Giordano Bruno (1548-1600)

56 giordano_brunoHet is vandaag 415 jaar geleden dat de Italiaanse filosoof, priester, vrijdenker en kosmoloog Giordano Bruno levend verbrand werd door de Inquisitie, omdat in zijn werk De l’Infinito, Universo e Mondi de idee naar voren bracht dat sterren eigenlijk niets anders dan zonnen zijn, waaromheen planeten cirkelen. In een oneindig heelal zouden er dus oneindig vele werelden en oneindig vele intelligente wezens leven, volgens Giordano Bruno. Dat werd als een ketterij beschouwd, omdat de Inquisitie (vanuit hun redenering niet helemaal ten onrechte) van oordeel was dat dit eveneens oneindig veel kruisigingen van Christus inhield.

“IT’S LIFE, JIM, BUT NOT AS WE KNOW IT”
Op die manier was Giordano Bruno ook als het ware de inspirator van de “Star Trek”-films en -serie. Daarin trekt men er immers in elke aflevering op uit om alweer een nieuwe beschaving te gaan ontdekken. Om steeds maar weer tot de conclusie te komen dat deze beschaving alweer ondergeschikt was aan de onze, lees niet: de aardse beschaving, maar wel de westerse beschaving…
“De Klingons hebben steeds symbool gestaan voor de Russen,” vertelt Nicholas Meyer, de regisseur van de zesde film (“The undiscovered country”, 1992), aan Karel Van der Auwera van Het Laatste Nieuws. “De personages hebben trouwens steeds in meer of mindere mate een weerspiegeling gevormd van hedendaagse problemen en gebeurtenissen. Nu, met het ineenstorten van het Oostblok en al de veranderingen vandien heb ik de parallel doorgetrokken. Zodoende voelen de Enterprisers zich overbodig, net als de militairen die tijdens de koude oorlog de dienst uitmaakten.”
Deze (rechtse) “pacifistische” kijk op de geschiedenis is een eis van de bedenker van de serie, Gene Roddenberry (1921-1991). Ook al was hijzelf naar het schijnt een onuitstaanbaar en tiranniek man, de serie is alweer een symptoom van het vooruitgangsoptimisme, al wijkt ze tegelijk op een aantal punten af van het geijkte Hollywood-stramien.
Zo is er dus dat pacifisme, dat zelfs nog meer tot uiting komt in de tweede reeks “The Next Generation”, die pas tot stand gekomen is als de asse van Roddenberry door de NASA reeds de ruimte was ingeschoten. Vandaar trouwens dat William Shatner (die privé niet moest onderdoen voor Roddenberry) vervangen werd door de Engelse Shakespeare-acteur Patrick Stewart omdat deze laatste meer prààt dan vecht.
Een ander belangrijk onderscheid is dat Roddenberry zijn geloof in de wetenschap zo ver drijft dat hij godsdienstige praktijken enkel nog situeert in “primitieve” buitenaardse beschavingen (vaak zien die er erg “aards” uit, maar dat had gewoon te maken met het budget van de oorspronkelijke serie dat zo laag was dat men zich op dit vlak geen fantasietjes kon veroorloven, zo heeft men overigens ook het “upbeamen” uitgevonden). Opvallend is dat ook dit aspect eerst nog door zijn opvolger Rick Berman wordt behouden, maar dat deze in een latere spin-off (“Deep Space Nine”) toch zwicht voor het New Age-denken dat stilaan populair was geworden.
“Star Trek” was ondertussen zo populair dat de NASA in 1976 het prototype van de space shuttle de naam Enterprise meegaven.
Voor de “Star Trek”-reeks ontwierp de linguist Marc Okrand het “Klingon”, zelfs in twee versies: een geschreven A.B.K. en een gesproken soort dialect. Let wel op wanneer je deze versie gebruikt. “Waar vind ik hier een goed restaurant?” wordt namelijk “Nook dak okh kkhe kkhakkh-e” en als je ’t mij vraagt klinkt dat eerder als een West-Vlaming die vraagt “of dat hij hier ook kan kakken”.
Maar goed, zelfs “Hamlet” werd ondertussen in het Klingon “vertaald” en daarna ook de bijbel, al ontstond er herrie in het genootschap omdat men moest toegeven dat de Klingons het begrip “god” niet kenden.
