Nachttreinen

24 terry lamMorgen zal het precies tien jaar geleden zijn dat ik in het oude spoorwegstation van Sinaai een bezoek heb gebracht aan een tentoonstelling van miniatuurtreintjes. Het was een vaste tentoonstelling, dus ik denk dat deze nog altijd toegankelijk is. Voor wie alvast in de stemming wil komen, breng ik nog even het verhaal “Nachttreinen” van Johan de Belie in herinnering. Johan is van Belsele, vlakbij Sinaai en misschien heeft hij ook wel een bezoek gebracht aan dit wonderlijke universum, waarin wij ons allemaal opnieuw kind voelen en met heimwee terugdenken aan lange treinreizen die we ooit hebben mogen maken…

Met een flinke snelheid kwam de trein uit de verre bocht maar hield tenslotte sierlijk, zonder vervelend knarsend remgeluid, halt in het station. Op spoor 1. Even later kwam van de andere kant een stoomlocomotief zich traag naast zijn moderne versie installeren op spoor 2. ‘Een boemeltrein, lokaal verkeer’ dacht hij. De man naast hem knikte hem toe, en wees dan met eenzelfde hoofdknik naar de eerste trein: “De laatste aanwinst. De zogenaamde Pendolino, de Italiaanse Eurostar. Maar Italië zet hem ook plaatselijk in als hogesnelheidstrein, de ETR 500. Ja het is een bijzonder type. In Duitsland ontwikkeld maar in Italië een succes geworden.” Hij keek de man met beleefde belangstelling aan. “Die andere, daar, dat is een echt Belgische, de 64 van de NMBS.” Een trein was een droom. “Maar de Pendolino, dat is een wonder van techniek” vervolgde de man. “Hier wordt de kantelbaktechnologie toegepast. Zodat de wagens in de bochten als het ware overhellen, zodoende moet er minder vaart geminderd worden, ze blijven stabiel op de rails ook bij hoge snelheid. Het enige nadeel is dat sommige reizigers vlugger, laten we zeggen, zeeziek worden. Maar goed, dat zal hier bij deze wel niet gebeuren!”. De man lachte. Te hard. Het stoorde in deze omgeving waar iedereen fluisterde. Er hing een gewijde, sacrale sfeer.
Hij had zijn aandacht opnieuw op de snelheidstrein gevestigd. Hoe hij blonk. Het restauratierijtuig. Hij droomde. De reis. De landschappen die voorbij flitsten. De pluchen zetel waarin hij wegzonk met een boek. Een hete koffie drinken terwijl je je verplaatst. Bewegen en toch roerloos zijn. Hoe dan ook beïnvloed door de woorden van de man naast hem ontvouwde zich langzaam het beeld van het zuiden, hoe de trein dieper en dieper doordrong in de hem weinig bekende natuur. Palmbomen, olijfbomen, appelsienen, druiven. Terwijl hij heel even de ogen sloot snoof hij de zondoorstoofde geuren op. En hoorde hoe de trein op spoor 1 snel optrok. Dit geluid werd evenwel onmiddellijk overstemd door dit van een ander treinstel dat uit de tegenoverliggende richting kwam. Een diesel locomotief met een sleep van – hij telde, zeven, acht, negen wagens. Zonder stoppen reed de trein over spoor 5 voorbij. ‘Die gaat vast naar het rangeerstation verderop’ dacht hij. Maar dat kon hij, waar hij stond, niet zien. “Ook Belgisch deze diesel, uit de reeks 22. Maar de silowagons zijn typisch Brits. Een fraai stel.” Hij ergerde zich aan deze man. Wou hij hem overhalen tot de club toe te treden, dan was dit niet de beste methode. Niet dat hij het ooit zou doen. En zijn interesse wekken? Voor technische of historische details? Hij maakte zich met een vage mompel los van de man en slenterde in de richting van het emplacement waar de goederentrein zou gerangeerd worden. Daar was een kleine diesel reeds bezig de achterste wagon naar een zijspoor te rijden. Het laadplatform. En de wirwar van sporen en wissels, hoe raakte men hieruit wijs. Maar meest fascinerend was voor hem het draaiplateau waar vijf sporen aansloten op het net en naar de loodsen leidden waar de locomotieven konden gestald worden. Spijtig, momenteel bevond zich weliswaar een machine op het platform maar het stond er bewegingloos bij. Hij had het graag in werking gezien. Hij richtte zijn blik omhoog, het gebergte, dennenbossen, dichtbegroeid, tussen het groen ontdekte hij twee boerderijtjes en een kerkje. Hogerop was de rotswand kaal gelaten. Plots dook rechts iets rood op. Hij had de tunnel eerst niet gezien. Gespannen zag hij het bergtreintje in de hoogte naderen, het klom traag tegen de bergwand omhoog. Heel even werd het opnieuw aan zijn zicht onttrokken; een beschermende tunnel tegen vallende rotsen en steengruis. Dan was het ter hoogte van het rangeerstation, op de plaats waar hij stond. Hij merkte dat, terwijl het treintje de bocht inging, er achteraan iets op genoteerd stond. Met half dichtgeknepen ogen wist hij het te ontcijferen: Monte San Salvatore. Men had deze setting blijkbaar in Zwitserland gesitueerd overdacht hij. Zou men ook logisch verantwoorden dat hier een bergtreintje reed? Hij verliet zijn plaats en ging er achteraan, de bocht om. Op dat ogenblik kwam beneden hem de sneltrein voorbij gezoefd en eiste zijn aandacht op. Hoe heette hij ook alweer, de Pendolino. Hij staarde hem na, hoe hij richting station verdween. Hij droeg de geur van de oranjebloesem van de Italiaanse Riviëra met zich mee. Zijn aandacht was even weggelokt van het bergtreintje en diens bestemming. Maar nu stapte hij verder en zag dat het had halt gehouden bij een hotel in Zwitserse stijl. Daar liep het spoor ook dood. Een primitief kopstation als het ware. Het rode treintje dat uit slechts één wagon bestond zou via dezelfde weg de Monte San Salvatore moeten verlaten. Straks. Voorlopig kwam er geen beweging in.

