Vijftig jaar geleden stierf de verstokte roker Walt Disney aan longkanker.

In 1923 arriveerde Walt Disney, die geboren was in Chicago (*), in Hollywood met een eerste film: “Alice’s Wonderland”, een mengeling van live-actie en tekenfilm. Eigenlijk zijn het de avonturen van een echt meisje (Margie Gay) in getekende decors. Als gevolg hiervan kreeg hij in oktober een contract aangeboden om nog zes dergelijke films te maken en op die manier ging hij over tot de stichting van een eigen studio.
Na de Alice-filmpjes begon Disney te werken aan tekenfilms met als hoofdfiguur Oswald “the lucky rabbit”, maar in 1928 verloor hij de rechten op het personage. Dat had hem vroegtijdig de das kunnen omdoen, maar precies daardoor werd een nieuw personage gecreëerd en het is precies dit figuurtje, namelijk Mickey Mouse die Disney ontzettend populair maakte.
Eigenlijk was Mickey echter een creatie van Ub Iwerks (1901-1971), een Amerikaan van Friese afkomst. Reeds in 1919 had hij kennisgemaakt met de even jonge Walt Disney, wanneer ze beiden als publicitair tekenaar voor de Kansas City Film Ad Company werkten, waar toen al geanimeerde reklamefilmpjes werden gemaakt. In 1922 begon het duo met een eigen studio, maar ze gingen overkop en Iwerks keerde terug naar zijn vroegere werkgever. Disney trok echter naar Hollywood en the rest is history zoals men dan zegt.
In 1924 kon Disney Iwerks reeds als werknemer aantrekken. En het is in die functie dat deze in 1928 “Plane Crazy” tekende, een animatiefilmpje dat inpikte op de Lindbergh-gekte met Mickey Mouse (die eerst nog even Mortimer heette) in de hoofdrol. Het werd echter pas na het daaropvolgende “Steamboat Willie” (eveneens uit 1928) uitgebracht, omdat dit eerder van klank was voorzien, zodat dit tekenfilmpje de geschiedenis is ingegaan als het eerste Mickey Mouse-filmpje. Ook de klank bij “Steamboat Willie” bestond louter uit muziek en enkele geluidseffecten, op de klankband van “Plane Crazy” hoort men echter wel reeds Mickey praten. De stem wordt overigens geleverd door Walt Disney zelf (*).
In 1930 liep de samenwerking tussen beiden echter spaak en toen Pat Powers, de distributeur van de Disney-filmpjes, aan Iwerks voorstelde om zijn eigen studio te financieren, aarzelde deze geen moment. In de loop van de jaren dertig zou hij series als “Flip the Frog”, “Willie Whopper” en de Comicolor-cartoons afleveren.
In datzelfde jaar (1930 dus) creëert Walt Disney in “The Chain Gang” de hond Pluto. Merkwaardig is dat de “stem” van Pluto van dan af tot in 1961 (met een onderbreking in 1940 toen Lee Millar de klus klaarde) aan Pinto Colvig zal worden toegeschreven (en vanaf 1961 aan Bill Farmer), terwijl bij mijn weten Pluto toch niet spréékt?!? Dat moet dan enkel over wat grommen en blaffen gaan… (**)
In 1932 behaalde Walt Disney zijn eerste oscar (hij is op dit moment nog altijd recordhouder) voor “Flowers and Trees, the 29th Silly Symphony”, tevens de eerste “full-colour” cartoon. En ook Goofy is hierin voor het eerst te zien. Een jaar later volgt “Three Little Pigs” met de hitsong “Who’s afraid of the big bad wolf?” Rond die tijd werd eveneens bepaald dat Mickey Mouse niet meer mocht drinken of roken.
Mickey Mouse is op dat moment zo populair dat zijn eigenlijke schepper, Ub Iwerks dus, het met zijn Flip de kikker opnieuw moest afleggen. In 1936 ging zijn studio dan ook op de fles, zodat Iwerks in 1940 voor een tweede maal terugkeerde naar Disney. Hij was er vooral werkzaam als “technical researcher” en in die hoedanigheid zou hij zelfs nog twee oscars winnen (in 1959 “for improvements in optical printing” en in 1965 “for advancing techniques of travelling matte”). Hij is ook verantwoordelijk voor de “special effects” in “Pollyanna”, een tearjerker van David Swift naar het boek van Eleanor H.Porter (met het nodige patriottisme en religieus fanatisme, maar merkwaardig genoeg zonder één zwarte, zelfs niet bij het personeel), maar het is me niet helemaal duidelijk wat dat dan wel moge zijn, tenzij het de “regenboogprisma’s” zouden zijn… Tussendoor werkte hij ook nog mee aan de special effects voor “The birds” van Hitchcock.