De Walt Disney Studios zouden hiermee geen last hebben. Met een lichtstraal uit de hemel kan Steve Liserger in “Tron” zelfs suggereren dat God himself in staat is het reddende computerprogramma te ontwerpen. Verder is deze film enkel interessant omwille van de technische innovaties. Jeff Bridges, Bruce Boxleitner, David Warner, Cindy Morgan en Barnard Hughes lopen er voor spek en bonen bij. Of zijn het chips en bytes? De computertechnologie biedt immers nieuwe perspectieven aan het SF-genre. Zo was Keanu Reeves in 1995 te zien in “Johnny Mnemonic” van Robert Longo met Dolph Lundgren, Takeshi, Ice-T en Udo Kier (distr.Columbia) als iemand die computergegevens smokkelt met behulp van zijn eigen hersenen. Dat zou een scenario van William Gibson kunnen zijn of van Bruce Sterling, de vaders van de cyberpunk, waarin de computer het van de mens heeft overgenomen en de mens zelf niet veel meer is dan een kakkerlak. Kortom, de sfeer van “Blade runner” (1982).
Ray Bradbury zat destijds met zijn “Martian Chronicles” meer op de pacifistische golflengte, maar zelfs in de jaren veertig was er zeker ook een meer psychologische aanpak, bij George Orwell uiteraard, en later ook bij Arthur C.Clarke. Nadat ik een vijftal malen de film “2001, a space odyssey” heb gezien en zowel het boek als het vervolg “2010” heb gelezen, begrijp ik nog altijd niet de essentie van het verhaal… Men zou het einde kunnen afschilderen zoals de schrik voor “The black hole” (Gary Nelson), maar uit het slot leid ik eerder af dat het optimistische verlangen (naar een “Superman” zoals die van Richard Donner?) wel blijft bestaan. Door de foetus-idee heeft dit verlangen zelfs een heel menselijke gedaante, alhoewel science-fiction nochtans vooral één thema vooropstelt en dat is juist dat de wereld verandert, dat er geen “eeuwige” mens is, enkel het heelal. Wij zijn op zoek. (Een meer geruststellende benadering van dat “eeuwigheidsgevoel”, zelfs het “eeuwig jong zijn”, vinden we in de film “Cocoon” van Ron Howard.)
“My God, it’s full of stars!” waren de laatste woorden van astronaut Keir Dullea alvorens hij begon aan zijn finale, onthutsende, psychedelische odyssee ver voorbij de grenzen van tijd en ruimte. Met diezelfde uitroep gaat “2010” van Peter Hyams van start, waardoor van meetaf aan de indruk wordt gewekt dat 15 jaar na “2001: A Space Odyssey” eindelijk de waarheid aan het licht zal komen omtrent de talrijke mysteries en open vragen waarmee Stanley Kubrick de verblufte kijkers de zaal uitstuurde. Niets daarvan echter: wie daarvoor komt, is eraan voor zijn geld. Want, behalve de ontgoochelend flauwe verklaring voor de fatale insubordinatie van Hal 9000 (de boordcomputer van de “Discovery”, het ruimteschip dat op weg naar Jupiter “beïnvloed” werd door de raadselachtige, gitzwarte monoliet met de geometrisch perfecte afmetingen), houdt “2010” zich merkwaardig genoeg op de vlakte.
Uiteindelijk heeft het interessantste aspect van “2010” niets met de kwaliteit van de film zelf te maken, maar met de manier waarop beide films kinderen van hun tijd zijn. Waar uit “2001” (1968) het ongeremde vertrouwen sprak in de onbeperkte mogelijkheden en perspectieven van de ruimtevaart, weerspiegelt “2010” (1984) de kater en de ontnuchtering na de vette jaren zestig in zijn meer bescheiden besef dat wij eerst maar het voortbestaan van onze thuisplaneet moeten veilig stellen. (Geert Neyt)
Alleszins zijn we dan al ver verwijderd van de begin-premisse van de film, namelijk de vraag die ook Erich von Däniken zich al had gesteld, namelijk “Waren de goden kosmonauten?” of m.a.w. zijn wij mens geworden dankzij een buitenaardse tussenkomst. Dat thema wordt opnieuw opgeraapt in “Prometheus” van Ridley Scott uit 2012. Herinner u de mythe van Prometheus: bij de oorspronkelijke toebedeling van gaven en vaardigheden door de Griekse goden was de mens er bekaaid afgekomen. Zowel op het vlak van de overlevingsinstincten als op het vlak van de natuurlijke verdedigingsmiddelen waren de andere levende wezens er veel beter aan toe. Daarom stal Prometheus het vuur bij de Olympische goden en schonk het aan de mensen. De mens leerde zo metaal te bewerken en een technische beschaving te ontwikkelen. Op dezelfde manier zouden dus ook die buitenaardsen te werk zijn gegaan.