Toen hij het lokaal verliet ontmoette hij in de deuropening een vroegere klasgenoot. Dergelijke confrontaties monterden hem zelden op, hier evenwel was geen ontkomen aan. Of hij ook zo geïnteresseerd was in miniatuurtreinen? Nogal, maar uitsluitend passief, was zijn antwoord. Om te knutselen en frutselen ontbraken hem de handigheid en het geduld. Het bleek dat zijn vroegere kameraad, inmiddels bankdirecteur (“nu ja, van een filiaal”) zich hier met passie op gestort had. Lid geworden was van deze club. “Enfin, je moet toch een hobby hebben, iets doen met je vrije tijd”. Het leek alsof de man zich toch een beetje schaamde voor zijn bezigheid. Hoe moeilijk het ook was, dit alles technisch waarmaken, het bouwen van al deze decors, het bleef ook wel een kinderlijk aspect in zich dragen. Of hij nog mee iets wou drinken in de kantine, beetje bijpraten? Nee, hij had geen tijd. Buiten, uit het gezicht van de club, ging hij op een bankje zitten. De lentenamiddag was nog fris maar met een blauwe lucht en een stralende zon prees hij zich gelukkig dat hij weerstand geboden had aan de uitnodiging. Al kon hij niet gemakkelijk nee zeggen. Maar dit ware te erg geweest. Na de treinen een gesprek over, in het beste geval de opbouw van zo’n baan of over de club, of veel erger over hun gezamenlijk humanioraverleden. Miniatuurtreinen. Hij trachtte zich te herinneren wanneer hij die elektrische trein gekregen had. Hoe oud was hij toen. Hij wist het niet meer. Of bij welke gelegenheid, misschien zou dat hem helpen. Hij concentreerde zich. Nee, ook dat niet. Het was vervaagd. Wel wist hij nog heel precies hoe die trein er had uitgezien. Een Märklin. Stoomlocomotief met tender. En drie goederenwagons. Een rode kipwagon, een witte ijswagon en een platte wagon voor houtvervoer. Later had hij er een automatische overweg bij gekregen, ja dat herinnerde hij zich nog, hoe die slagbomen sloten wanneer de trein over de rails reed en dadelijk omhoog gingen als hij voorbij was – heel primitief. Wissels bezat hij niet. Alleen een ovalen omloop. Hoe vaak had hij dat treinstel niet rond gejaagd. Honderden, duizenden keren. Gefascineerd gekeken naar de twee koplampjes van de machine die echt brandden; zodat hij soms, ’s avonds, het licht uitknipte, en de trein in de duisternis over het spoor zijn weg liet zoeken. In de kipwagon legde hij maïs, in de platte wagon stapelde hij twee minikaartspellen van Kraft, die pasten precies. Met twee drukken op de schakelaar van de transformator waarmee de snelheid geregeld werd, kon hij de rijrichting veranderen. Wat een wonder van techniek, de trein reed dan als het ware zonder zijn tussenkomst achteruit… Uren had hij zich vermaakt. Uren had hij weggedroomd. Met simpel materiaal rudimentaire scenery gebouwd. Een kleine helling waartegen de Märklin moeizaam opklom. Een boog om onderdoor te rijden. Steeds verder weg hadden zijn dromen hem gevoerd. Gezeten in een piepkleine miniatuurtrein die hem bracht waar hij wezen wou. Maar ver was dat niet. Hij was tevreden met de ruimte van zijn kamer en het eindeloze, ovalen ronddraaien van zijn trein.