93 geboorte van Donald Duck in The wise little hen uit 1934DONALD DUCK
Op dat moment stelde Disney zo’n twintig mensen te werk. Dat worden er tweehonderd, wanneer Mickey in 1934 (eerst in “The Wise Little Hen”, maar vooral in “Orphans benefit”) zware concurrentie krijgt van Donald Duck (stem: Clarence Nash). Ook hiervan wordt weer gezegd dat het geen “echte” creatie van Walt Disney was, maar van een andere medewerker, Carl Barks (1901-2000), maar dit klopt niet. Deze aflevering uit de reeks “Silly Symphonies” was animated by Art Babbitt, Dick Huemer, Dick Lundy, and Ward Kimball and directed by Wilfred Jackson, maar het figuurtje werd misschien wel degelijk door Walt Disney gecreëerd. Alleszins kwam Barks maar een jaar later op de proppen: Barks begon inderdaad pas voor Disney Studios te werken in 1935, dus een jaar na het debuut van Donald Duck. Hij werkte samen met anderen aan animatiefilms als Donald’s Nephews (1938), Donald’s Cousin Gus (1939), Timber (1941), The Vanishing Private (1942) en The Plastics Inventor (1944).
Barks nam in 1942 ontslag bij de Disney Studios. Niet alleen was hij ontevreden met het feit dat men alleen nog maar Donald-cartoons als oorlogspropaganda produceerde, maar ook de airconditioning bij Disney had hem bijna de das omgedaan. Barks was van plan een eigen strip rond superhelden te maken, maar al snel kreeg hij bericht van Western Publishing, die in licentie van Disney Donald Duck-strips uitgaf, dat hij hij hen aan de slag kon. Barks was de laagstbetaalde werknemer van Western, maar klaagde daar nooit over. Hij werd liever gewoon met rust gelaten.
Barks zou de daaropvolgende drie decennia verhalen maken, tot ruim na het bereiken van de pensioengerechtige leeftijd. Hij omringde Donald Duck met een bezetting van excentrieke en kleurrijke personages als ’s werelds rijkste eend Dagobert Duck, Donalds fortuinlijke neef Gus, uitvinder Willie Wortel, de volhardende misdadigers de Zware Jongens, enz.
Mensen die voor Disney werkten deden dat in alle anonimiteit: de verhalen waren voorzien van Walt Disneys naam en (soms) een kort identificatienummer. Lezers begonnen echter door te krijgen dat er verhalen waren die door hun kwaliteit met kop en schouders boven alle andere uitstaken. Ze begonnen te vermoeden dat deze het werk waren van één en dezelfde artiest en noemden deze the good Duck artist of the Duck man. Later kwam men er achter dat deze man Carl Barks heette.
Barks’ verhalen waren grappige avonturen met een donkere, defaitistische ondertoon. Barks toonde een afspiegeling van de harde (Amerikaanse) samenleving, waarin Donald als underdog in statusgevoelig Duckstad constant onder moordende sociale druk staat. Ze werden daardoor niet alleen bij kinderen, maar ook bij volwassenen populair.
Aangezien Walt Disney reeds in de jaren dertig is gestopt met tekenen, wordt wel eens beweerd dat hij niet kon tekenen. Hierbij gaat men wel voorbij aan het feit dat hij op jonge leeftijd als een pure tekenaar aan de kost kwam. Maar het is waar dat hij en Iwerks mekaar goed aanvulden: Iwerks was de vakman en Disney was de scenarist, de producer, degene die zorgde voor “the presentation”, zoals Schindler over zichzelf zegt in de film “Schindler’s list”.
