Op dinsdag 9 oktober 1990 opende de Vlaamse Opera haar nieuwe seizoen met “Elektra” van Richard Strauss. Deze co-productie met de Munt en het Gran Teatro del Liceo uit Barcelona vond plaats in het kader van het Festival van Vlaanderen. De Rode Vaan op de praatstoel met Marc Clémeur, vorige week nog in ditzelfde blad verguisd door regisseur Franz Marijnen.

Marc Clémeur is een 38-jarige Antwerpenaar die reeds op zeer jonge leeftijd zijn interesse liet uitgaan zowel naar theater als naar muziek. Zo speelde hij zowel toneel als piano en studeerde hij zang en, later, aan de universiteit van Keulen muziek- en theaterwetenschappen. Daar promoveerde hij met een proefschrift over de oerversie van “Don Carlo” van Verdi, een werk dat overigens vorig seizoen op het programma van de Vlaamse Opera stond.
Dezelfde interessesferen vinden we ook steeds terug in de verschillende functies die Clémeur sedertdien heeft uitgeoefend. Zo was hij producer en concertorganisator bij BRT 2 Omroep Antwerpen, chef-dramaturg bij de Opera voor Vlaanderen, directeur van de Filharmonie van Antwerpen en producer bij de BRT-televisie. Op basis van dat curriculum vitae was hij opgenomen in de “raad van wijzen” die cultuurminister Dewael een paar jaar geleden heeft samengesteld, precies met het oog op een herstructurering van de opera in Vlaanderen.
Marc Clémeur is “intendant” (in andere bedrijfstakken zou men zeggen “directeur-generaal”) van de Vlaamse Opera geworden, nadat Gerard Mortier vroegtijdig had afgehaakt als interim-intendant. Dit ontslag had niets te maken met Mortiers aanstelling in Salzburg, zoals men op het eerste gezicht zou kunnen denken, maar was wel het gevolg van een persoonlijke botsing met afgevaardigd-beheerder De Moor. Als rechtstreeks uitvloeisel van het incident heeft de huidige intendant meer zelfstandigheid, maar dus ook een grotere verantwoordelijkheid.
Is dit nu de start van het eerste seizoen dat voor de volle 100 % uw stempel draagt?
Marc Clémeur: Men zou kunnen zeggen dat het voor 95 % een seizoen van mij is. Waarbij ik er vooraf nog eens wil op wijzen dat het toch wel op een heel korte termijn is moeten tot stand komen. Ik ben immers benoemd op 1 december en de persconferentie met de voorstelling van het seizoen vond reeds plaats in mei! Uiteindelijk is er slechts één productie bij die reeds opgestart was, namelijk de barokopera “Alcina” van Händel. Als ik dat had gewild, had ik dit nog kunnen tegenhouden, maar ik vond het integendeel een zeer goed project. We hebben in Vlaanderen nu eenmaal uitstekende barokspecialisten (Sigiswald Kuijken, Jos Van lmmerseel, Philippe Herreweghe, René Jacobs) die hier nochtans alleen maar concerten dirigeren. Als je Herreweghe een opera wou zien doen, moest je naar Parijs gaan, voor Kuijken moest je naar Keulen, voor Jacobs naar Hamburg. Ik vind dus dat het hoog tijd wordt dat ze eindelijk eens in eigen land een operaproductie kunnen maken.
HISTORISCHE INSTRUMENTEN
Marc Clémeur: Anderzijds zijn dit steeds zeer dure producties omdat ze een ensemble vragen met historische instrumenten. Wij hebben uiteraard een eigen orkest in loondienst, maar dat is een “modern” orkest. Van zodra we dus een barokensemble in de orkestbak nemen, geven we dubbel geld uit. Daarbij zijn zo’n ensembles zeer duur omdat dit geen bestaande orkesten zijn, maar die worden telkens samengesteld uit mensen die gespecialiseerd zijn in oude muziek. Op die manier moeten bijna dertig tot veertig man als solisten worden betaald! Dat zijn dus enorm dure projecten die gezien de financiële mogelijkheden van de Vlaamse Opera dienen te worden beperkt tot één productie per jaar.
