975). Of de boekverbrandingen zijn teruggekeerd (“Fahrenheit 451” van François Truffaut, 1966). Of erger nog: apen regeren onze planeet, zoals in “Planet of the Apes” van Franklin Schaffner uit 1967 (**).
“BEST OF BOTH WORLDS” (?)
SF-films zijn bijna even oud als het filmmedium zelf. In 1900 is Méliès opnamen aan het maken van het verkeer op de Place de l’Opéra in Parijs, als plots de camera blokkeert. Even nadien is het euvel al verholpen en draait de kamera opnieuw verder. Als de film ontwikkeld is en Méliès het resultaat van zijn documentaire opnamen bekijkt, ziet hij dat er op een bepaald moment een autobus in beeld verschijnt die plots in een lijkwagen verandert. Tot zijn eigen grote verbazing had hij een van de allereerste filmtrucages ontdekt… Hij past deze techniek uitgebreid toe in “Voyage à la lune”, meteen één van de eerste SF-films. Nadien volgt o.a. “Frau im Mond” van Fritz Lang. Het bekende verlangen van de mens om naar de maan te vliegen, wordt hier zo realistisch gestalte gegeven dat de nazi’s de film later uit circulatie namen, omdat ze vonden dat de raket die Lang liet ontwerpen te zeer leek op hun V1- en V2-project. In deze film is Lang overigens ook de uitvinder van de “countdown”, wat later effectief door de wetenschappers werd overgenomen. Toegegeven, het is een wetenschappelijk detail, want voor wetenschap moet je verder niet bij deze film of film in het algemeen zijn. Nemen we alleen nog maar een ruimteschip: dat bevat meestal tal van fotogenieke open ruimte. Men kan zich wel afvragen waartoe deze leegten dienen. Want alles is functioneel in een ruimteschip, al was het maar omdat het anders te groot wordt en dus ook veel zwaarder en dat er veel meer brandstof nodig is om het te laten opstijgen. (Die brandstof zelf neemt dan ook weer plaats in, enzovoort, enzoverder.)
In tegenstelling tot Jules Verne is Herbert George Wells van mening dat die materiële vooruitgang hoegenaamd geen zedelijke vooruitgang met zich meebrengt en nochtans is het enkel deze evolutie die ons van de ondergang kan behoeden. Het meest geciteerde voorbeeld is het slot van “Oorlog der Werelden”. Nadat een beschaving die zogezegd nog verder gevorderd was dan de onze hier een spoor van vernieling heeft achtergelaten, sterven deze superieure wezens uiteindelijk omdat ze niet bestand zijn tegen een simpele microbe, een virus dus. Dit vinden we als het ware geparodieerd ook terug bij “Independence day”, waar de veroveraars worden geveld door… een computervirus! (***)
SOVJET-SF
In 1924 wordt overigens in de Sovjetunie een SF-film gedraaid door Jakov Protazanov. “Aelita” handelt over twee Sovjetburgers die op de planeet Mars belanden waar een autoritair regime heerst. Toch slagen ze erin samen met de slaven het socialisme te vestigen. Pure propaganda dus, maar in de discussies over het gebrek aan wit brood en goede wijn weerspiegelt zich toch ook de onvrede over de Nieuwe Economische Politiek. Op formeel vlak zijn de decors van de film schatplichtig aan het constructivisme.
