Armand van Assche (1940-1990)

Het is vandaag al 25 jaar geleden dat schrijver en dichter Armand Van Assche uit Waasmunster is heengegaan.

Armand Van Assche voorstellen aan de lezers van De Voorpost was destijds een overbodige zaak. Dat voelde ook inleider Willy De Graef intuïtief aan toen men naar aanleiding van een aflevering van “Poëzie op zondagmorgen” in de cafetaria van de stadsschouwburg van Sint-Niklaas op zoek moest gaan naar tientallen stoelen om alle geïnteresseerden in de poëzie van deze geadopteerde Waaslander een comfortabele zitplaats te bezorgen. Het achterwerk van een poëzieliefhebber wil tenslotte toch ook aan zijn trekken komen.
Een geadopteerde Waaslander inderdaad, want in deze obligate inleiding zou ik toch nog even willen stellen dat Armand Van Assche in Aartselaar geboren werd, op 17 september 1940 om precies te zijn. Na tijdens zijn studententijd (Germaanse filologie in Leuven) de gebruikelijke jongelingspoëzie her en der in al dan niet ter ziele gegane tijdschriften te hebben gedropt, keerde hij zich enige tijd af van het boekbedrijf als zodanig. Wat niet impliceert dat hij niet meer schreef. Integendeel. Hij bouwde zich een stevige reputatie op als literair criticus, schreef zich te pletter aan een proefschrift voor het bekomen van de graad van licentiaat in de toegepaste psychologie, en vooral: zijn laden puilden uit van doorwrochte gedichten, die hij evenwel zo persoonlijk achtte dat uitgeven gewoon niet bij hem opkwam.
Tot hij op een ongetwijfeld zonnige dag besloot een gedeelte ervan in te sturen voor de poëzieprijs van de stad Tielt onder de titel «De chemie van de dauw» (1973). Het was meteen een schot in de roos en sindsdien loopt men zijn deur plat om hem te smeken toch maar te publiceren. Zo konden we het beleven dat er dit jaar twee bundels van hem “het levenslicht aanschouwden”, om het simplistisch uit te drukken: één voor volwassenen («Even boven het evenwicht») en één voor kinderen (“De zee is een orkest”).
Onder het ontleedmes
Over je eigen poëzie praten is een onzinnig gebeuren. Dit is een gegeven dat voor een vakman als Van Assche geen openbaring is, vandaar dat hij had uitgekeken naar een schitterende manier om zichzelf als dichter voor te stellen, namelijk door zich af te zetten tegenover drie dichters die heel recent debuteerden. Van Assche vond het wel een geslaagd debuut van de Nederlander Niemeyer, Gie Laenen en Jean-Marie De Smet, maar toch wenste hij op hen alle drie iets aan te merken wat dan meteen zijn opties binnen de poëzie heel duidelijk maakte.
Zo verweet hij Laenen het gebrek aan variatie in de gevoelswereld, maar bewonderde zijn betrokkenheid op de werkelijkheid; met Niemeyer deelde hij de opvatting dat poëzie niet tegengesteld is aan rationaliteit; van Jean-Marie De Smet tenslotte bewonderde hij het vakmanschap maar als psycho-analyst keerde hij zich tegen de clichématige associaties tussen bepaalde beelden en het gevoel dat ze bedoelen op te roepen. De reactie tegen een overdreven nadruk op het vakmanschap maakt trouwens dat Armand Van Assche geen «poeta faber» is (maar overigens verzette hij zich ook tegen de idee als zou hij een orakeldichter, «poeta vates») zijn. Zijn uitgangspunt is het «niet-weten», de terugkeer ook tot het niet-weten, d.i. de oorsprong, de nog onverbroken eenheid tussen alle dingen. Eenzelfde idee vinden we terug bij die andere dichter, Johan de Belie, in zijn eindwerk voor het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium in Antwerpen (1977): “Kosmisch bewustzijn als alternatief voor taalcommunicatie”, waaruit dit uittreksel:
«De eerste ideeën betreffende de invloed van het kosmisch bewustzijn op de foetus werden geleverd door de psycho-analyse. De psycho-analytici hadden een aantal voorgeboortelijke stoornissen ontdekt, terwijl vaststond dat de foetus geen zintuiglijke waarneming kent tenzij het gehoor waarmee men slechts enkele van de voorkomende storingen kon verklaren. Ook de hersenontwikkeling van de foetus laat een verwerken van deze voorgeboortelijke schokken niet toe, zodat men moest besluiten tot een theorie die gebaseerd was op de psychische energie. De foetus bevindt zich in een voortdurende toestand van kosmisch bewustzijn, die reeds vóór de conceptie bestaat bij eicel en spermatozoïden.
Bij de auteurs Nandor Fodor (The search for the beloved) en Otto Rank (Das Trauma der Geburt) lezen we dat we zelf in onze dromen bijzonderheden betreffende geboorte en voor-geboortelijke ervaringen kunnen analyseren. De verklaring hiervan: het bestaan van engrammen; een engram is wat in het psychische wordt ingegrift (merk op: synoniem van engram = mneme, wat men zich herinnert). De associatie van deze engrammen noemt men psychon, en een verbinding van psychonen doet het bewustzijn ontstaan. Vaak maakt men in verband met het engram ook de referentie naar de niet verklaarde archetypen van C.G. Jung: een archetype zou een in de vrije psychische energie geproduceerd engram kunnen zijn.»