Als de mens er in 2093 eindelijk in slaagt de thuishaven van zijn “scheppers” te lokaliseren, staat hij wel voor een ontgoocheling: de planeet (met een gelijkaardige atmosfeer als de aarde) is al ten prooi gevallen aan andere “predators”. Op het einde van de film laat Ridley Scott het zelfs uitschijnen dat men deze film kan “lezen” als een “prequel” op de fameuze “Alien”-films. Maar, zonder nu een spoiler te willen zijn, ook de enige “kosmonaut” die – dankzij cryogenic freezing – de slachting heeft overleefd, keert zich uiteindelijk toch ook tegen “de mens”. En dus blijft die mens met de vraag zitten, die Christus ook al aan het kruis stelde: “Mijn god, mijn god, waarom hebt ge mij verlaten?”
TIME TRAVELS
Andere belangrijke SF-werken zijn “The day of the Triffids” (John Wyndham, verfilmd door Steve Sekley in 1963 en door Nick Copus in 2009, al gebruikt deze laatste gewoon het basisgegeven om verder een eigen verhaal te vertellen), “The village of the damned” (naar “The Midwich Cuckoos”, eveneens van John Wyndham, verfilmd door John Carpenter in 1995, maar vroeger nog door Wolf Rilla in 1960, wat toen meteen de banbliksems van de kerk opleverde, omdat de vrouwen van Midwich door de buitenaardse wezen “maagdelijk bevrucht werden”), “The coming race” (Bulwer-Lytton), “The loved one” (Waugh) en natuurlijk “The time machine” van de reeds geciteerde H.G.Wells. Reizen in de tijd is natuurlijk ook een constante in SF-literatuur en -film. Zo is er b.v. de “Back to the future”-trilogie van Robert Zemeckis, de “Highlander”-trilogie, “Stargate”, “Time cop” van Peter Hyams met Jean-Claude Van Damme en Ron Silver en natuurlijk de twee “Terminators”.
Dit zijn allemaal nogal spectaculaire gevallen, maar het kan ook “zakelijker” zoals in “Time after time” (Nicholas Mayer, 1979), “Somewhere in time” (Jeannot Szwarc, 1980) of “Quest for love”, een Britse romantische SF-film van Ralph Thomas naar het kortverhaal “Random quest” van John Wyndham met Tom Bell als Colin Trefford, een jonge natuurkundige die zwaar gewond raakt bij een ontploffing in zijn laboratorium. Als hij opnieuw tot bewustzijn komt, stelt hij vast dat hij in een “parallelle” wereld leeft: hier is hij een succesvol auteur, die evenwel een onuitstaanbaar karakter heeft en op die manier op scheiden staat van zijn vrouw Ottilie (Joan Collins). Daarna verlaat deze film grotendeels de SF om zich op het liefdesverhaaltje te concentreren. Trefford wordt immers verliefd op Ottilie en wil haar “opnieuw” voor zich winnen. Als hij erin slaagt haar te overtuigen dat hij “iemand anders” is, sterft ze aan een hartaandoening die in deze parallelle wereld nog niet kon worden behandeld, maar in de wereld waar­uit Trefford oorspronkelijk kwam wél. Daarom gaat hij dààrin naar haar evenbeeld op zoek om haar te waarschuwen dat ze ook kan overlijden als niet tijdig wordt ingegrepen. Na veel (nogal saaie) moeilijkheden slaagt hij erin Ottilie (die hier Tracy heet door een naamsverwisseling als baby) te lokaliseren (ze blijkt een airhostess te zijn) en haar op het nippertje van de dood te redden. In de rol van Treffords vriend (in beide werelden) zien we Denholm Elliot. De suikerzoete muziek is van de familie Rogers (twee broers of zoiets).
“BEAM ME UP, SCOTTY”
Samenhangend met het reizen in de tijd is er ook het reizen in de ruimte, maar zonder lichaam. In “Star Trek” blijkt dit allemaal naar wens te verlopen, maar in “The fly” wordt er wel degelijk gewezen op de gevaren van het “desintegreren” en nadien weer bij elkaar puzzelen. Grappenmakers laten op “Beam me up, Scotty” (dat merkwaardig genoeg nooit letterlijk is gezegd in “Star Trek”) dan ook meestal volgen: “And now beam my clothes up”. Voor één keer is overigens de originele versie van “The fly” (van Kurt Neumann) eens minder geslaagd dan de moderne remake (van David Cronenberg).