Het licht van de leeslamp viel op zijn boek, op de onderste helft van zijn gelaat en belichtte ook schemerig een deel van het dressoir. Maar lezen deed hij niet. Hij dacht aan zijn miniatuurtrein. Aan de vijf of zes huisjes, een kerkje ook, in plastic, die langzamerhand naast het baantje verrezen waren. Allen van het merk Faller. Bouwdozen. Hij had hen niet zelf in elkaar geknutseld, gekleefd. Dat had zijn vader gedaan. Het was bizar, hij had er nooit veel aandacht aan besteed. De omgeving van de trein interesseerde hem niet voldoende. De beweging van de locomotief ja. Het eindeloze rondrijden op de baan. En wat hij daar bij kon fantaseren. Het waarheen. Het waar vandaan. De beweging zelf. Het reizen. Zijn blik dwaalde af. Naar de buffetkast. Bleef haperen op een kleine foto. Zijn grootmoeder. De moeder van zijn vader. Veel foto’s stonden er niet op het dressoir, hij hechtte niet bijzonder aan familie. En het was alles voorbij. Maar deze – te klein om in een aparte kader te stoppen – had hij in een hoekje bij een andere foto geschoven. Hij hield er van. Hoe zij er stond. In haar gebloemde schort, herinnerde hij zich meer dan het zichtbaar was op deze wit-zwart foto. Voorover gebogen, bij de tafel, met de koffiekan klaar om een kopje te vullen. Zo’n alledaagse handeling. Familiefoto. Zo vaak had hij haar niet ontmoet. Feestdagen. Nieuwjaar. Pasen soms. Het was toen een flinke reis naar de grote familie van zijn vader. Die woonden allemaal een heel eind uit de buurt. In feite was het omgekeerd natuurlijk, zijn vader was ver bij hen vandaan gaan wonen, dichtbij de familie van zijn moeder. Zo’n nieuwjaarsdag. Door de kou naar het station. Reusachtig stond daar, zwart, dof, puffend, soms luid sissend en een stoomwolk uitblazend die machtige machine te wachten. De loodzware deur van een coupé werd door zijn vader opengerukt. Hij werd opgetild, de hoge treeplanken opgeholpen. De geur van de wagon. Met niets vergelijkbaar. Stoffig. Sigaretten. Zweet. Nee, niets van dat alles. De geur van avontuur. De geur van reizen. Hij zonk weg in de harige rode kussens. Het gezin reisde in eerste klasse. Gratis. Dankzij het werk van zijn vader, nee niet bij de spoorwegen, bij een parastatale instelling. Hemel wat was men toen gul met allerlei voordelen. Nu, zo hoorde hij wel eens, reisden mensen in eerste klasse om vooral in forensentreinen te ontsnappen aan de drukte, het lawaai, het gsm-gedoe, en om zich van een zitplaats te verzekeren. Hij keek naar de foto van de oude vrouw en verjoeg de gedachte aan het moderne treinverkeer; wat had hij daarmee te maken. Onderuit gezakt kwam hij maar net boven de onderste rand van het raam uit. Bizar toch, toen gaf de buitendeur rechtstreeks in het coupé uit. Al was er uiteraard ook een gang waarlangs je van coupé naar coupé of naar het toilet kon wandelen. Hij trachtte zich te herinneren hoe het was wanneer ze in de lente of de zomer op familiebezoek gingen. Het lukte hem niet zich daarvan een beeld te vormen. Toch moesten die uitstappen er ook geweest zijn. Pasen. Huwelijksfeesten. Vieringen van de plechtige communie van de talrijke neefjes en nichtjes die telkens een feest kregen gelijkwaardig aan een huwelijk, alles er op en er aan, een volledig diner, dansfeest inbegrepen. Uitgewist, vergeten. Des te dieper bleken de winterse reizen in hem gegrift. Hoe ze meestal pas op het allerlaatste ogenblik in het station arriveerden, hoe hij nauwelijks achterover geploft was, en reeds werden de deuren met keiharde smakken door de conducteur of door de stationschef dichtgegooid. Gegooid jawel, opdat ze stevig in het slot zouden verankerd zitten. Hij schrok altijd op toen de deur van het eigen coupé aan de beurt was. Hoewel hij er op wachtte. Maar hij was zo nerveus. Hij trilde terwijl hij de oren spitste, waar bleef het dubbele fluitsignaal? Toch nog onverwacht klonk het. Meteen, met een schok trok de machtige stoommachine het stel traag in beweging. Het was telkens alsof zijn maag kromp en weer uitzette. Minuten duurde het eer hij tot rust kwam. De straten van de stad waren reeds voorbij gegleden toen hij er in slaagde naar buiten te kijken. Nog alleen een glimp van de buitenwijk die er verlaten bijlag – Nieuwjaar, en ze waren ook vroeg vertrokken want de reis duurde lang. Maar daar was het platteland al. Weiden. Populieren. Knotwilgen. Boerderijen. Koeien. Een paard. Langs het raam schoten de draden omhoog, omlaag voortdurend voorbij, flitsend, van paal tot paal. Nu behoorde dat beeld ook al tot de geschiedenis wist hij, ondergrondse bedrading was het nu overal. Toen had het hem gefascineerd, hem bijwijlen duizelig gemaakt. Het vormde een onafscheidelijk geheel met het gedender van de trein over de rails, het ritmische dat hem zo vroeg in de ochtend na een laat opblijven in de oudejaarsavond dreigde in slaap te wiegen. Een slaap waartegen hij zich hardnekkig verzette. Om geen seconde van de treinreis te missen. Niets van het fantastische avontuur aan zich te laten voorbijgaan. Hij wou het bewust beleven. Het uitzicht. Maar vooral het gevoel meegedragen te worden door die machtige zwarte machine die voortijlde door het landschap, die een sleep wagons quasi moeizaam achter zich aan de vlakte door trok. Terwijl hij gewiegd werd op het ritme bepaald door sporen en wissels, een onbekende bestemming tegemoet. Zo stelde hij zich toch voor. Al wist hij best waarheen ze reden, waar de trein halt zou houden, stationnetje na stationnetje, tot ze hun voorlopige eindbestemming zouden bereikt hebben. Waar de trein niet verder reed en ze het laatste deel van het traject met de bus dienden af te leggen. Maar