Morgen zal het precies 140 jaar geleden zijn dat de opera “Carmen” van Georges Bizet in première is gegaan. Het werd een desastreuze flop die in niets liet vermoeden wat voor een succes de opera zou worden na de dood van de componist.

Ze werkt in een fabriek om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Als dit haar onmogelijk wordt gemaakt door het rechterlijk apparaat, wordt ze smokkelaarster, steeds om haar persoonlijke integriteit te kunnen bewaren.”

Bovenstaand citaat komt zowaar uit het bladje van wat toen nog Amada heette (8/8/79) en uiteraard gaat het over Carmen, de vurige Spaanse schone, die als het aan Amada lag zowaar de plaats van Marianne zou mogen innemen om ons aan te voeren en de maatschappij van de tirannen te verlossen. Deze vrij ongewone bijdrage over zoiets burgerlijks als opera, verscheen naar aanleiding van de integrale plaatopname die D.G.G. “onder impuls van twee vooruitstrevende kunstenaars, Teresa Berganza en Claudio Abbado” op de markt had gebracht.

Ja, de vrouwen. In de opera lopen er prachtexemplaren rond. Zo’n Carmen b.v. die we kennen uit het verhaal van Prosper Mérimée en die de zot houdt met die onnozele hals van een Don José. De meest bekende aria’s uit deze opera van Georges Bizet zijn reeds zo rot gedraaid dat ze voor mijn part in de lade bij de liedjes voor het Eurovisiesongfestival mogen. Maar het slotduet, waarin Don José nog één keer smeekt dat Carmen bij hem zou terugkeren, “Carmen, il est temps encore”, dat is kippevel in het kwadraat. Zeker als het Placido Domingo is die hem zijn stem leent. En wat gedacht van Julia Miguenès-Johnson die hem kordaat weerstaat: “Jamais Carmen ne cèdera, libre elle est née et libre elle mourra!

Gerard Mortier van zijn kant heeft destijds in de Munt nooit “Carmen” gebracht: “Niet omdat ik het niet graag had gedaan, maar omdat ik geen Carmen had. Ik hoor dat mijn opvolger het zal opvoeren en dat vind ik zeer goed, want ik vind het een schitterende opera.” Over Micaela, die toch een beetje braver is in vergelijking met het seksuele vertier dat Carmen te bieden heeft, spreekt hij niet. En Amada al helemaal niet. Integendeel, aangezien de opera op dat gebied een beetje afwijkt van hoe men zou willen dat hij was, neemt men maar een loopje met de waarheid en schrijft men zowaar dat het Carmen is die echt van Don José houdt, terwijl deze laatste “enkel maar op een avontuurtje uit is“. Dat hij zijn betrekking bij het leger verliest, evenals zijn mooi uitgestippelde toekomst met Micaela, ja dat hij door zijn associatie met de smokkelbende zowaar vogelvrij wordt verklaard, dat wordt hier zo maar eventjes met één pennetrek onder tafel geveegd. Olé!

Georges Bizet die geboren werd in Parijs in 1838, groeide op in het hartje van Montmartre en alhoewel hij als een soort van wonderkind moeilijk als een straatjochie kan worden bestempeld, zal die omgeving er toch wel hebben toe bijgedragen dat hij zich later tot die nieuwe stroming in de opera zou aangetrokken voelen, die het “verisme” was en die bij voorkeur gewone mensen op de scène plaatste i.p.v. goden, helden of adellijke lieden. Uiteraard werd deze “revolutionaire” vorm van opera niet meteen geapprecieerd, zelfs niet na de Parijse Commune, al beweert Amada van wel. Bij de première in 1875 wordt “Carmen” immers allesbehalve met open armen ontvangen, al had Bizet die morgen nog het Erelegioen opgespeld gekregen (boze tongen beweren dat het niet waar zou geweest zijn, mocht men de opera al hebben kunnen zien). Bij die desastreuze première waren de twee hoofdvertolkers de enigen die Bizet in deze productie steunden. Het koor was b.v. slecht gezind omdat het moest bewegen en niet gewoon op een rij staan, naar de dirigent gekeerd. Geen wonder dat de première dan ook een flop werd (*).

