Marnix Gijsen (1899-1984)

Het is vandaag al dertig jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Marnix Gijsen, pseudoniem van Jan-Albert Goris, is gestorven. Zijn pseudoniem verwijst naar Marnix van Sint-Aldegonde en de achternaam van zijn moeder, Gijsen.

Marnix Gijsen begon zijn letterkundige carrière als dichter bij de expressionistische groep rond het literair tijdschrift Ruimte. Zijn belangrijkste gedicht is “Loflitanie van de H. Franciscus van Assisië” (1920). In die periode had hij o.m. contacten met Paul van Ostaijen.
Hij promoveerde in 1925 aan de Katholieke Universiteit Leuven tot doctor in de geschiedkundige en zedenkundige wetenschappen en zette zijn studies voort in Freiburg, Parijs (Sorbonne) en Londen (London School of Economics).
Van 1928 tot 1933 was hij ambtenaar bij het gemeentebestuur van Antwerpen. Hij was o.m. kabinetschef van de burgemeester. Vervolgens was hij werkzaam bij de rijksadministratie te Brussel van 1934 tot 1939. Van 1939 tot 1941 was hij Commissaris-Generaal voor Toerisme.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog brak hij met de religieuze en morele waarden waarmee hij was opgegroeid en nam een stoïcijnse levenshouding aan. Dit komt tot uiting in zijn eerste roman die in 1947 werd gepubliceerd: “Het boek van Joachim van Babylon”. Een jaar later volgde “Telemachus in het dorp” en in 1951 schreef hij “Klaaglied voor Agnes”, telkens met autobiografische inslag wegens zijn “onvermogen om in een andere vorm dan de ik-vorm te schrijven.” Of zoals Christopher Morley het formuleerde: “This is all we ever say: ego, mei, mihi, me.”
Daarna verbleef hij te New York (*) tot 1964 als Belgisch Commissaris voor Informatie en was bovendien gevolmachtigd minister. Als “De Stem uit Amerika” verzorgde hij in die periode een wekelijks radiopraatje op zaterdagavond. Daarnaar vinden we een verwijzing in het Suske en Wiskealbum “De windmakers” (1959). Aan het begin van het verhaal wordt opgemerkt dat Christoffel Columbus de ontdekker van Amerika was. Een verwarde Jerom denkt in zichzelf: “Altijd gedacht dat dat Marnix Gijsen was.” Dit is tevens een verwijzing naar Gijsens boek, “Ontdek Amerika” (1927). Ook in de stripreeks Nero door Marc Sleen wordt een paar keer naar hem verwezen.
Op 2 oktober 1974 werd Marnix Gijsen geïnterviewd op de BRT en ik heb toen enkele passages genoteerd:
– U heeft ooit eens ophef gemaakt door Jef Geeraerts op te hemelen in uw tijdschrift…
Marnix Gijsen:
Ja! En dat trek ik niet terug, hoor! Voor mij is Geeraerts een groot lyricus, die een volzin an een paar bladzijden kan schrijven zonder dat het opvalt. Zo’n stuwing zit er achter. Ook in z’n woordkeuze is hij een lyricus. Hij is niet als vele van z’n collega’s, die denken dat ze seksueel vooruitstrevend zijn door allerlei schuttingwoorden te gebruiken. Hij schrijft dan ook over de liefde en niet over een mechanische oefening. ’t Is een genie, kom, zoals Louis Pol (Boon). En zoals àlle genieën begaat hij ook misstappen door z’n impulsiviteit. Z’n fascistische verdediging van Pol LeRoy b.v. was beneden alle peil. Hier had Mussche gelijk natuurlijk…
Hugo Claus is volgens u géén genie…
Marnix Gijsen:
Ik praat niet graag over Claus. (Lange stilte) Hij is te zeer overschat. Enkel z’n toneel is knap. Maar het zijn bewerkingen van andermans ideeën. “Vrijdag” is b.v. gewoon een kopie van “Driekoningenavond” van mijnheer Buysse. Met le cocu magnifique. Maar als hij in z’n poëzie zegt: “Ik bid alleen maar als ik schijt”, ja, dan kunnen we alleen maar hopen dat de jezuieten voor hem een novene gaan houden dat hij diarree zou krijgen om tot het ware geloof bekeerd te worden (lacht).
– U spreekt met veel lof over uw tijdgenoten maar nooit over Cyriel Verschaeve…
Marnix Gijsen:
Ik heb met Maurice Roelants nog een boekje met citaten van hem willen uitgeven. Sommige ervan waren kostelijk. Zo moest hij eens komen spreken in een meisjesschool. Hij kon echter niet komen en zond een telegram met de boodschap: “Denk niet, voel”. Aan zestienjarige kostschoolmeisjes! Nou, die waren wel bereid om te ‘voelen’, nietwaar? En nog één: “Hoe meer volk, hoe meer boezem”. ’t Is grotesk. Een geestelijke misdadiger, zó noem ik hem.
– U zou niet in een autonome staat Vlaanderen willen leven?
Marnix Gijsen:
Nee, ik zou verhuizen naar Nederland. Want met dat krapuul van de VMO…
Dat noteerde ik natuurlijk in die tijd omdat ik er ook zo over dacht, maar ondertussen lijkt het cultuurverschil met Nederland me haast even groot geworden als met Wallonië en met iemand als Bart De Wever legt de vernieuwde Vlaamse beweging nu toch meer gewicht in de schaal dan vroeger… ;-)

Ronny De Schepper

(*) Meer bepaald in Greenwich Village, dus net in de periode dat die zo belangrijk was voor de ontwikkeling van de rock- en folkmuziek, maar, zoals Marcel Janssens het formuleerde in de Standaard der Letteren: “In feite bleef hij meestal van in Greenwich Village met het Vlaamse dorp Blaren bezig en waren de ‘Amerikaanse’ romans vaak evenzeer zelfportretten als de rest. (…) Ook structureel gezien is het verhalend proza van Marnix Gijsen aan welke Amerikaanse invloed ook voorbijgegaan. Jonge Vlaamse auteurs schrijven in de jaren 1950 Amerikaanser dan hij.”

Referentie
Jean Weisgerber, De Vlaamse roman, p.205 e.v.
Dwarskijker (Willy Courteaux), Een subsidie achterna, Humo 23/10/1975.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.