eerst moesten ze nog een brug over, een grote brug over een brede stroom. In zijn herinnering glinsterde het water die ochtenden altijd, op ochtenden dat de zon zich boven de einder was komen vertonen, maar ook wanneer de lucht grijs en vol wolken was. Gespannen keek hij naar de constructies van de scheepswerf, en naar enkele zeilbootjes die roerloos aangemeerd lagen. Het was toch al een spannend ogenblik wist hij. De brug was niet zo stevig, verdroeg met moeite het gewicht van het treinstel zodat er flink vaart geminderd werd. Met een slakkengang reden ze naar de andere oever. Natuurlijk zou er niets gebeuren wist hij, natuurlijk zou de brug niet onder hen instorten. En toch plantte het vertragen zich verder tot in zijn maag, zoals de aansluitingen van de rails nu plots in een heel ander tempo op elkaar volgden. Het was aan diezelfde brug dat hij ’s avonds bij het terugkeren de beste herinnering bewaarde. Moe, suf van de lange dag, de familiebezoeken, het vele eten, liet hij zich ondanks zichzelf, met tegenzin bijna in slaap schommelen op het ritme van de trein. Buiten was zelden iets te zien, donker als het was, met de verlichting in het coupé. Maar wanneer de trein vertraagde, maakte het hem er attent op dat ze de stroom naderden. Hij ging rechtop zitten en tuurde nu, niet in de richting van de verlaten duistere scheepswerf, maar de andere kant uit. In de verte, heel ver, twinkelden lichtjes. Van de grootstad. Onafscheidelijk verbonden met een veelgehoord liedje, ‘Zie ik de lichtjes…’ dat hij binnensmonds begon te neuriën en dat hem tot hij thuis was niet meer verliet. De trein, de brug, de onbereikbare lichten, het vormde alles een geheel. Een geheel van weemoed. Hij wendde de blik af van de foto van zijn grootmoeder. Het was alles zo lang geleden.

De affiches op de reclamezuil waren veranderd. Ze bezorgden hem altijd enige, meestal overbodige, informatie. Waar hij zat kon hij nu een soort overladen hamburger zien en op het andere aanplakbiljet lokte een stad aan zee, met onnatuurlijk blauwe kleuren van lucht en water, toeristen. Telkens hij zijn boodschappen gedaan had, vrijwel dagelijks – bakker, soms slager en kruidenier – en indien het weer gunstig was, hield hij hier halt. Een pauze van zo’n vijf minuten, op dit bankje. Niet dat het parkje hem interesseerde. Wat er aan natuur te vinden was leek hem zo onecht. En de mensen. Och. Nee, mensen boeiden hem al lang niet meer. Hij keek hen onverschillig voorbij gaan. Ook de kinderen die er speelden. Dan dacht hij wel eens aan zijn echtgenote, aan haar onvervulde kinderwens. Zelf had hij nooit naar kinderen getaand. Maar het had hem, voor haar, wel gespeten dat er geen kwamen. En nu? Indien hij eerlijk was diende hij zichzelf te bekennen dat hij wel eens vertederd werd door de aanblik van een grootvader met een kleinkind. Wanneer er dus toch een verlangen was dan zou dat uitgaan naar kleinkinderen, hij zou een noodzakelijke stap overslaan. Dergelijke gedachte liet hem grinniken. Absurd toch. Hij richtte zijn blik op het affiche van de kuststad. Hoeveel maanden had hij in zijn jeugd niet aan zee doorgebracht. Iedere zomer drie maanden tot hij schoolplichtig was, daarna telkens twee maanden. Soms verlangde hij er nog wel eens naar, het eindeloze, de golven, de geur. Maar hij besefte dat hij nooit meer de inspanning zou doen de reis te ondernemen. Hoeveel sneller dat nu allicht kon. Toen was het een treinreis in twee etappes. Die heerlijke spanning. Het was niet zozeer het vakantiegevoel, niet het besef dat de zee hem wachtte, het was vooral het vooruitzicht op de lange treinreis dat hem de ochtend van het vertrek euforisch maakte. Het was een heel ander type trein dan deze waarmee ze naar de familie reden, sneller, moderner. Ook dat maakte deel uit van het grotere avontuur. En natuurlijk het feit dat ze minstens vier maal zo lang over de rails zouden zoeven. Ook nu herinnerde hij zich nog het verschil in tempo tussen de twee treinen. Of zou zijn geest hem bedriegen? En hoe snel het landschap die keren wisselde. Meest fascinerend was de aankomst in de stad waar ze dienden over te stappen in de trein die hen uiteindelijk ter bestemming zou brengen. Daar had hij telkens ogen te kort gekomen. Het leek wel of daar honderd sporen uit alle richtingen samen kwamen, of er tientallen wissels in een onvoorstelbare wirwar lagen te wachten om al die treinen te gidsen en het grote station binnen te loodsen. Onvoorstelbaar. Het was daar dat zijn fantasie op hol sloeg. De fantasie die hij zou benutten voor zijn Märklin-trein. Het gevoel toen de trein vertragend zijn weg vond, schokkend bij iedere wissel, het was als een droom. En hij wist dat hij, even later, in een andere trein die nog sneller en nog luxueuzer was, hetzelfde zou beleven wanneer ze het station uitreden. Toen bijna twee uren later iets in het landschap er op wees dat ze de kust naderden, de bomen die door de wind in één richting gebogen stonden, wist hij dat het einde van de reis nabij was. En hoewel de opwinding pas dan diende te beginnen, voor de zee, voor het logies, het kon allemaal niet optornen tegen wat pas voorbij was. Hoe goed weet hij nog dat hij opzettelijk – nadat de trein met een schok in het kopstation had halt gehouden, de deuren waren open gegooid, de mensen zich naar buiten spoedden – gepoogd had het uitstappen van zijn ouders te vertragen. Hoe ze hem ook tot spoed maanden, telkens slaagde hij er in hen te dwingen als één der laatsten de wagon te verlaten. En het was als met heimwee dat hij, omkijkend naar de machine en de prachtige sleep, struikelend, het station uitgeleid werd.