De voornaamste Russische SF-regisseur is echter Pavel Klushantsev (+1999), die zich voor zijn producties liet adviseren door de leider van het ruimtevaartprogramma van de Sovjetunie. Die wetenschappelijke precisie werd gekoppeld aan een vakkundig meesterschap wat de “special effects” betrof. Op die manier werden “Meteoor” (1949), “The universe” (1951), “Doroga k zvyezdam” (“Road to the stars”, 1957) verplicht studiemateriaal in Hollywood. Daar nam men het overigens niet al te nauw met de artistieke deontologie, aangezien “Planeta Bur” in 1962 als “Planet of Storms” werd aangekocht door niemand minder dan Roger Corman. Die verving de Russische kosmonaute door een Amerikaanse stand-in en liet op de planeet Venus allerlei schaarsgeklede mooie vrouwen rondlopen. Nu, hoe erg dit ook mag zijn, Corman verdient enige verschoning aangezien scenario schrijven niet bepaald de sterkste kant van Klushantsev was. Dat vond ook de Russische studio in Leningrad, waaraan hij verbonden was, en na verloop van tijd werd hij ontslagen. Aangezien hij in zijn dagboeken ook een kritische stem tegenover het regime liet horen, worden hier politieke motieven aan gekoppeld, maar die dagboeken zijn pas na de val van het communisme ontdekt, dus onder het regime zelf was Klushantsev zeker geen “rebel”. Zelfs het feit dat die door Corman verknipte kosmonaute ook in Rusland kritiek kreeg omdat ze op een bepaald moment begint te wenen, kan moeilijk aangevoerd worden als een “politieke boycot”.
DE RODE PLANEET MARS
Men kan natuurlijk ook een parallel trekken tussen die “superioriteit” en de Uebermensch-theorieën van bepaalde regimes die we maar al te goed kennen. Een soort van racisme is deze boeken trouwens niet vreemd: “Aliens” zijn minderwaardig aan ons, mensen, en indien we ze dan al niet uitroeien, dan zijn ze ten hoogste goed om als een soort huisdieren te worden behandeld. Was de oorspronkelijke definitie van “alien” in The First Oxford English Dictionary (1871) immers niet: “A person who belongs to a different political society than that in which he resides”?
In “Red Planet Mars” werd het Rode Gevaar zoals zo vaak in SF-films gelijk gesteld met buitenaardse indringers, zoals Arthur Miller opmerkt: “Een beetje paradoxaal in een land dat uit niets dan immigranten bestaat!”
In “Invaders from Mars” van William Cameron Menzies (1953) worden ze gewoonweg “apes” genoemd. Nu mag het waar zijn dat in de film de marsmannetjes zoals Mr.Bean lopen in een carnavalspak, waarvan men op de rug nog de sluiting kan zien, toch is dit zo’n typische SF-film, die eigenlijk een parabel is tegen het “communistische gevaar”. Een 12-jarig jongetje (Jimmy Hunt) ziet een ruimteschip landen en als zijn vader een kijkje gaat nemen komt hij gehersenspoeld terug. De symboliek is nauwelijks verborgen! Pikant detail: die vader werkt op een kerncentrale, waar de geleerden Helena Carter en Arthur Franz uiteindelijk het Kwade overwinnen.
De allereerste film waarin het begrip “vliegende schotel” voorkomt, heet trouwens gewoon “The Flying Saucer” en dateert uit 1950, een jaar nadat een boek over het zogenaamde Roswell-incident was uitgekomen en op een enorm succes kon rekenen. Maar in “Flying Saucer” was de schotel gewoonweg van Russische makelij.
Quasi dezelfde thematiek vinden we weer in 1956 in “The invasion of the body snatchers” (Don Siegel), naar het boek van Jack Finney (1911-1995) of “The thing” van Christian Nyby. Zowel “The body snatchers” als “The thing” werden later nog eens overgedaan. De laatste film door John Carpenter in 1982, de eerste zelfs tweemaal, eerst door Philip Kaufman, nadien door Abel Ferrara.
Maar je hoeft niet per se een “remake” te maken om toch min of meer dezelfde film te draaien. Zo komt het thema van “The thing” (een levensgrote buitenaardse bacterie komt tot leven op de Zuidpool) een dikke tien jaar later nog eens terug in “Ice Station Zebra” van John Sturges en in 2010 in “Arctic Predator” van Victor Garcia.
