Morgen zal het al negentig jaar geleden zijn dat Maria Rooman is overleden.

Ik heb pas in 2010 de klassieke roman “Klaaglied om Agnes” van Marnix Gijsen gelezen, geschreven in 1951, om precies te zijn een half jaar vóór mijn geboorte. Eerder had ik van hem al “Telemachus in het dorp” (1948) en “Overkomst dringend gewenst” (1978) gelezen. Dat was wel al een tijdje geleden, maar ik meende me te herinneren dat ik daaraan toch enig plezier heb beleefd. En dat is in zekere zin ook het geval geweest met “Klaaglied om Agnes”, al is om voor de hand liggende redenen “plezier” niet het juiste woord. Marnix Gijsen vereeuwigde in dit boek Maria Rooman, 23 jaar nadat dit meisje uit Nieuwkerken-Waas op 27-jarige leeftijd aan tuberculose was overleden. Gijsen, of beter gezegd, Dr.Jan Albert Goris had haar leren kennen toen ze verhuisd was naar Antwerpen en hij haar in de lokale bibliotheek tegen het lijf was gelopen. Maar al in 1921 begon ze tekenen te vertonen van wat pas later als tuberculose werd gediagnosticeerd. Ze stierf op 7 juli 1928 in een Zwitsers kuuroord.
17 Marleen Maes als AgnesIn 1975 werd het boek voor de Nederlandse televisie omgezet tot een televisiefilm door Yvonne Keuls. De regie was in handen van Ruud Keers en de muziek (uiteraard gebaseerd op “Orpheus en Eurydice” van Willibald von Gluck) was van Henk Alkema. De acteurs waren echter allemaal Vlamingen: Luk de Koninck was de ik-figuur (Jan) en Marleen Maes (foto) speelde de rol van Agnes. De sceptici stonden natuurlijk aan te schuiven (met Humo uiteraard op kop), maar Yvonne Keuls vertelt (in Humo) dat Marnix Gijsen zelf tot tranen toe bewogen was.
Misschien kan ik hier even verwijzen naar wat iemand nog niet zo lang gelezen op mijn blog schreef over Ernest Hemingway: “Wordt nog steeds veel gelezen. Van welke Vlaamse schrijver zou je kunnen zeggen dat hij een tijdgenoot en zielsverwant is?” In de oppervlakkigheid (wegens de snelheid) eigen aan het medium “internet” had ik deze opmerking oorspronkelijk als volgt gelezen: “Wordt nog steeds veel gelezen. Van welke Vlaamse tijdgenoot zou je dàt nog kunnen zeggen?” En dan dacht ik: wel ja, van Marnix Gijsen misschien. Ondanks het feit dat hij nu toch ook al meer dan 25 jaar dood is, vind ik de problematiek die hij behandelt nog steeds van belang voor een lezer van de 21ste eeuw. En hij doet dat in een taal die gewild statig is, maar dan ook weer niet zo plechtstatig dat ze afstoot. Nee, als je rekent dat hij toch telkens de zware onderwerpen niet uit de weg gaat, mag je stellen dat hij zelfs redelijk vlot leest.
Zelfs in de stripreeks Nero door Marc Sleen wordt een paar keer naar Marnix Gijsen verwezen. Een voorbeeld is in “De Daverende Pitteleer” (1959) in strook 193: wanneer Madam Pheip eindelijk terug is uit de VS verklaart ze uitgeput hoe ze aan de politie wist te ontsnappen: “Ik kon in het gewoel ontkomen. (…) Ben bij Marnix Gijsen hulp gaan vragen, maar die haat vrouwen.” Of dit inderdaad zo was, daarvan ben ik niet zo zeker, ook al staat reeds op p.15 in “Klaaglied om Agnes”: “De meisjes die ik kende leken mij van alle belang ontbloot. Het waren giechelende gansjes die mij lichamelijk niet aantrokken en geestelijk afstootten. Ik hield mij wijsneuzig vast aan de wijsheid, die de vrouwen beschrijft als wezens met lange haren en korte gedachten.”
Dit is straffe taal, maar literair gezien is het natuurlijk een stilistische wending om de “uniciteit” van Agnes te doen uitkomen. Anderzijds is Agnes sowieso niet uniek, aangezien men bij dit liefdesverhaal niet uit het oog mag verliezen dat er nog een Agnes in het spel was: “Het enige vrouwelijke wezen, buiten mijn moeder, dat in mijn leven een rol speelde, was mijn zuster Agnes. (…) Al wat ik van haar weet is: dat zij een jaar voor mij werd geboren, slechts een achttal weken heeft geleefd en na een ziekte van slechts een paar uur is gestorven. (…) Later, wanneer ik allerlei redenen had om over mezelf grondig ontevreden te zijn, kwam haar beeld mij steeds voor de geest en voelde ik mij in dit leven een indringer, alsof ik schaamteloos haar plaats had ingenomen in deze wereld en Agnes’ geslacht en bestemming had verraden door een man te zijn, die al te dikwijls geen man was.” (p.15-18)
Over de vereenzelviging van de ene Agnes met de andere: “Zij leek niet op de meisjes die ik kende en die door druk gepraat en nog drukkere en altijd hoekige gebaren, dadelijk trachtten indruk te maken op de jongens die zij ontmoetten. Zij was mijn dode zuster. Ik weet niet hoe ik die verschuiving van het dode kind naar het levende meisje in mij bewerkte. Alleen omwille van de naam? Ik leefde in een sfeer waarin alleen het abnormale mij natuurlijk en vanzelfsprekend voorkwam. (…) In de duisternis (van een filmzaal, RDS) had ik haar leren kennen. In de duisternis, dacht ik, had ik mijn zusje Agnes opgevolgd in de schoot van mijn moeder. Zolang had ik reeds over dit alles nagedacht, dat ik wist dat ik een elftal maanden na de geboorte van Agnes, mijn zuster, ter wereld was gekomen. Al wist ik niets van het leven tussen man en vrouw, toch besefte ik, dat ik door mijn vader uit het niet was geroepen als een troost en een vergelding voor dit diepe verdriet. Had mijn moeder mij al wenend om het dode kind ontvangen?” (p.39-40)
Vooraf werd mij gezegd dat je dat “klaaglied” uit de titel redelijk letterlijk mocht opvatten. Dat het boek m.a.w. leed onder een overdreven gelamenteer. Persoonlijk vond ik dat nog wel meevallen. Mij viel eerder het cynische toontje op. Zoals wanneer de schrijver bij de dokter naar de gezondheidstoestand van Agnes gaat informeren en te horen krijgt: “Trek het u niet zo aan, jongen. De wereld is vol vrouwen.” (p.152)
Maar nog straffer is de reactie van Carla, de zus van Agnes: “Je bent niet aan Agnes gebonden. Je kunt haar laten als je wilt. Waarom zou je heel je leven binden aan een invalide of aan een stervende?” (p.155)
Dat is straffer omdat er reeds eerder een erotische spanning in de lucht hing. Carla had hem zelfs ooit al eens gevraagd: “Met wie kom je nu eigenlijk vrijen, met Agnes of met mij?” (p.122)
Het is ook “aan de borst van Carla” (p.190) dat hij, na de dood van Agnes, de dure eed zweert: “Ik zal in mijn leven geen onedele daad meer doen.” (p.188) Een uitspraak, waarmee tegenstanders van het boek Gijsen vaak trachten onderuit te halen. Het is inderdaad een uitspraak die “erover” is (die m.a.w. wel degelijk “plechtstatig” is), maar in die context vind ik ze toch niet van belang ontbloot. Zeker, het is op de eerste plaats een “programmaverklaring” voor zijn verdere leven (*), maar ik lees het ook als een resolutie om uit de onmiddellijke impasse te geraken die is ontstaan. Op die manier kan de schrijver naar Davos (waar Agnes is overleden in een sanatorium) afreizen “met het hoofd op haar (d.i.Carla’s, RDS) brede schouder” (p.188), zonder dat daar “onedele” motieven in meespelen.