Even boven het evenwicht
Tenslotte besprak Armand Van Assche ook zijn jongste bundel «Even boven het evenwicht», die uiteenvalt in vijf deeltjes. Het eerste is «Snelweglevend», wat men kan lezen als “snel weglevend” of als “snelweg levend”, beide interpretaties komen aan bod in de gedichten uit die cyclus. «Buitenspel van de liefde» zijn liefdesgedichten, gesitueerd in onze moderne maatschappij waarin liefde, net als seks, een ontspanning wordt, iets voor de weekends. Dat vormt dan meteen een goede overgang naar het derde deeltje dat handelt over moderne gezelschapsspelen zoals video-apparatuur en andere gadgets. Dit deel wordt door sommigen als sociaal-kritisch ervaren, maar de dichter bedoelde enkel een psychologische ontleding van de hedendaagse mens. Sommige parodistische gedichten uit dit deel liggen in de kabareteske sfeer. «Doodsmaskers in bloei» poot enkele mensentypen neer. Ze vallen allemaal nogal negatief uit (oude mensen, arbeider van de nachtploeg, uitgedoofde familie…), maar er is wel een medevoelen met de geportretteerde. «Beelden vanuit de twintigste verdieping/eeuw» dan tenslotte gaat vooral over de poëzie zelf en de dichter wordt erin nogal sarcastisch bekeken.
Daarna droeg Stan Milbou op uitstekende wijze een groot aantal gedichten van Armand van Assche voor (naar het schijnt zouden we nu moeten spreken van «gedichten zeggen»), uit het hoofd. Over de interpretatie van de «volwassen» gedichten ontspon zich een ontspannen discussie met de auteur, maar de “kindergedichten” maakten een grote indruk, niet in het minst op de talrijke aanwezige kinderen.
En dan was er ook nog achteraf de gelegenheid tot het stellen van vragen. Dat vond ik werkelijk bijna indecent. Poëzie ontleden is even delicaat als een vrouw ontkleden. Het moet dan ook het liefst in alle intimiteit gebeuren en niet voor een voyeuristisch publiek.
Een didactisch praatje
Toen iedereen voldaan was en verscheidene magen zich lieten horen, zodat men zich huiswaarts spoedde om de benen onder tafel te strekken, namen we Armand Van Assche even apart om nog een paar toelichtingen te verstrekken bij wat hij zopas allemaal kwam te vertellen. Zo had hij poëzie de verbinding tussen droom en werkelijkheid genoemd, een merkwaardige overeenkomst niet de opvatting van Johan Daisnepoëzie is versificatie, het magisch-realisme van alle proza, bewerkstelligd door ritme, rijm etc.» uit «Bloed op het witte doek», Manteau-Marginaal 1978, p. 37)
Armand Van Assche: Ik kan me dat wel voorstellen dat hij dat ook zo zal zeggen, maar ik bedoel er toch iets anders mee. Dat laat zich ook gemakkelijk afleiden uit het feit dat Daisnes dichtkunst me helemáál niks zegt (zijn proza laten we nu buiten beschouwing). Ik bedoel met droom namelijk niet dat magische, dat fantastische maar eerder de verbeelding.
– Je zet je ook zeer sterk af tegen de neoromantici. Eenzelfde benadering heb ik nog zeer onlangs teruggevonden in een ontleding door Jan Mestdagh van de poëzie van Anton van Wilderode. Nu zijn zowel Daisne als Van Wilderode «klassieke» dichters, dat element dacht ik bij jou niet terug te vinden?
A.V.A.:
Neen. Ook met Van Wilderode voel ik geen verwantschap. Dit is een man die bewust dicht in een heel andere traditie. Ik leef in een heel moderne, pragmatische wereld en tracht dat ook tot uiting te brengen in mijn poëzie, terwijl Van Wilderode vooral een natuurdichter is, iets wat bij mij betrekkelijk weinig voorkomt.
– Wat wel overeenkomt met Van Wilderode is dat jullie allebei leraars Nederlands zijn, dat jullie dus de opgeschoten jongeren trachten warm te maken voor poezie…
AN.A.:
Van Wilderode is een groot leraar en ik niet. Ik bedoel, hij is een man die op didactisch gebied heel sterk staat en dus ook zijn leerlingen gemakkelijker kan warm maker voor poëzie. Didactisch ben ik niet zoveel waard, maar wat wel positief werkt op de leerlingen dat is dat zij merken – want je kan dat niet verbergen – dat je enthousiast bent als je poezie tracht over te dragen. En dat is een belangrijk element wil men bij hen ook enig enthousiasme aanwakkeren.
– Er waren veel leerlingen aanwezig deze morgen, misschien niet allemaal de jouwe maar toch… Komen zij dan echt uit interesse of wegens andere redenen, b.v. omdat ze op die manier hopen meer punten te krijgen?
A.V.A.:
Oh nee, dat weten ze wel dat dit hen niet zal helpen, maar er zullen er inderdaad wel bij zijn die komen om eens te horen wat ik nu buiten de les zou vertellen.
– Deze auditief-voyeuristische instelling stoorde me ook bij de andere mensen en dan vooral bij de vraagstelling. Hugo Claus heeft in een boutade ooit eens gezegd dat wie zijn eigen gedichten moet verklaren geen goed dichter is. Hierbij aansluitend zou ik de vraag willen stellen wat voor zin het heeft dat een dichter over zijn eigen poezie komt praten? Dat zichzelf blootgeven is dat niet erg delicaat? In een gedicht zeg je zelf: ‘Waarover ik niet kan spreken daarover schrijf ik’ en nu wil men je daarover toch weer doen spreken…
A.V.A.:
Ja, dat is een probleem waarmee ik ook zat toen ik mij op deze voormiddag heb voorbereid. Nu denk ik niet dat ik mijn gedichten ontlééd heb…
– Neen, maar ik had de indruk dat men naar drijfveren zocht e.d.
A.V.A.:
Oh ja, wel dat is normaal, dacht ik.
– Hoe sta je tegenover andere genres?
A.V.A.:
Dat ik enkel poëzie heb gepubliceerd tot nu toe is eigenlijk toevallig, want ik schrijf ook kritieken en ik zou ook graag een roman schrijven. Maar een roman is werken. Een gedicht óók natuurlijk, maar een paar verzen overvallen je dikwijls, waarna je dan later kunt op verder werken maar dat kan gesplitst worden over verscheidene tijdstippen.
– Tot vorig jaar stond ik ook in het onderwijs en ik had de indruk dat het literatuuronderwijs erop achteruitging. Dat enerzijds de essentiële taalbagage (zinsontleding e.d.) was afgenomen, zodat je als leraar daaraan meer tijd moet gaan besteden i.p.v. aan literatuurstudie, en dat anderzijds de televisie zo met zijn klauwen orn zich heen slaat dat men steeds minder gaat lezen…
A.V.A.:
lnderdaad, de lessen Nederlands zouden veeleer media-onderwijs moeten zijn, waarin men kranten, reclame e.d. bestudeert. Literatuur wordt een randverschijnsel, maar ik verzet me er volstrekt tegen dat men het literatuuronderwijs zou willen afschaffen. lk denk trouwens dat het grootste kwaad geschiedt in het lager onderwijs – wat ik ook tijdens mijn voordracht over kinderpoëzie heb gezegd – waar men de kinderen veel meer zou moeten leren creatief met de taal om te springen.
– Je bent ook licentiaat in de toegepaste psychologie. Vanwaar die belangstelling?
A.V.A.:
lk ben op de eerste plaats germanist. Mijn specifieke benaderingswijze zoals die zich o.m. uit in mijn doctoraal proefschrift dat binnenkort zal verschijnen, «Empirisch-psychologische benadering van de relatie lezer-poëzie», maakte het echter noodzakelijk dat ik mij ook kon bewegen op het vlak van de toegepaste psychologie. Hiervoor heb ik evenwel tal van
vakken moeten doorworstelen die mij niet interesseerden en die mij ook hoegenaamd niet van pas kwamen. Dat is een euvel dat ik ons universitair onderwijs trouwens sterk ten kwade duid. Maar ik heb b.v. mijn thesis gemaakt over de enige psycholoog die interessante dingen vertelt over literatuur, een man die trouwens nog steeds sterk onderschat wordt, namelijk Otto Rank. En nu is er dankzij de structuralisten een belangstelling gegroeid voor de zaken waarmee ik nu bezig ben, zodat ik voor enkele jaren in de markt lig.
– Je hebt ook twee namen genoemd in je uiteenzetting van mensen die je bewondering wegdroegen. Dat waren Hans Andreas voor zijn kinderpoëzie en de Amerikaan Stevens voor de poëzie met de grote P zoals sommigen het uitdrukten (en waarmee je terecht niet akkoord gaat) …
AN.A.:
lnderdaad. Ik zou hier nog een heleboel namen kunnen opnoemen, allemaal mensen die zowel kinderpoëzie als andere schrijven, die daar dus helemaal niet op neerkijken. De grootste Engelse dichter Ted Hughes b.v. die vooral in het nieuws gekomen is omdat hij de echtgenoot is geweest van de schrijfster Sylvia Plath die zelfmoord heeft gepleegd.
– Tot slot een voor de hand liggende vraag aan iemand die poëzie voor kinderen schrijft: het Jaar van het Kind, je mening daarover?
A.V.A.:
Ik denk daar niets over. lk veronderstel dat dat wel een paar dingen zal losmaken op maatschappelijk vlak, maar verder… Alleszins heb ik zeker die bundel niet met het oog daarop geschreven.
– Je ziet het dus nogal folkloristisch?
A.V.A.:
Ja. Dat is het toch? Maar ik wil er mij ook niet tegen afzetten, hoor, want ook het jaar van het dorp en zo heeft wel bepaalde dingen losgeweekt.