MICHELIN-MANNETJE
Nog altijd in 1956 is er trouwens ook “Earth versus the flying saucers”, waarbij deze laatsten net zoals in “Independence day” zowaar het Capitool vernietigen – alsof het nog niet duidelijk genoeg was! Zelfs Roger Corman laat zich in datzelfde jaar aan die propaganda vangen. In “It conquered the world” is Lee Van Cleef een geleerde die de landing van een delegatie van Venus meemaakt. Venus is weer eens iets anders dan Mars denkt Van Cleef, maar zoals de titel reeds laat vermoeden, vergist hij zich in de vreedzame bedoelingen van de bezoekers. Alweer een hint naar de “sirenenzang” van het communisme! Het merkwaardige is dat die Venerische bezoeker eruit ziet zoals het Michelin-mannetje in de Ronde Van Frankrijk. Als wijzelf daarentegen naar Venus gaan, dan blijkt daar Zsa Zsa Gabor te wonen (“Queen of outer space” van Edward Bernds uit 1958).
In 1957 is er ook nog “Invasion of the saucer men” van Edward L.Cahn met Steve Terrell, Gloria Castillo, Frank Gorshin en Raymond Hatton. Deze humoristisch bedoelde B-film wil eigenlijk vooral een aanklacht zijn tegen het feit dat jongeren nooit worden geloofd door politie en gerecht – zeker niet als het wapen van de buitenaardsen een alcohol-injectie blijkt te zijn! Alhoewel hij voor de rest totaal verwaarloosbaar is, vallen er hier een paar sterk racistische uitspraken te noteren. Zo worden de jongeren aangeklaagd van iemand te hebben omvergereden. Het betreft een “little green man”, maar zijn collega’s waren zo snugger hem tijdig te verwijderen en een gedode zuiplap in zijn plaats te leggen. De verdediging van de jongeren: “You don’t mean to say that killing a little green monster is the same as killing a man!” Het wordt nog straffer als nadien blijkt dat de dronkelap eerst al dood was (namelijk door zijn eigen alcoholverslaving + de alcohol van de marsmannetjes) vooraleer hij zogezegd werd aangereden. Aangezien ook de dochter van de onderzoeksrechter in de auto zat, wordt er letterlijk gezegd: “You’re lucky, it’s a nobody, probably everything will work out fine.”
“The creature of the Black Lagoon” is ook zo’n SF-film die eigenlijk anti-communistisch wil zijn, net als “Them!”, waarin een aanval door buitenaardsen zelfs het gebruik van atoomwapens moet ondersteunen.
En dan is er nog Phil Tucker die voor “Robot monster” in 1953 een invasie van een soort van ruimtegorilla’s verzond, die gebruik maken van dinosaurussen om de aarde te veroveren. Eigenlijk was dit voor hem een aanleiding om niet gebruikte footage van “One million B.C.” van Hal Roach uit 1940 en “The lost continent” met Cesar Romero uit 1951 aan te wenden. Met “echte” robotten heeft deze film dus weinig vandoen. Dat woord werd overigens uitgevonden door de Tsjechische toneelauteur Karel Capek in januari 1921 voor zijn stuk “R.U.R.”
“The day the earth stood still” van Robert Wise (****) is in die periode met de figuur van Klaatu (Michael Rennie) een merkwaardig “pacifistische” SF-film. In 2008 kwam er een ontstellend slechte remake van deze film door Scott Derrickson. Klaatu wordt hierin vertolkt door Keanu Reeves. De manier om de “onbewogen” Klaatu te spelen, kan je hem niet echt kwalijk nemen, maar na zovele jaren van Dr.Spock heb ik het wel gehad met “aliens die geen gevoelens hebben”. Veel en veel erger is echter de prestatie van Jennifer Connelly die totaal ongeloofwaardig is als topwetenschapper. Zelfs Kathy Bates weet met zichzelf geen weg als plaatsvervanger van een gevluchte president. Deze film past ook helemaal in de nieuwste trend om Sci-Fi aan te wenden om de milieuverloedering aan te klagen (Klaatu komt om de aarde van de mensen te redden en niet omgekeerd!). Dit wordt er echter zo Hollywoodiaans dik opgesmeerd dat je met genoegen een stapel autobanden in brand zou steken. Vooral dan de manier waarop deze film zich helemaal inschrijft in de verkiezingscampagne van Barack Obama is ergerlijk: “We can change, we can change” wordt zovele keren herhaald dat het onze oren uitkomt (bovendien zal achteraf blijken dat Barack Obama uiteindelijk heel weinig heeft gedaan om b.v. de opwarming van de aarde tegen te gaan). Als Connelly dan van Bates de raad krijgt: “Don’t change his mind with reason but with yourself”, ga je je afvragen: bedoelt ze nu dat ze seks moet hebben met Klaatu???