Een doorzichtige plastic doos van zo’n veertig centimeter rustte in zijn hand. Hij had haar van de kleerkast gehaald waar zij al enkele jaren onaangeroerd stond, het stof weggeblazen, de laatste resten met zijn hand schoongeveegd. Zo’n maand nadat zijn echtgenote gestorven was – een doel- en zinloze wandeling – kwam hij terecht op een rommelmarkt. Daar had hij dit exemplaar gezien. Waarom hij het gekocht had? Een jeugdherinnering? Misschien om iets te bezitten dat hem mogelijk zou troosten bij het pas geleden verlies? Een tegenwicht tegen pijn en eenzaamheid? Dat het niet zou helpen wist hij. Reeds op het ogenblik van de aankoop. Twee weken misschien had hij het op de salontafel laten staan. Maar telkens hij het zag herinnerde het hem meer en meer… Dus had hij de doos naar de slaapkamer verhuisd, hoog op de kleerkast, onzichtbaar vanwaar hij liep of lag. Waarom hij er nu aan gedacht had, haar tevoorschijn had gehaald? Hij woog haar in zijn hand. De locomotief met tender waren uit solide materiaal gebouwd blijkbaar. Een koperkleurig plaatje vermeldde de naam: Pacific Chapelon Nord. Een beroemde trein die in de jaren dertig, veertig in het noorden van Frankrijk had gereden. Dit schaalmodel was kunstig uitgevoerd. Het stond gepreciseerd op de machine, Calais CT FT 3.1192. Dat was het nummer van het type. Uitgevoerd in bruin. De meeste van deze PCN-treinen waren zwart, enkele bruin, ook de wagons – dat had hij toen opgezocht. Bruin, met dunne gele lijnen die het geheel een sierlijke toets verleenden. Hij staarde er naar. Die fascinatie voor treinen, waar was die ontstaan? Wanneer? Waarom? Misschien, wellicht, toen hij urenlang als zes-, zeven-, achtjarige, en later nog, gedurende vrije namiddagen zijn tijd doorbracht aan een kleine spoorwegovergang in hun buurt. Die werd bewaakt, overgangen waren toen niet automatisch, door een man die hij zo’n beetje als een grootvader beschouwde. Omdat hij diens echtgenote als een nabije grootmoeder koesterde. Zijn grootouders via zijn moeder had hij niet gekend, niet kunnen kennen. De ouders van zijn vader ontmoette hij tenslotte slechts sporadisch. Maar deze, de ouders van hun dienstmeisje, zocht hij voortdurend op. In een klein huisje. Waar de gezelligheid en de ontvangst hem verwarmden. En een of ander gemis blijkbaar ingevuld hadden. De man, die nieuwe grootvader, bediende de overgang aan een straat waar nauwelijks verkeer was. In zijn herinnering kwamen daar ieder uur slechts drie, vier auto’s voorbij. Minder dan treinen misschien. Het naderen van een trein werd aangekondigd via de telefoon. De man die de vorige overgang bediende moest verwittigen dat de trein op komst was. Dan werd vliegensvlug aan de hendel gedraaid en schoven de hekken links en rechts van de sporen over de straat. Meteen stormde ‘grootvader’ op zijn beurt naar de telefoon om de volgende overgang op de hoogte te brengen terwijl hijzelf vol spanning de komst en het voorbij zoeven van de trein afwachtte. Uren had hij daar gezeten, keuvelend, luisterend, en genietend van de trein. Genietend ook van de aandacht, van de aanwezigheid, van de warme genegenheid van de man. Mogelijk was daar zijn treinliefde voor het ganse leven ontstaan? Hij dacht plots aan die andere spoorovergang. Die hij over moest telkens hij naar school ging. Een drukke straat was dat. En hier waren het geen schuifhekken maar slagbomen die neergelaten werden. Natuurlijk zag hij hier niet zo vaak een trein, slechts wanneer hij toevallig arriveerde op een gunstig moment en diende te wachten. Maar de man die deze overgang bediende, ja, ook die wist hij zich nog goed te herinneren. Zelfs zijn gelaat stond na zoveel tientallen jaren nog in zijn geheugen geëtst; terwijl zoveel andere, belangrijke gelaatstrekken definitief gewist waren. Een robuuste kerel, goedlachs. Maar kwaad als een auto trachtte nog vlug onder een slagboom weg te glippen. Dan liet hij de metalen staafjes die eronder bevestigd waren krachtig enkele keren op het dak van de wagen neerkomen. Met allicht heel wat krassen in het lakwerk tot gevolg. En tot amusement van de toeschouwers. Veel verhaal tegen deze behandeling had de autobestuurder niet vermoedde hij. Ach ja, hij dacht er aan, bij die overgang was er ook een tunnel. Voor de gehaaste voetgangers. Die had hij nooit gebruikt. Het genoegen de trein te zien voorbij rijden had hij zichzelf niet ontzegd. Hij keek naar de miniatuurmachine in zijn handen. Hoe was zijn leven verlopen sinds