Drie maanden later (op 3 juni 1875) overlijdt Bizet overigens “in duistere omstandigheden“, zoals Amada samenzweerderig schrijft. Meer romantische zielen hebben (even leugenachtig) altijd beweerd dat het van verdriet was. De waarheid is helaas zeer prozaïsch: een verwaarloosde angina.

En het was juist in Oostenrijk en Duitsland (nota bene de bezettingsmacht die de Parijse Commune had neergeslagen) dat “Carmen” voor het eerst een succes werd. Ja, het leven kan hard zijn als de geschiedenis zich niet naar de ideologie wil schikken!

In Frankrijk werd de opera pas een succes toen op 27/10/1883 Galli-Marié hem hercreëerde. Tussen haakjes: net als “Le Nozze di Figaro”, “Don Giovanni”, “La Forza del Destino” en “Fidelio” speelt “Carmen” zich af in Sevilla. Er zijn dan ook tal van Spaanse “ontleningen” door Bizet. De habanera “L’amour est un oiseau rebelle” b.v. is afkomstig uit “El Arreglito” van Sebastian Yradier (1863), het laatste tussenspel komt uit “El criado fingido” van Manuel Garcia (1804) en “Coupe-moi, brûle-moi” uit de eerste akte is eigenlijk een volksliedje uit Ciudad Real.

Later maakte Peter Brook een aanpassing waarbij hij een personage toevoegt, Garcia, de wettelijke echtgenoot van Carmen, met als enig resultaat dat de reeds gewekte indruk dat Carmen vrijt met gewoonweg alles dat een broek draagt (al draagt ze in de twee ECOV-versies zelf ook een jeansbroek) nog wordt versterkt. Daardoor komt de relatie tot Don José, toch de kern van de opera, totaal op de helling te staan. Te meer daar ook het einde wordt veranderd: Escamillo sneuvelt namelijk in de arena en dan beslist Carmen zélf dat Don José haar mag doden. Op die manier lijkt het wel alsof Escamillo de enige echte liefde was van Carmen. Dat “misverstand” werd nog in de hand gewerkt door de regie die, alhoewel hij in de twee opvoeringen van dezelfde hand was (de Amerikaan Chas Rader-Shieber), in het tweede geval (toen Escamillo werd gezongen door Turkka Manninen) Escamillo gewoon liet opkomen, dus zonder de indruk te wekken gewond te zijn, en dan ostentatief zijn rug te keren naar Carmen. Waarop die dus besluit: c’est fini. Waarom Escamillo in confrontatie met een stier plotseling tot andere inzichten over Carmen is gekomen, is me een raadsel, maar kom, zo zijn er nog wel meer ongerijmdheden. Zo heeft het “zigeunerhuwelijk” tussen Carmen en Don José plaats nàdat ze Escamillo reeds is tegengekomen en duidelijk meer belangstelling heeft voor hem dan voor Don José enzovoort.

Het gegeven werd uiteraard ook ontelbare keren verfilmd. Zo draaide Cecil B.De Mille in 1915 reeds een stomme versie, maar ongetwijfeld zullen de pianisten van dienst wel grotendeels een beroep gedaan hebben op de muziek van Bizet.

In de jaren vijftig speelde niemand minder dan Harry Belafonte de hoofdrol in “Carmen Jones”, de zwarte bewerking van de opera van Bizet (met een bokser, Husky Miller genaamd, i.p.v. een stierenvechter en met een aanpassing van Bizets muziek aan het zwarte idioom dat soms opvallend dicht in de buurt komt, maar soms ook, b.v. bij een wals, als een tang op een varken slaat). De titelrol werd gespeeld door Dorothy Dandridge. Zij kreeg hiervoor een oscarnominatie, maar later zou ook zij zich zodanig ergeren aan de typecasting, dat ze op 42-jarige leeftijd zelfmoord pleegde met een overdosis drugs.