— Eén van de problemen van authentieke instrumenten is dat ze voortdurend opnieuw dienen te worden gestemd. Dat is reeds hinderlijk bij een concert, waarbij dit tussen de bewegingen door dient te gebeuren, maar is dat dan wel doenbaar bij een opera?
Marc Clémeur: Dat kan inderdaad soms grote problemen opleveren, te meer daar men in een operahuis ook af te rekenen heeft met theaterbelichting, die de warmte nog eens doet stijgen. Meestal bereiden de ensembles zich echter daarop voor door reeds enige tijd op voorhand in de orkestbak plaats te nemen om hun instrumenten op de juiste temperatuur te laten komen, zodanig dat ze gestemd zijn op het moment dat de voorstelling start.
AANKNOPEN BIJ TRADITIES
— Hoe wil u zich nog verder profileren door middel van uw programmatie?
Marc Clémeur: Ik ben van oordeel dat we moeten aanknopen bij bepaalde tradities die in de beide operahuizen bestaan. Zo denk ik in Antwerpen op de eerste plaats aan de grote “Parsifal”-traditie, die daar al sedert het begin van deze eeuw bestaat en waarvoor men uit de gehele wereld naar Antwerpen afzakt. Ik vind dat dit een traditie is die je zo maar niet met de voeten kan of mag treden en daarom heb ik opnieuw “Parsifal” op het programma gezet, maar dan in een zeer speciale enscenering die we co-produceren met Covent Garden in Londen. Het is een productie die gebaseerd is op de traditie van de mysteriespelen en men laat zelfs zogenaamde deelnemers aan het mysteriespel uit de zaal opkomen.
Een ander gegeven is dat heel weinig mensen weten dat Richard Strauss zelf vaak in Antwerpen heeft gedirigeerd. Er bestond voor de Tweede Wereldoorlog dan ook een grote Richard Strauss-traditie die nadien een beetje verwaterd is. (Misschien omdat zijn houding tegenover het naziregime bepaalde vraagtekens opriep? RDS) Ook daar wil ik opnieuw bij aanknopen, zoals de openingsproductie reeds bewijst. En dan is er ook nog een ander accent dat ik graag wil leggen, namelijk Puccini…
— Strauss en Wagner, dat is de Antwerpse traditie, Puccini dat is eerder Gent?
Marc Clémeur: In theorie ja, want eens de Gentse opera opnieuw zal geopend zijn, worden de ensceneringen uitgewisseld. Met Puccini is het mijn bedoeling een hele cyclus op te bouwen. Dat is een idee dat zelfs op Europees vlak weerklank heeft gevonden, want daarmee hebben we o.a. de voorpagina van het Franse tijdschrift “Opéra International” gehaald. Natuurlijk, het is niet nieuw Puccini op te voeren, integendeel. Iederéén voert Puccini op, maar volgens mij op een zeer slechte manier. Men beschouwt dat als belcanto-opera, waarvoor men dan wat zangers bij elkaar zoekt, genre Luciano Pavarotti of Monserrat Caballé, met geen enkele scenische geloofwaardigheid.
— Pavarotti die van honger wegkwijnt op een zolderkamertje!
Marc Clémeur: Precies. Wat niet belet dat er wél soms schitterende ensceneringen zijn geweest, “La Bohème” van Franco Zeffirelli in de jaren zestig b.v. Maar dat was eerder de uitzondering dan de regel. Ik denk dus dat het meer dan tijd wordt dat we Puccini gaan revaloriseren als een theaterman maar ook als iemand die een heel rijke partituur heeft geschreven. Hij is een zeer verfijnd componist die verdiend te worden uitgevoerd, niet op die bijna brutale Italiaanse manier maar op de Franse wijze, een zeer transparante, eerder impressionistische interpretatie. Trouwens, als je aandachtig naar Puccini luistert, dan hoor je heel goed dat hij op zijn beurt goed naar Debussy heeft geluisterd. Niet iedereen is het daarover met mij eens, er zijn er zelfs die dat zeer hevig bestrijden, maar ik ben ervan overtuigd dat Puccini een zeer groot componist is die ondanks zijn grote populariteit nog altijd in zijn ware gedaante dient te worden ontdekt.