die jaren aan de kleine overgang waar hij zo onbekommerd genoten had. Niet als de treinreis die hij zich verbeeldde, dokkerend over de rails, de cadans volgend van de sporen, schurend over wissels, flitsend door diverse landschappen, halt houdend in kleine en grote stations. Met zijsporen, rangeerstations, klimmende en dalende bergtreinen. Zijn leven was vlak geweest, eentonig, saai zelfs. Mensen en gebeurtenissen waren aan hem voorbij gegleden. Het leek hem nu, zoals hij daar zat, alsof hij door niets beroerd werd al die jaren. Of in ieder geval alsof hij er niet in geslaagd was iets of iemand te beroeren. Het was alles zinloos geweest. Zoals het reeds in het begin doelloos geleken had. “Je moet je trein op het juiste spoor krijgen”, dat was een uitdrukking die hem in de loop der jaren af en toe door het hoofd gespookt had. En geen uitdrukking had hij meer gehaat dan deze.
Het juiste spoor. Had hij het ooit bereden? Gedurende enkele jaren had hij in een andere stad gestudeerd. De universiteit. Wat was hem bijgebleven. Wat had het opgeleverd. Had hij er iets praktisch van verwacht; nee toch. Een ontwikkeling? Wanneer hij er nu op terugkeek kon hij er slechts om grimlachen, bitter grimlachen. Alleen. Ja, uitsluitend de dagelijkse treinreis. Al die uren die hij, meestal rustig, kon zitten lezen terwijl onder hem de sporen doorgleden. Al die uren dat hij de woorden, de zinnen in zich opnam, het landschap voorbij raasde. Het waren die uren die zich in hem vastgehecht hadden. De beweging van de treinen en het ritme van de woorden. Het tempo van de wagon en de cadans van de zinnen. Die waren gedurende die jaren onverbrekelijk geworden. Misschien was dat zijn spoor geworden. Of het tenslotte het juiste was? Wie zou het zeggen. Hij wist het niet.

Waar hij de moed vandaan haalde? Het initiatief? Hij wist dat in het museum van zijn stad een schilderij hing van Paul Delvaux. En plots had hij zijn jas aangetrokken, de deur achter zich gesloten, en stapte hij naar het museum toe. Hij had er evenmin een idee van waar de gedachte zo plots opgedoken was. Hij stelde zich ook de vraag niet. Het gebeurde alles als machinaal. Het opdoemend beeld van de werken van de schilder, in ieder geval deze die hem ooit geboeid hadden en dus deze waarin treinen een hoofdrol speelden. Het besef dat zo’n schilderij in zijn nabijheid te bezichtigen was. En alle daarop volgende handelingen, het nemen van zijn sleutels, portefeuille, het aantrekken van zijn jas, het huis verlaten, de wandeling door de straten van de stad. De voorbijgangers, het feit dat de julizon genadeloos brandde, zelfs de ingang van het museum, hij had niets werkelijk opgemerkt. Pas toen hij – na enig dwalen – voor het gezochte schilderij stond, ontwaakte hij. Tien, vijftien minuten stond hij roerloos. Starend. De blik gefixeerd. Voelde hij vermoeidheid, er stond een bankje net voor het werk en hij ging zitten. Bleef kijken. Hoe de kunstenaar alles minutieus voor hem had uitgetekend. Voor hem. Alleen voor hem. Hij verloor het besef van tijd. Gingen er minuten voorbij, uren. Pas toen een zachte stem uit een luidspreker aankondigde dat het museum over tien minuten zou sluiten schrok hij op. Stram kwam hij overeind. De buitenwereld was hem niet vreemder dan voorheen. Zijn blik was naar binnen gekeerd. Waar hij het schilderij van Delvaux ontmoette. Het nachtelijk station. Daarboven de smalle maansikkel. Op de voorgrond het dubbelspoor en de wissel waarop – verlicht – het einde van de reizigerstrein te zien was. Rode lichten. Wachtend, vertrekkensklaar? Of reeds in beweging? Het onnatuurlijk bleke licht dat op de perrons viel, afkomstig van de oude lantaarns. Links een stuk van wat hij het stationsgebouw vermoedde. De trein stond op de linkse rail maar zou, gezien de stand van de wissel, naar de rechter afbuigen. Het perron aan de overzijde was leeg, daar wachtte geen trein. Pas op het vierde spoor was opnieuw een trein te zien, een sliert wagons, drie voor goederen en drie voor reizigers – bizar. Het verdere gezicht op deze sleep werd onttrokken door het stukje trein op spoor 1. Ook deze trein was verlicht, net gearriveerd, klaar te vertrekken? Enkele sporen verder, een emplacement, zag hij drie goederenwagons. Werkloos. Wachtend. Achter de tweede trein ging een gebouw schuil, slechts gedeeltelijk zichtbaar. Er was een overkoepeling aan de zijde van dat spoor. Blijkbaar werden ook daar reizigers opgevangen. Een tweede stationsgebouw?