Dat Klaatu uiteindelijk vermurwd wordt doordat een rotjoch (Jaden Smith) na veel vijven en zessen de weduwe van zijn vader eindelijk “mama” noemt, is het toppunt van slechte smaak. Tenzij het de passage bij geleerde John Cleese zou zijn. Daar maakt Klaatu immers kennis met de muziek van Bach, gespeeld op piano!
De meest geliefde alien blijft dan ook ongetwijfeld Steven Spielbergs “E.T.” (1982). Staan de positieve bedoelingen van Spielberg buiten kijf (het huisgezin zonder vader is autobiografisch wat Steven Spielberg betreft), dan wijzen commentatoren er toch op dat de “alien” misschien zo sympathiek overkomt omdat hij slechts een “bezoeker” is en niet van plan zich hier blijvend te vestigen. Daarbij wijst men op de publieke opinie over politieke vluchtelingen of migranten b.v., want het is duidelijk dat aan het “alien”-aspect ook een racistische bijklank kleeft.De relatie tussen onze houding tegenover aliens en racisme wordt heel uitdrukkelijk gelegd in “Enemy mine” van Wolfgang Petersen.
HORROR-SF
De meest sexy Alien is niet toevallig die uit “Starman” (John Carpenter), omdat hij de vorm van een overleden jongeman (Jeff Bridges) heeft aangenomen.
Wat in “Event Horizon” begint als een “Star Trek”‑achtig ruimteavontuur, verandert langzaam maar zeker in een afschuwwekkend huiverfestijn. Lawrence Fishburne is de gezagvoerder van een ruimtetuig dat een spookschip moet onderzoeken, dat na jaren vermist te zijn plotseling is teruggekeerd uit een andere dimensie. Blijkt dat het gedoemde schip een retour‑reisje maakte naar de hel en een paar akelige souvenirs meebracht. De film zelf is een staaltje van genetische herschikking van allerlei plot‑elementen, shockeffecten en tijdruimtelijke concepten uit een half dozijn films over monsters, demonen en grensverleggende reizen (de “Alien”‑serie, “Hellraiser”, “Solaris” en “The Shining”). Niet bijster origineel dus, maar behoorlijk angstaanjagend en lekker gruwelijk voor wie zijn horrorportie graag bloedrood geserveerd krijgt. Vaardig geregisseerd door de jonge Brit Paul Anderson (“Shopping”, “Mortal Combat”), niet te verwarren met de Paul Thomas Anderson van “Boogie Nights”.
In een tijd dat ruimtereizen niet langer tot het domein van de SF behoren, is een film als “Capricorn one” (Peter Hyams) misschien interessant, aangezien de fictie juist een onderdeel is van het plot: aangezien een trip naar Mars nog niet tot de mogelijkheden behoorde, wordt hij dan maar gefingeerd. Als de astronauten hier achter komen en het spel niet willen meespelen, is hun leven in gevaar. Of er is het claustrofobische gegeven dat wordt bespeeld door John Woo, de meest bejubelde actie-regisseur (ten onrechte volgens velen die het gratuïte geweld in zijn films aanklagen) in “Virus”. Een film over een virus (hoe rààdt u het!?) dat ruimtereizigers aantast. Door het claustrofobische gegeven verwijst de film naar “Aliens” (het is van dezelfde producer, Gale Ann Hurd), maar anderzijds lijkt dit toch ook een verwijzing naar aids. Een virus dat dood en vernieling zaait, is nochtans niets nieuws in de film. In “The Andromeda Strain” van Robert Wise uit 1971 komt het reeds voor. Typisch is ook het “hush up”-effect van de regering dat wordt aangeklaagd (cfr.”Outbreak”). Deze film met Arthur Hiller, Kate Reid, David Wayne en James Olson was reeds gebaseerd op een scenario van Michael Crichton.