Daarmee samenhangend heb ik eigenlijk toch wel een fantastische ontdekking gedaan. Ik was op zoek naar een soort van permanente gastdirigent om gedurende vier jaar twee producties per jaar bij ons te doen en daarvoor heb ik toch één van de grootste namen uit de internationale operawereld kunnen aantrekken, namelijk de Zwitser Silvio Varviso, die ik vooral ontdekt heb via zijn Puccini-interpretaties. Deze man dirigeert Puccini op de manier zoals ik dat wil. Dit seizoen zal hij dit doen bij “Manon Lescaut”, een meer bekende opera van een toch nog jonge Puccini, en ook bij “Edgar”, dat werkelijk nog een jeugdwerk is. Met “Edgar” zitten we in het Vlaanderen van 1302. Het werk heeft weliswaar geen al te best libretto, maar het is wel prachtige muziek die al reminiscenties oproept aan die impressionistische orkestratie van Puccini. Wat de tekst betreft moet je je echter niet teveel illusies maken, want de librettisten kenden Vlaanderen blijkbaar zo goed dat ze er amandelbomen lieten groeien! Afgezien daarvan is het ook een vrij ongeloofwaardige historie, daarom leek het mij een perfecte opera om in concertvorm uit te voeren.
EIGENTIJDS
Marc Clémeur: Daarnaast wil ik ook de eigentijdse component niet verwaarlozen. Ik vind echter dat in ons land te vaak de gemakkelijke hedendaagse opera’s worden gespeeld. Ik denk aan Britten en Menotti, die eigenlijk nog neoromantisch componeren. Maar op een paar uitzonderingen na heeft nog niemand bij ons de grote werken van na de Tweede Wereldoorlog laten opvoeren. Het wordt dus tijd dat onze mensen eens kunnen kennismaken met de belangrijkste werken van een Penderecki, een Ligeti, enz. Het enige wat men gedaan heeft voor hedendaagse opera is steeds maar creatie-opdrachten geven. Dat is natuurlijk goed, maar als men weet dat in de geschiedenis van de opera zowat 40.000 werken gecreëerd werden en als men dan ziet hoe weinig er reëel constant gespeeld worden, dan moet men dus vaststellen dat de kans op een mislukking bij een creatie heel groot is. Waarom dan altijd maar opnieuw creatieopdrachten te geven om ze één keer te spelen en ze daarna in de schuif te steken? Laten we dan liever diegene die bij hun creatie succes hebben geboekt, nog eens spelen.
— Toch heeft ook u een creatie-opdracht gegeven, namelijk de Van Gogh-opera op muziek van de Nederlander Jan Van Vlijmen en op tekst van Johan Thielemans…
Marc Clémeur: Toch niet. Dit werk is geschreven in opdracht van de Van Gogh Stichting, maar het wordt inderdaad door ons gecreëerd, eind november in Amsterdam en onmiddellijk daarna in Antwerpen. Ik vond dit immers een uitstekend idee. Daarbij, ik wil creatie-opdrachten ook niet uitsluiten. Voor 1993, als Antwerpen de culturele hoofdstad van Europa is, voorzien wij trouwens de creatie van een Vlaamse opera.
OPERETTE
— Na de troebelen bij het opdoeken van de Opera voor Vlaanderen, wordt de kwaliteit van de nieuwe Vlaamse Opera nu niet langer meer in vraag gesteld, meer zelfs: zowel het orkest, als het koor, als de regies werden terecht bewierookt. Bovendien heeft u een aantal tradities in ere hersteld en heeft b.v. een Verdi nooit op het programma ontbroken (dit jaar is het ‘Macbeth’), maar één discussiepunt blijft toch bestaan: binnen de programmatie van de Vlaamse Opera is blijkbaar geen plaats voor operette. Ik kan daar inkomen. Men kan zelfs het genre als zodanig in vraag stellen, maar er bestaat nu eenmaal een publiek voor. Moet er dan geen afzonderlijk gesubsidieerd operettegezelschap worden opgericht?