De namen van al die medewerkers kennen we dan ook enkel van het opzoekingswerk door nijvere journalisten, want Disney onthield de credits voor alle namen behalve de zijne. Ter gelegenheid van zijn 35ste verjaardag hadden een aantal van die medewerkers dan ook een tekenfilmpje gemaakt, waarin Minnie Mouse door Mickey werd genomen. Zoals zij door Disney werden genomen was de onderliggende boodschap. Na de vertoning van het filmpje applaudisseerde Disney zeer opvallend en prees het tekenwerk. “Wie heeft het eigenlijk getekend?” vroeg hij langs zijn neus weg. Toen de fiere tekenaars zich bekend maakten, konden ze meteen ook hun biezen pakken…
AVONDVULLENDE TEKENFILMS
Het was met de succesvolle toepassing van het geluid in de tekenfilm “Sneeuwwitje en de zeven dwergen” (1937) dat Disney de concurrentie de nekslag toebracht. Deze film gaat weliswaar door voor de eerste avondvullende tekenfilm, maar dat is niet het geval. Twintig jaar eerder was er reeds een langspeeltekenfilm in Argentinië en in Europa was er “Prins Hamad” van Otto Reiniger.
Disney haalde zijn inspiratie voor “Sneeuwwitje” uit een stomme film met Marguerite Clark die hij in 1915 had gezien. Het volkssprookje van Sneeuwwitje zoals het werd opgetekend door Johann en (vooral) Wilhelm Grimm heeft een oedipale oorsprong. In de allervroegste versie is er immers helemaal geen stiefmoeder, maar is het de moeder zelf die haar dochter naar het leven staat, terwijl Sneeuwwitje niet wordt teruggehaald door een prins, maar door de vader. In deze versie is het dus duidelijk waarom het écht draait: de erotische rivaliteit tussen moeder en dochter om de gunst van de vader.
Uiteraard heeft Disney deze erotische component niet behouden (aangezien hij zich op Grimm baseerde, kénde hij deze misschien zelfs niet eens), tenzij merkwaardig genoeg in de passage bij de dwergen, die hij laat verliefd worden op Sneeuwwitje. Het blijft echter allemaal erg platonisch en de dwergen zijn vooral een aanknopingspunt om komische gags in het verhaal te brengen.
Uiteraard kreeg Disney ook voor “Snow White” een oscar (overhandigd door Shirley Temple). Of om preciezer te zijn: één “fullsize” oscar en zeven kleintjes… De Disney-studio’s zijn nu op hun hoogtepunt en stellen twaalfhonderd mensen te werk.
In Groot-Brittannië wordt “Snow White” echter ongeschikt geacht voor jeugdige kijkertjes. Wie jonger is dan zestien jaar mag er enkel naartoe onder begeleiding van een volwassene!
In de ogen van Walt Disney waren de opvolgers, achtereenvolgens “Pinocchio” en “Fantasia”, artistiek belangrijker, maar door de oorlogsomstandigheden is het succes daarvan niet zo groot.

(*) Marc Eliot beweert dat de stamboom van de Disney-familie teruggaat op de Normandische ridder Jean-Christophe d’Isigny, die in het leger van William the Conqueror voet aan wal zette in Hastings en zich permanent in Albion vestigde. De Amerikaanse Disney-tak zou pas in de negentiende eeuw overgekomen zijn.
(**) Hij zal dit doen tot 1955. Dan neemt James MacDonald (1906-1991) over en van 1976 tot zijn overlijden in 2009 was het de beurt aan Wayne Allwine (1947-2009).
(***) Het is op zich natuurlijk een eigenaardig gegeven dat een muis een hond als huisdier heeft en dat ze bovendien min of meer dezelfde afmetingen hebben.

Bibliografie
Marc Eliot, Walt Disney: Hollywood’s Dark Prince, 1994.
Christopher Finch, The art of Walt Disney: from Mickey Mouse to the Magic Kingdoms, New York, Abradale Press, 1983.
Gerald & Danny Peary, The American Animated Cartoon (met o.a. een transcriptie van het getuigenis van Disney tijdens de hoorzittingen van het House Committee on Un-American Activities), New York, E.P.Dutton, 1980.
Richard Schickel, The Disney Version: the life, times, art and commerce of Walt Disney, 1968.
Frank Thomas & Ollie Johnston, Disney animation: the illusion of life, New York, Abbeville Press, 1982.
Steven Watts, The Magic Kingdom: Walt Disney and the American Way of Life, Boston/New York, Houghton Mifflin Company, 1997.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s