FEMINISME
Jenny Wolmark onderzoekt in “Aliens and others” (Herts, 1993) de raakvlakken tussen feministische science fiction en postmodernisme. Ik heb het zelf nog niet gelezen, maar ben eigenlijk wel benieuwd omdat naast het latente racisme in SF-films ook de vrouwonvriendelijkheid toch wel een constante is. Niet alleen is er de bijna totale afwezigheid van vrouwen in dergelijke films, àls ze er dan al zijn, zijn ze bang en/of hysterisch, waardoor ze het leven van anderen in gevaar brengen, maar gelukkig is er meestal wel een stoere man bij de hand om redding te brengen.
Eén uitzondering uiteraard: commander Ripley uit de “Alien”-reeks. Maar tegelijk is het ook een goed voorbeeld van wat ik kom te zeggen. Ripley was immers oorspronkelijk inderdààd een man. Toen de jonge Sigourney Weaver voor haar eerste filmrol werd opgevorderd, deed men dat dan ook in de veronderstelling dat Sigourney een jongensnaam was (in werkelijkheid heet Weaver “Suzie”, maar dat vond ze niet passen bij haar 1,80 meter). Pas toen Weaver in haar volle lengte voor de casting crew stond, begon men de mogelijkheden van een “geslachtsomkering” in te zien.
Het boek van Wolmark kwam twee jaar te vroeg om ook “Species” van Roger Donaldson met Michael Madsen, Ben Kingsley, Alfred Molina en Forest Whitaker te kunnen behandelen. Vertrekkende van wetenschappelijke gegevens (“two decades ago scientists sent a message to space; this is the reply”) speelt deze film weer in op het angstgevoelen met de reclameslogan “Our time is up”. Voor wie dacht dat het ook wel ecologische bedoelingen kon hebben, het gaat over een beeldschone vrouw (Natasha Henstridge), die, gecreëerd met genetisch materiaal uit de ruimte, bij een orgasme haar minnaars aan stukken scheurt. Had die wetenschapper toch wel genetisch materiaal van een kruisspin gebruikt, zeker! Alle gekheid op een stokje, de onderliggende boodschap van deze film is duidelijk: kijk uit voor mooie en verstandige vrouwen, die verslinden je met huid en haar.
Een toekomstbeeld van een wereld overheerst door vrouwen werd rond de vorige eeuwwisseling reeds voorgespiegeld door Alice Guy, de allereerste vrouwelijke filmregisseur (“In the year 2000”). En niet lang daarna was er in 1924 “The last man on earth” van John G.Blystone, waarin nog vroeger, met name in 1954, een epidemie werd voorzien die alle mannen zou uitroeien. ’t Is te zeggen: op één exemplaar na (Buck Black). Uiteraard zijn het enkel de Verenigde Staten die zich dit unieke exemplaar kunnen veroorloven…
Dergelijke (soms als afschrikwekkend voorgestelde) scenario’s zijn eigenlijk afkomstig uit het zogenaamde “sword & sorcery”-genre. De vrouwen die een rol spelen in “sword & sorcery” dragen altijd een outfit die aan SM doet denken (“Red Sonja” met Brigitte Nielsen, “Xena, warrior princess” met Lucy Lawless, maar ook de fee Galaxa in de Rode Ridder!) en dat zal ook wel bijdragen tot de populariteit. Terry Goodkind maakt in zijn debuut “Wizard’s First Rule” zelfs (functioneel) gebruik van SM-elementen, wat eigenlijk niet verwonderlijk is, aangezien veel fantasy-literatuur op geritualiseerde handelingen berust.