Die avond, in bed, verwonderde hij zich er over hoe scherp de bovenste verdiepingen van een achttal huizen, verscholen achter de loodsen waar de drie goederenwagons stonden en achter het rechtse gebouw, zo hel tegen de donkerblauwe nachtlucht oplichtten. Zodat ze heel minutieus getekend waren, met de raamomlijstingen ragfijn geschilderd. Dat evenwel was niet zijn belangrijkste verwondering. Er was iets anders. Iets dat reeds in het museum, gedurende de terugweg, sinds hij thuis was, en nu in bed, voortdurend spookte. Een beeld dat zich aan hem opdrong. En dat hij vergeefs trachtte te bannen. Tenslotte, alsof hij zichzelf verbannen had naar een andere wereld, sliep hij toch in. Maar niet droomloos. Ook daar bleek het beeld hem te achtervolgen. En meermaals, die nacht, wekte een nachtmerrie hem.

Onverbiddelijk. Hij ontkwam er niet aan. Vanaf die dag werd hij naar het museum gedreven, naar het schilderij. Naar de treinen, het station, de nachtelijke hemel waarin de maansikkel hem nu eens onheilspellend leek dan weer vertrouwen schonk. Naar de verre huizen waar onbekende bewoners ongetwijfeld nooit geslapen hadden. Lege huizen. Telkens zonk hij neer op de bank voor het schilderij. Bleef urenlang staren. Bewegingloos. De eerste dagen werd zijn gedrag bevreemd bekeken door de suppoost, daarna enigszins wantrouwig, tenslotte werd hij als een curiosum aanvaard en in de museumzaal bijgeplaatst als er toebehorend. Een vaste bezoeker die, hoewel hij nooit tot een groet te bewegen was, er niet onvriendelijk uitzag. Hij kwam en ging als in een droom. Niets of niemand ziend. Recht op zijn doel af. Dat ene schilderij. Blijkbaar het enige dat hem wist te boeien. Een zonderling, oordeelde de bewaker, meer kon daarover niet gezegd worden. Op dezelfde wijze kwam hij ook naar museum en keerde hij huiswaarts, onbewust van wat om hem heen gebeurde. Gedurende weken ging het zo verder. Ieder detail van het werk van Delvaux was op zijn netvlies gebrand, in zijn hersenen opgeslagen. Elke verfstreek. Niets was hem ontgaan. Meer en meer leefde hij in het schilderij. Hij bevond zich op het perron. Stapte in de trein. Soms zat hij, onzichtbaar, in de verlichte wagon verscholen. Of dwaalde op het emplacement rond tussen de goederenwagons, bij de loodsen waar de stilte hem beangstigde. Om terug te keren naar het verlichte station, de twee reizigerstreinen. Maar waar waren de reizigers? Telkens weer was hij naar huis gegaan met dat ene detail dat hij verdrong. Iets dat hij weigerde te zien. Er niet over nadenken. Het beeld afstoten. Maar het drong zich aan hem op. Waarom ging hij immers iedere dag naar het museum toe. Onverbiddelijk.

“Dat wist ik niet” zei de bezoeker. Hij richtte zich tot de suppoost. “Dat schilderij van Delvaux, dat daar twee versies van bestaan. Dat hij dat twee keer geschilderd heeft.” De bewaker leek niet bijzonder geïnteresseerd. De bezoeker liet zich niet ontmoedigen: “Ik heb een reproductie gezien en daar was het een meisje dat op de voorgrond stond”. De suppoost keek hem bevreemd aan. “Nu, hier toch ook, of ik moet me erg vergissen.” Meteen stapte hij naar het schilderij toe, gevolgd door de man. “Ik sta hier al jaren, ik heb dat schilderij al duizend keer gezien, ben ik nu zo mis? Dat kan toch niet. Er staat toch een meisje…”
Op de voorgrond van het werk was, half zijaanzicht, een jongetje te zien dat over een schutting stond te turen. Naar de treinen, naar het station. Maar dat alles was onbereikbaar, de houten afsluiting belemmerde hem naar het perron te gaan. Wachtte hij op iemand die zou arriveren. Zo leek het niet. Hij stond te star. Kaarsrecht. Alleen de, voor de kijker zichtbare, linkerarm een beetje gebogen. Mogelijk hunkerde hij naar het onbereikbare. Dat daar, een beetje verder, achter de planken waarover hij nauwelijks kon heenkijken, zou beginnen.
“Onbegrijpelijk” mompelde de suppoost. En richtte zich dan tot de bezoeker: “Er is een man…” en meteen draaide hij zich om naar de bank, “…oh, nu ja, er is iemand die hier iedere dag naar dit schilderij komt kijken. Alleen hiernaar. Die zou het beslist kunnen zeggen. Normaal blijft hij tot sluitingstijd maar juist vandaag is hij blijkbaar vroeger weggegaan. Hij zou het in ieder geval wel weten.” “Nu bedankt, het is een gekke geschiedenis” beaamde de bezoeker. Hij verliet de zaal. Terwijl de bewaker fronsend voor het schilderij achterbleef. Zich afvragend of hij dit vreemde voorval aan de directrice zou melden. Hij besloot te wachten. En de volgende dag de man aan te spreken die inmiddels reeds zoveel uren bij het werk gespendeerd had. Die zou ongetwijfeld uitsluitsel kunnen geven.