Ronny De Schepper

(*) Ondanks het feit dat hij – als we mogen aannemen dat hij het “gedwongen” bordeelbezoek tijdens zijn legerdienst inderdààd naast zich neer heeft gelegd (p.139) – nog altijd maagd is, toch is dit overduidelijk een “coming of age”-werk (“mijn leerjaren waren ten einde”, p.190). Is het niet “eros” dat in dit werk de eerste viool speelt, dan is het natuurlijk onmiskenbaar wel “thanatos”…

P.S. (1) In dit boek schrijft Gijsen ook over zijn legerdienst, waarbij het zinnetje “het leger maakt van een jongen een man zo ongeveer als het bordeel van een meisje een vrouw maakt” (p.98) zijn weg heeft gevonden naar het algemeen taalgebruik.
(2) Als we het werk trouwens als autobiografisch mogen beschouwen (en ik denk dat we dit inderdaad mogen doen), dan valt er tussen al de ellende ook een leuke anekdote te rapen over hoe Jan Albert Goris van de journalistiek naar de politieke ambtenarij overstapte. Hij moest in 1920 voor een Nederlandse krant immers de Olympische Spelen in Antwerpen verslaan, maar op het moment dat Nederland een belangrijke voetbalmatch moest betwisten (die ze verloren), gaf hij er de voorkeur aan het Lam Gods van Jan Van Eyck te gaan bekijken, dat even te zien was in een Antwerps museum (p.156). Hij schreef dan maar een verslag op basis wat in andere (Vlaamse) kranten werd gepubliceerd en dat werd hem uiteraard niet in dank afgenomen. Dan ging hij maar aan de slag als secretaris van een (naar zijn zeggen) “integer” politicus (p.157).
(3) Villon d’Orleans reageerde op 7 juli 2013 op mijn blog: “Bij Manteau Marginaal verscheen in de jaren 1980 (?) een boekje van een 50-tal bladzijden: ‘Marnix Gijsen en René Goris: Grafzuil voor Agnes’. Toeval wil dat een dactylo-secretaresse op de Boelwerf, Gemma Rooman, mijn briefwerk intikte en zo nodig nogal wat kwam vragen en bleef napraten. Ik had zojuist het Marginaaldeeltje gelezen en vroeg haar of zij familie had gehad in Nieuwkerken-Waas. Ja dus, en bij haar thuis kenden ze het verhaal van Maria Rooman en haar Antwerpse vrijer, via haar vader en haar moeder. In Temse kenden de marktgangers wel de ouders van Gemma. Die hadden een stoffenkraam op de wekelijkse vrijdagmarkt. Toen de marktactiviteiten voor moeder Rooman ten einde liepen kwam Gemma naar de Boelwerf als steno-dactylo, waarvoor ze in ISA was afgestudeerd. Haar broer Georges Rooman (+) was jarenlang tekenaar bij architect De Rijck op de Kattebrug.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.