Vandaar dat we klassieke SM-elementen (“eyes down” en “he hasn’t been properly trained” zijn letterlijke citaten uit “histoire d’o” maar dan met rollenomkering) ook terugvinden in een aflevering van de tv-serie “Planet earth” op basis van een idee van Gene “Star Trek” Roddenberry. In de 23ste eeuw zou de aarde immers opgedeeld zijn in leefgemeenschappen die in diverse stadia van ontwikkeling verkeren. Zo is er ook een haast middeleeuwse gemeenschap, waar de vrouwen het voor het zeggen hebben en de mannen als slaven worden gebruikt. En alsof het allemaal nog niet duidelijk genoeg is: een deel van de “plot” draait om het feit dat deze mannen gedrogeerd worden zodat ze angstig zijn, maar wanneer op het einde deze drug wegvalt, blijven de meesten toch graag in dienst van hun meesteres…
Nog in 1996 kwam “Mars attacks” eraan van Tim Burton met in de hoofdrollen: Jack Nicholson (dubbelrol: president en oplichter), Annette Bening (de vrouw van de oplichter, een New Age adepte), Glenn Close (vrouw van de president), Pierce Brosnan (als presidentieel adviseur), Sarah Jessica Parker (MTV-journaliste), Martin Short (presidentieel woordvoerder), Rod Steiger (ijzervretende generaal), Paul Winfield (vredesduif-generaal), Jim Brown (als ex-bokser), Pam Grier (diens vrouw), Barbet Schroeder (president van Frankrijk) en Tom Jones als zichzelf. Voor zijn agressieve marsmannetjes heeft Burton zich laten inspireren door de zogenaamde “trading cards” van de Topps Company uit 1962, in volle koude oorlog dus: remember de Cuba-crisis! Dat is ook het geval voor het boek waarop de “Starship troopers” van Paul Verhoeven zijn gebaseerd. Reken daarbij nog een vierde “Alien” en men mag over een echte herleving spreken. Dat dit te maken zou hebben met de populariteit van de SF-reeks “The X-Files” wil ik best geloven, maar dat de onderliggende idee van xenofobie ook weer de kop opsteekt, is veel angstaanjagender!
Robert Heinlein (1907-1988), de auteur van “Starship troopers”, werd trouwens als een verspreider van fascistische ideeën beschouwd (b.v. een superras in “Methuselah’s children” uit 1958, een boek dat herinneringen oproept aan “Slan” van de al even controversiële A.E.Van Vogt) en in Nederland werd de verkoop van “Starship troopers” (1960) verboden tot in 1992. Verhoeven geeft in Humo van 27/1/1998 toe dat hij dit wist: “Er zitten natuurlijk aanstootgevende elementen in het boek van Robert Heinlein, want uiteindelijk schetst hij een soort fascistisch Utopia. Maar ik dacht dat de satire en de ironie in de film genoeg zouden laten blijken dat we met hem van mening verschillen. (…) In het begin van de film hangt er bovendien een sfeer van onschuld op die school, zo van ‘de lucht is blauw en het gras is groen’. Dat soort gevoel past gewoon beter bij mensen die er goed uitzagen. En in het begin moet alles er extra clean en vriendelijk uitzien om de vernietiging die volgt te benadrukken.”
Interviewer Kurt Vandemaele is echter ook niet van gisteren en repliceert: “Maar door te stellen dat alles inderdaad zo schoon is, zegt u eigenlijk dat het fascisme werkt. Er zijn geen drugsproblemen, er is geen criminaliteit en ware het niet voor die akelige insecten, dan liep iedereen met een brede glimlach op zijn gezicht. Dus kan de film als een pleidooi beschouwd worden voor dat soort maatschappij.”