Marc Clémeur: 
Mijn persoonlijke opvatting is dat er bepaalde operettes zijn die vele kwaliteiten hebben, maar dat er andere zijn die men echt niet meer hoeft te spelen. Als men dus een professioneel gezelschap zou willen oprichten dat een heel jaar door operette zou spelen, dan is daarvoor het repertoire dat kwalitatief hoogstaand genoeg is, te klein. Ik wil evenwel niet bij voorbaat uitsluiten dat wijzelf per jaar één operette zouden spelen. Ik heb dit nog nooit eerder publiekelijk verklaard, maar ik speel met het idee, als eenmaal de Gentse Opera weer open is, één productie per jaar niet uit te wisselen en dan meer bepaald rond Pasen. Dat zou dus betekenen dat ik “Parsifal” in Antwerpen zou laten, terwijl we in Gent een operette zouden spelen die niet naar Antwerpen zou gaan. We zouden dan wel, zoals nu, een trein laten rijden voor de mensen uit Gent die per se “Parsifal” willen zien en omgekeerd. Ik denk dat dit een goede oplossing zou zijn om ondanks een gemeenschappelijke programmatie toch nog één typisch accent per stad te behouden. Het spreekt dan wel vanzelf dat die operette met alle zorg en aandacht zal worden gemonteerd, waarmee wij ook opera’s monteren. Het enige probleem is dat ik op dat moment twee orkesten zal nodig hebben. Voor het koor is het op te lossen, maar ik zoek momenteel naar een orkest dat jaarlijks voor ons de “Parsifal” zou spelen, terwijl ons eigen orkest in Gent zou blijven.
SELLARS OF BARABBAS?
— U ziet opera heel expliciet als muziektheater. Dat brengt met zich mee dat u ook een duidelijk omschreven beeld heeft over bepaalde regieopvattingen…
Marc Clémeur: Aangezien het voorbije seizoen nog grotendeels door Gerard Mortier,was gepland, moet ik, met alle respect voor Sigiswald Kuijken, zeggen dat ik helemààl niet hield van de scenische opvatting met dat zogenaamde authentieke bewegingspatroon voor « L’Infedelta delusa” van Joseph Haydn. Ik denk dat het oog veel sneller evolueert dan het oor. Dat wil zeggen dat wij veel sneller aan allerlei visuele modes onderworpen zijn, zodat ons oog een bepaalde hedendaagse esthetiek wil, met weliswaar respect voor de ontstaansperiode van het werk. Het ligt dus zeker niet in mijn bedoeling om een barokopera te brengen in een decor van plexiglas, waarin punks op Harley Davidsons rondrazen. In een partituur zijn de noten en waarden veel meer vastgelegd dan in de bronnen die we hebben voor het visuele aspect. Daarom kunnen we ons min of meer als we historische instrumenten gebruiken een beeld vormen dat weliswaar niet 100 %. authentiek is, maar toch aangeeft hoe dat kan hebben geklonken. Wij kunnen ons echter nooit inbeelden hoe zo’n opera scenisch is verlopen. Het enige wat we hebben zijn een paar tekeningen. Maar we weten helemaal niet hoe die mensen zich bewogen. Hoe wil je dan in zo’n geval gaan spreken van authenticiteit in een enscenering?
Men kan proberen de decors authentiek na te bootsen, maar dat is dan ook alles. We werken hoe dan ook met mensen uit de twintigste eeuw die een heel andere manier van bewegen hebben dan mensen uit de zestiende, zeventiende eeuw. Dat lijkt me een foutieve aanpak. Ik zou dus bij een zo authentiek mogelijk klankbeeld vanuit een moderne visie met respect voor de ontstaansperiode tot een nieuwe aanpak van de barokopera komen.