Nog merkwaardiger is de Senegalese film “Karmen Geï” van Joseph Gaï Ramaka uit 2001. De muziek van Bizet wordt hier weliswaar volledig verlaten voor een jazzy Afrikaanse soundtrack, maar het is het vermelden waard omdat dit een lesbische variante is op het verhaal. Het wordt immers gesitueerd in een vrouwengevangenis en Karmen (Djeïnaba Diop Gaï) verleidt dan ook niet Don José maar de directrice Angélique (Stéphanie Biddle).

De grootste verdienste van Georges Bizet met z’n opera « Carmen » is dat hij het realisme (naturalisme zelfs) dat op dat moment (1875) in de literatuur hoogtij vierde, uitstekend in de muziek wist te vertalen. Zoals de programmabrochure van de Opera voor Vlaanderen terecht vermeldt : « Zonder het realisme en de psychologische trefzekerheid van Bizets muzikale typering, zou zelfs het Italiaanse verisme zonder enige twijfel een heel andere weg zijn ingeslagen ».

Het is o.i. echter niet noodzakelijk om dat « realisme » ook op scène gestalte te geven. Gewoon omdat het niet kán, omdat doorgedreven bordkartonnen realisme in het theater juist potsierlijk wordt. Nochtans was dit precies het regieconcept van Antoine Vanderweyen in de KOG. Dat er midden in het stuk letterlijk een lans gebroken werd voor een andere aanpak was dan ook haast niet te vermijden. Twee andere euvels van deze opvatting waren dat Bizets opera voor de helft (tweede en derde bedrijf) zich in het halfduister afspeelde (met de nodige slordigheden in de belichting op de koop toe) en ook dat het tweede plan overbezet was in de ijdele poging om een realistisch stadsbeeld op te roepen met overacteren en de onvermijdelijke bedelaar als gevolg.

Dit gezegd zijnde kunnen we ons op het muzikale toespitsen. Ann Howard was een bruisende Carmen met een voor een Engelse uitstekende dictie van het Frans. Haar vocale capaciteiten zijn voldoende gekend, zodanig dat wij eigenlijk meer bekoord waren door haar présence op scène. José Razador (als de ongelukkige Don José) ging trager van start (ook vocaal) maar in de slotscène was hij werkelijk ontroerend. Voor de grootste verrassing zorgde echter Jeanine Martony die in de betrekkelijk kleine rol van Micaëla (José’s eerste liefje) schitterde.

Ook de andere vertrouwde namen van de Gentse opera zoals Tadeusz Wierzbicki, Koen Crucke en Georges Bullynck waren overtuigend in hun rol. Jacqueline Dulac en Marceline Keirsbulck waren op zich wel goed maar schakelden zich moeilijker in in het geheel. Ontgoochelend was echter de prestatie van bariton Antoon Haeck als toreador Escamillo. Vooral in de lage registers was hij muzikaal onzeker en tekstueel onverstaanbaar.

Dit was zeker niet te wijten aan het orkest dat onder leiding stond van Ernest Maes en, na een ietwat slordig begin, zeer subtiel begeleidde : gevoelig in de intermezzi en emotioneel wanneer het moest. Alles bij elkaar een hartverwarmende voorstelling.

Referenties
Ronny De Schepper, Bruisende Carmen in het halfduister, De Rode Vaan nr.50 van 1981
Johan Thielemans, Carmen of het schuldige genot, De Standaard 3 november 1999

(*) Bij de aanwezigen was ook de nog jonge Cécile Chaminade (17 jaar), het buurmeisje van Bizet, dat door hem onder zijn hoede was genomen nadat hij haar talenten als pianiste en componiste had opgemerkt. Vooral omdat haar studies dreigden in het gedrang te komen, nadat haar vader had gezegd: “In de bourgeoisie zijn de meisjes voorbestemd om echtgenote en moeder te worden.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.