Verhoeven: “Nou nee, niet als een pleidooi. We stellen de vraag: ‘Welke prijs betaal je ervoor? Wat kost je een regime waarin criminaliteit wordt opgelost zonder dat er nog enige vorm van rechtspraak is?’ Misdadigers worden opgepakt, de rechter bekijkt ze even, en nog dezelfde avond worden ze ook opgeknoopt. Dus eigenlijk zeg ik ook: ‘Wacht eens even, denk eens goed na over de consequenties.’ Zo’n maatschappij is niet zo mooi als ze oogt.”
“WE COME IN PEACE: SHOOT TO KILL!”
In 1951 schreef Heinlein (*****) “The Puppet Masters” over een ras van buitenaardse parasieten dat zich op de rug van de aardbewoners vastzet en deze hun wil oplegt. Aliens voorstellen als een soort nietsontziende imperialisten is natuurlijk het middel bij uitstek als men daarmee de communistische oproep tot wereldrevolutie wil ontkrachten, maar dat het westen zélf steeds imperialistische neigingen heeft vertoond, kan men toch niet helemaal verhelen. Als wij echter naar àndere planeten trekken dan wordt dat plotseling een positief gegeven. Wij gaan daar dan eventjes onze “beschaving” brengen, net zoals we dat destijds met de kolonies deden. Paul Verhoeven ontkent in datzelfde interview trouwens dat hij eigenlijk ook dat “imperialistische” standpunt aankleeft: “De oorlog in de film wordt niet door de insecten gestart, maar is het gevolg van de kolonisatiewoede van de aardbewoners. Mormoonse extremisten trekken naar die planeten aan de andere kant van het zonnestelsel en proberen er koloniën op te richten. De aanval van de insecten is eigenlijk niets meer dan een vergelding.”
Veel vroeger (namelijk in 1938) was “Tarzan” Buster Crabbe reeds zo’n kolonisator in “Flash Gordon’s trip to Mars”. Een variante daarop was in 1964 “Robinson Crusoe on Mars” van Byron Haskin. Byron Haskin (1899-1984) is begonnen als cameraman en “special effects”. Niet te verwonderen dat zijn voornaamste films “The war of the worlds” (1953) en “Conquest of space” (1955) zijn. Dat Robinson-thema is trouwens een weerkerend thema in SF-films.
Natuurlijk was er in 1956 ook het legendarische “Forbidden planet” van Fred McLeod Wilcox, een zeer vrije en zeer freudiaanse (aldus Patrick Duynslaegher) adaptatie van Shakespeares “The tempest”. Vandaar dat de al even legendarische musical “The return to the forbidden planet” deze lijn doortrekt door Shakespeariaanse dialogen te vermengen met sixtiespop (waarbij opvalt hoe onopgemerkt de twee in elkaar schuiven!).
Soms ontdekt men het nieuwe leven niet buiten onze planeet, maar op onze eigenste aarde, die toch nog altijd voor zowat driekwart uit water bestaat en wat er zich daar beneden afspeelt, daar hebben we nog altijd niet helemaal zicht op. Dat kan dan aanleiding geven tot speculaties zoals in het geval van “Voyage to the bottom of the sea” van Irwin Allen en vooral in de James Cameron-film “The Abyss”. In deze film waarin leden van een gestrande duikboot buitenaards leven ontdekken aan de rand van de Cayman Trog treden Ed Harris en Mary Elisabeth Mastrantonio op als het echtpaar dat na vele moeilijkheden elkaar weervindt (een reflectie van Camerons eigen problemen met zijn vrouw Gale Anne Hurd, producente van de film), terwijl Michael Biehm de geschifte saboteur is.

Ronny De Schepper

(*) Opmerkelijk is dat in de traditionele eindejaarsvragen van Humo twee sportjournalisten deze film als beste film van het jaar opgeven. Rik De Saedeleer geeft als reden “omwille van het hallucinante beeld van de topsport in de volmaakt fascistische staat” en Fred De Bruyne formuleert het als volgt: “Rollerball, waar je koud van wordt omdat je weet dat het ook in de realiteit gebeurt”.