Een dergelijk procédé is ook het uitgangspunt voor het “verkleinen”, zoals dat b.v. in “Fantastic voyage” van Richard Fleischer wordt toegepast met Donald Pleasance en Raquel Welch, in 1988 nagevolgd door “Innerspace” (Joe Dante).
Joe Dante is in Gremlins-topvorm met deze uitzinnige komedie/sf/romance/avonturenfilm, en ik vergeet nog enkele genres. Geschorste piloot Tuck (Dennis Quaid), een rebelse vlotte bink, leent zich voor een experiment: hij zal een toestel besturen dat, tot microscopische afmetingen verkleind, in een konijn wordt geïnjecteerd — het uitgangspunt van Fantastic Voyage (1966). Door een inval van snode spionnen komt de naald in het zitvlak van onschuldige Jake (Martin Short) terecht, Tucks tegenpool: een sullige, overwerkte winkelbediende. Tuck maakt contact met Jake’s trommelvlies zodat ze kunnen praten. Meteen begint de eerste buddy-movie met de ene binnenin de andere! Met ongebreidelde fantasie, niet gehinderd door enig respect voor logica, buit Dante ingenieus zowat alle komische en avontuurlijke mogelijkheden uit, voortdurend verspringend van Jake’s aardse avonturen met de James Bond-achtige slechteriken naar Tucks « innerlijke » ruimte-exploratie (met sprookjesachtige trucages). Intussen wordt Tuck zowat Jake’s alter ego, een meer ervaren oudere broer, terwijl Jake verliefd wordt op pittige journaliste Lydia (Meg Ryan), Tucks vriendin! Het zijn Dante’s onmiskenbare filmische virtuositeit, pittige dialogen, een goede casting, het evenwicht spanning/parodie/romance en de pure wervelwind-energie van het geheel die dit tot onweerstaanbare dolle pret maken. Met dat bijna poëtische moment wanneer Tuck, in Lydia beland, ontdekt dat hij vader zal worden. (Dirk Dufour in “Film & Televisie”)
THE MATRIX
De 21ste eeuw begon met “The Matrix”, wat eigenlijk het einde van de science-fictionfilm betekende. De computer kan nu immers àlles, waardoor special effects eigenlijk irrelevant worden. Ze hebben als het ware zichzelf opgeheven. Alleen het experiment met “dode” acteurs die digitaal weer tot leven gewekt (zoals we in “Forrest Gump” en bepaalde reklamefilmpjes hebben gezien), blijft uiteindelijk toch achterwege in de dagelijkse praktijk. Zo werd Gloria Foster in haar rol als het Zwarte Orakel na haar overlijden voor het derde deel van de trilogie, “The Matrix Revolutions” (het tweede deel heet “The Matrix Reloaded”), gewoon vervangen door Mary Alice, wat onder meer tot de volgende hilarische dialoog leidde: “Herken je me niet, Morpheus? Geeft niet, ik herken mezelf ook niet!”
Toch verscheen er in 2011 nog een interessante SF-film, zij het met de hilarische titel “Cowboys & Aliens”. De film van Jon Favreau is echter allerminst grappig. Daniel Craig (James Bond, jawel) en Harrison Ford (dat andere icoon, Indiana Jones) slaan hierin de handen in elkaar om het op te nemen tegen buitenaardse wreedaardige wezens die mensen beschouwen als insecten (terwijl zijzelf ironisch genoeg eruit zien als overgrown sprinkhanen). Niet alleen Craig en Ford trouwens, ook indianen, Mexicanen en noem maar op, want de boodschap is duidelijk: united we stand, divided we fall.
Nu, als men de code aanvaardt dat buitenaardse wezens zich met onze beschaving komen bemoeien, dan is er inderdaad geen reden om aan te nemen waarom zich dit tot de twintigste eeuw en later zou hebben beperkt. Men kan dit dus ook situeren in Arizona, anno 1873. En het leuke is dat ook het ruimteschip er heerlijk vintage uitziet. Ah ja, want die extra-terrestrials gaan natuurlijk ook met hun tijd mee. Die vliegende sigaren (zoals in dit geval, eerder dan een vliegende schotel) blijven dan ook niet eeuwig en altijd hetzelfde. Dat evoluéért, hé!

Referentie
Ronny De Schepper, To boldly go where no one has gone before, Switch, juli 1996

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s