Jan Segers

Recensies
“Voor ons was de eerste kennismaking met het werk van Armand Van Assche een veropenbaring, een totale verrassing. Het stond ons allemaal zo dichtbij, zo levensecht, met af en toe het vleugje ironie, de fijne humor, de kijk van een kunstenaar.” (De Voorpost, 16 augustus 1978)
“lk geloof niet dat ik hou van het vals-poëtische dat het hele boekje uitstraalt. Natuurlijk zijn er hier en daar gelukkige uitzonderingen maar naar mijn bescheiden oordeel loont het niet de moeite daarom de hele bundel aan te schaffen. Misschien wel iets voor de leraar of lerares die op zoek is naar gedichten voor het nieuwe schooljaar.” (“Beregoed en nog slechter”, Spectator, 2 september 1978)
De zee is een orkest is echter een heerlijk bundeltje fijne poëzie voor kinderen en volwassenen geworden. Sommige mensen mogen de uitzonderlijke genade ervaren om het kind, dat zij vroeger waren, een heel leven te mogen meedragen, diep in zich. Men moet de moed van de dichter hebben, om terug te gaan naar het kind dat men vroeger was. Armand van Assche heeft dat gedurfd. Hij is teruggekomen met rijke buit.” (Henri Van Daele, “Poëzie is er ook voor kinderen”, De Nieuwe, 3 november 1978)

Referentie
Jan Segers, Armand van Assche: “Waarover ik niet kan spreken, daarover schrijf ik”, De Voorpost, 9/2/1979

2 gedachtes over “Armand van Assche (1940-1990)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.