Het was de eerste keer in bijna zes jaren dat zijn werk hem een bijna slapeloze nacht bezorgd had. Hij zat dan ook kribbig aan de ontbijttafel, kon moeilijk het gewone gekibbel van zijn twee kleuters verdragen. En zelfs toen zijn echtgenote hem vroeg wat er mis was, kreeg ook zij op bitse toon te horen dat er niets scheelde. Terwijl hij best wist wat er in zijn hoofd omging. Gehaaster dan gewoonlijk joeg hij de kinderen voor zich uit de auto in om hen naar school te brengen. Het museum was nog donker toen hij arriveerde en met zijn badge de buitendeur opende. Nerveus hing hij zijn jas weg en ging de schemerige gangen door naar de eigen zaal. Hij aarzelde. Knipte toen de spots aan. Zou hij? De ganse nacht had hij het schilderij voor zich gezien. En meer en meer was hij er van overtuigd dat er een meisje op stond. Terwijl gisteren… Hij had toch duidelijk gezien, en hij niet alleen, dat er een jongentje op het schilderij te zien was. Hij begreep er niets van. Moest hij aan zichzelf twijfelen, zijn geestelijke vermogens. Was er werkelijk altijd een jongen afgebeeld op het werk en had hij nooit goed gekeken. Want onmiskenbaar, gisteren wàs het een jongen geweest, dat stond vast. Hij aarzelde. Nee, hij zou wachten. Wachten tot de man zou arriveren die iedere dag voor het schilderij ging zitten. Afwachten hoe hij zou reageren. Of hij iets abnormaal zou merken. En dan pas zou hij naar hem toegaan, zouden ze samen het werk bekijken. Maar wat indien hij niets vreemds zou zien, indien hij gewoon zoals altijd urenlang naar het schilderij zou staren, en dan weer weggaan. Kan ik dan gaan kijken, hem iets vragen, mijn vreemde ervaring met hem delen? Dit overwegend wandelde hij zenuwachtig zijn zaal op en neer, waarbij hij zorgvuldig vermeed een blik te werpen op het schilderij van Delvaux. Wachtend op die ene man, op die ene bezoeker die – hoopte hij – het raadsel kon oplossen.

Hij daagde niet op. Zoveel was duidelijk. Hij wachtte een uur, een tweede uur. Zo laat was hij nooit gearriveerd. En na drie uren was hij er nog steeds niet. Zo verstreek de ganse ochtend. Op het middaguur, net voor zijn taak overgenomen zou worden door een collega voor een halfuur lunchpauze, hield hij het niet meer uit. Vastberaden stapte hij op het schilderij toe. Hij wou uitsluitsel. De treinen, het station, de perrons, de loodsen, de nachthemel, de verre huizengevels, niets van dit alles zag hij. Zijn blik was slechts gefocust op de rechter benedenhoek. Daar stond het meisje. Een lichtblauw kleedje met wit kanten kraagje, onderaan net zo afgebiesd, een donkere smalle ceintuur versmalde haar toch al tengere gestalte. Zwarte schoentjes. Haar lang kastanjebruin haar hing los bijna tot haar middel. Haar linkerarm was, zoals zij daar in gedeeltelijk zijaanzicht stond, lichtjes gebogen. En zo staarde zij naar, ja naar wat… het station, de treinen, een onzichtbare reiziger. Alles was precies zoals hij het zich had voorgesteld. Nee, zoals het in zijn herinnering van jaren opgeslagen lag, zoals hij wist dat het hoorde te zijn. Maar gisteren dan? Was het een waanbeeld geweest. Was hij, maar dan ook die andere, die toevallige bezoeker, de prooi geweest van een waanvoorstelling. Dat moest dan haast wel. Hij was neergezonken op de bank tegenover het schilderij waar zijn collega hem aantrof. Of hij zich niet best voelde? Hij zag zo bleek? En het was ook niet gewoon – tegen de regels zelfs – dat de zaalwachter ging zitten op een bank midden de zaal. Nee, er was niets aan de hand, alles was in orde. Hij wierp nog een blik op het schilderij. Inderdaad, alles was in orde. Alles was opnieuw in orde. Wat hij niet zag was dat er in het verlichte zolderraam van het uiterst linkse huis een miniem vlekje was ontstaan, nauwelijks een stofje. Als aangebracht met hooguit één haartje uit de verfborstel van de kunstenaar. Alsof Delvaux daar iemand had laten uitkijken over het station, over de aankomende en vertrekkende treinen, over de loodsen. Iemand die in de nacht staarde en hunkerde naar het reizen, naar het dokkeren over rails en wissels, glijden voorbij landschappen. Iemand voor wie het sissen van de stoomlocomotief een wereld van herinnering betekende.

Maar precies dat ene haartje, dat had ontbroken aan de borstel van Delvaux.

De man die zo trouw naar het schilderij kwam kijken, de suppoost zou hem nooit meer terugzien.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.