En dit kadert eigenlijk in de totaliteit van mijn visie op operaregie. Ik vind dat operaregie vanuit het hedendaagse standpunt moet vertrekken, maar dat men altijd het verhaal moet vertellen zoals het er staat. Men moet niet gaan proberen een totaal ander verhaal daarop te plakken, zoals bij bepaalde excessen van moderne operaregie wel eens gebeurt. Dat is een aberratie die bij bepaalde operahuizen bestaat en die ik zeker niet wil volgen.
— Heel toevallig zijn vrij onlangs op televisie twee totaal tegengestelde ensceneringen van Mozart-opera’s te zien geweest. Enerzijds was er de “Cosi fan tutte” in de koffiebar van Peter Sellars en anderzijds kregen we “Le Nozze di Figaro” te zien in een zeer traditionele enscenering van het Drottningholmtheater uit Stockholm. Graag uw mening over deze beide extreme opvattingen.
Marc Clémeur: Ik heb alleen de “Nozze” gezien, maar van Sellars heb ik wel zopas “Die Zauberflöte” gezien en ik vind dit dus zeer slecht. Ik geef toe dat ik positievere reacties heb gehoord op “Cosi”, maar de “Zauberflöte” is — als ik het nu eens heel brutaal mag zeggen— het niet begrijpen door een Amerikaan van de enorme rijkdom van de Europese cultuur.
Ik denk dat “Die Zauberflöte” van die cultuur precies een schitterend voorbeeld is. Wat daar allemaal niet bij te pas komt: een stuk Egyptische oudheid, een stuk Aufklärung, een stuk vrijmetselarij, grote filosofische ideeën van het Europese gedachtengoed. En dat alles wordt dan gereduceerd tot een enscenering waarbij men een kopie van een autostrade in Los Angeles krijgt en waarbij men denkt origineel te zijn door de koningin van de nacht te laten opkomen, terwijl in al die wolkenkrabbers lichtjes beginnen te branden. Dat is van een zodanige Amerikaanse naïviteit dat ik het eigenlijk erg vind dat er dan toch nog bepaalde critici dit goed vinden. Dit is dus zeker niet waar ik naartoe wil. Ik wil daarmee echter geen algemeen oordeel over Peter Sellars uitspreken. Ik heb verder alleen maar, wat zijn opera-ensceneringen betreft, zijn “Julio Cesare” gezien, waar ik dan wel originele ideeën in terugvond. De Drottningholm-opvoeringen gaan dan anderzijds weer te veel in de richting van de historische reconstructie. Al kan ik dat wel begrijpen binnen het kader van Drottningholm zelf. Het is een heel klein, prachtig theatertje, één van de mooiste die ik ooit in mijn leven heb gezien, helemaal in hout gemaakt, waar ten hoogste honderd man
kan zitten of zo, maar waar er wel loges zijn voor de koning en de koningin en hun gevolg. Het is dus echt een klein hoftheatertje. In een dergelijk achttiende eeuws kader moet je Mozart misschien wel zo historiserend gaan ensceneren. Maar dat is ook niet mijn visie.
Als we het dan toch bij Mozart houden, dan verkies ik de stijl van Karl-Ernst Hermann in de Munt. Trouwens de “Cosi fan tutte” waarvoor hij enkel maar het decor heeft gemaakt, terwijl Bondy de regie op zich nam, was voor mij een van dé beste Mozart-realisaties die ik ooit heb gezien. Dat gaat in de richting van wat ik bedoel: een moderne esthetiek maar met respect voor de essentie van het werk.

Referentie
Ronny De Schepper, “Een moderne esthetiek, maar met respect voor de essentie”, De Rode Vaan nr.40 van 5 oktober 1990
Ronny De Schepper, Vorstenpaar bewondert Otello, Het Laatste Nieuws van 17 september 1993

IMG_0005

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s