(**) De originele “Planet of the Apes” ontstond natuurlijk in de Koude Oorlog-tijdperk, waarbij iedereen dacht (en misschien ook wel gesuggereerd werd) dat de apen onze planeet hadden veroverd nadat een nucleaire oorlog een einde had gemaakt aan de menselijke beschaving. Als veel later (met name in 2011) de “prequel” “Rise of the Planet of the Apes” wordt gedraaid (door Rupert Wyatt) dan wordt er een heel andere uitleg aan gegeven, maar eigenlijk heeft deze film niets meer te maken met het boek van Pierre Boulle, die toen trouwens al vijftien jaar dood was.
(***) Echt geparodieerd wordt het in “Mars Attacks!” waarin country-gejodel uiteindelijk dodelijk blijkt te zijn voor de aliens. Dit was al eerder bedacht voor “The attack of the killer tomatoes” en al eens nageaapt door onze eigen Kamagurka met Captain Wally die met zijn liederen zelfs het ergste kwaad verdelgt. Auteur Arthur C.Clarke die zijn Odyssey-tetralogie laat eindigen met een computervirus dat als “Paard van Troje” in een buitenaards systeem wordt binnengesmokkeld (met name een reusachtige kopie van de monoliet waarmee het allemaal is begonnen) doet maar zuur over deze “toevallige” overeenkomst. En hij voegt er nog aan toe: “Ik hoorde ook dat het begin identiek is aan dat van Childhood’s End“, een ander verhaal van hem, daterend uit 1953 (“3001, de finale”, p.205).
(****) Voor zover ik me kan herinneren moet men de titel van “The day the earth stood still” niet letterlijk opvatten. Dat is in zekere zin echter wél het geval met “The core” van Jon Amiel uit 2003, waarin zo niet de aarde, dan toch de aardkern op een bepaald moment stil gaat staan. Dit heeft desastreuze gevolgen voor het elektromagnetische veld rond de aarde, waardoor er allerlei akelige dingen gebeuren (van mensen met een pacemaker die ter plekke dood vallen tot het oude Rome dat door blikseminslagen wordt vernietigd) en op een jaar tijd zowat alle leven op aarde zal uitgestorven zijn. Dat dient natuurlijk te worden verholpen door een soort van gyronef (van prof.Barabbas) naar de kern van de aarde te sturen om via het laten ontploffen van atoombommen die kern weer aan het roteren te krijgen. Hier lijken atoomwapens dus op het eerste gezicht ook goed van pas te komen, tot we op het einde van de film te weten komen wat aandachtige kijkers al lang wisten, namelijk dat die stilstand van de aardkern precies door diezelfde atoomgeleerden is tot stand gebracht in een poging om een “nog machtiger” wapen te creëren. Hier komen er dus geen aliens aan te pas: homo homini lupus est, in zijn zuiverste vorm.
(*****) Van hetzelfde allooi is natuurlijk L.Ron Hubbard, de stichter van Scientology, waarvan volgeling John Travolta ervoor zorgde dat Roger Christian in 2000 “Battlefield Earth: a saga of the year 3000” kon draaien naar het scenario van Hubbard. En met Travolta natuurlijk in de hoofdrol, zij het wel de rol van de oerslechte Psychlo Terl, die aan het einde ten onder gaat aan zijn zucht naar goud. De rol van “Hubbard”, als ik dat zo mag zeggen, wordt eerder gespeeld door Barry Pepper als Jonnie Goodboy (!) Tyler. De film werd door de lezers van Empire verkozen tot tweede slechtste film aller tijden. Alleen “Batman and Robin” deed beter…

Selectieve bibliografie
Jodi Dean, Aliens in America, Conspiracy cultures from outerspace to cyberspace, Cornell University Press, Ithaca/London, 1999, 242 blz.
Patrick Duynslaegher, Recente SF films: sprookjes en nachtmerries voor de toekomst, Knack, 29 juni 1977, p.50-51

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s