Richard Gere wordt 65…

Richard GereEen professor van de Gentse universiteit vertelde me ooit eens de volgende anekdote. Op een bepaald ogenblik moest hij naar Zuid-Frankrijk om een lezing te geven. In het kleine hotelletje was er naast hem nog slechts één andere gast: Richard Gere. Toen de man dit nadien vertelde op een lunch onder professoren, zaten de anderen hem aan te gapen: who the fuck is Richard Gere? Sic transit gloria mundi.

1977 is het jaar van de doorbraak van Richard Gere met “Looking for Mr.Goodbar” van Richard Brooks. Gebaseerd op een waar verhaal vertelt de film het verhaal van Theresa Dunn (gespeeld door Diane Keaton). Zij leidt een dubbel leven. Overdag is zij een rustige en toegewijde onderwijzeres bij gehoorgestoorde kinderen. ’s Nachts gaat zij jachtig op zoek naar liefde en seks. Haar escapades brengen haar in contact met mannen van allerlei slag, waaronder dus ook Richard Gere…
Richard Gere werd geboren in Philadelphia op 31 augustus 1949, maar uit ouders afkomstig uit Massachussets, waar zijn grootvader een boerderij had. Zijn eigen vader was echter verzekeringsmakelaar. Het was een zeer muzikale familie en net als zijn vier broers en zusters speelt hij dan ook zowat alle instrumenten, maar zijn voorkeur gaat uit naar de trompet. In die hoedanigheid zien we hem trouwens aan het werk in de film “The Cotton Club” (“dat was waarschijnlijk het enige wat ik leuk vond aan die film,” aldus Gere).
Het was zijn moeder die hen elke week naar de muzieklessen sleepte. Als kleine jongen vond hij er uiteraard geen bal aan, maar nu is hij er toch wel dankbaar voor, ook al is hij uiteindelijk toch niet op de ingeslagen weg verdergegaan in tegenstelling tot zijn broer die concertpianist is geworden. Al heeft hij als tiener nog wel een popgroep gesticht, genaamd… The Strangers (ze moesten het eens weten in Aantwaarpe!). Op 19-jarige leeftijd was Richard als sessiemuzikant ook betrokken bij de opvoering van rock-opera’s, wat in die tijd (eind jaren zestig, begin jaren zeventig) erg in trek was. Zo heeft hij op Broadway en in Londen zelfs de hoofdrol vertolkt in de oerversie van “Grease”.
Voor de rest studeerde hij filosofie aan de universiteit van Massachusetts (vandaar misschien zijn latere interesse voor het Zen-boeddhisme, al was hij op dat moment een regelrechte tegenstander van hippie-toestanden en eerder een vechtersbaas) en trad hij op in avant-garde toneel, vandaar dat hij eigenlijk vrij laat aan zijn filmdebuut toe was. Dat was in 1975 in “Report to the commissioner” van Milton Katselas, gevolgd in 1976 door “Baby blue marine” van John Hancock.
Het rebellen-imago van Richard Gere wordt in 1978 verder bijgewerkt in “Days of heaven” van Terrence Malick en “Bloodbrothers” van Robert Mulligan.
Daarna speelt hij o.a. in “Yanks” van John Schlesinger (1979). Rond die tijd gaat hij samenwonen met Sylvia Martins, een Braziliaanse “kunstenares”, die als een echte groupie achter hem aan heeft gezeten. Zijn échte doorbraak komt er met “American gigolo” van Paul Schrader, waarvoor hij zich naar eigen zeggen zou hebben gespiegeld aan Alain Delon (maar zijn échte held is Robert De Niro en vroeger Marlon Brando, James Dean, Montgomery Clift en John Garfield).
Ondertussen speelde hij in het theater “Bent” van Martin Sherman, waarbij hij “ge-out” wordt als homo, omdat hij om de rol te spelen van een homoseksuele krijgsgevangene, die verkiest te sterven i.p.v. zijn geaardheid te ontkennen, vaak in homo-bars is te zien. Alhoewel het niet juist lijkt te zijn, is het toch grappig omdat Gere wél een voorstander is van “outing”, vooral in het kader van de aids-bestrijding. Hij vindt dat heel wat mensen minder homofoob zouden zijn, als ze wisten dat, laten we zeggen, de helft van de VTM-zangertjes homofiel is. Omdat Gere ondertussen met Maggie Wilde ook een productiefirma heeft gesticht, stelt hij aan Rainer Werner Fassbinder – samen met Werner Herzog zijn idool als filmregisseur – voor om het te verfilmen. Fassbinder is echter wantrouwig en eist dat hij eerst in zijn film “Lily Marlene” optreedt. Gere weigert en daar is het project dan ook op gestrand. Hij doet wel een kleinere film (“Reporters” van Raymond Depardon) in 1981.
Daarna gaat de successtory van Richard Gere echt goed van start met “An officer and a gentleman” van Taylor Hackford. In 1983 is hij te zien in “Breathless” van Jim McBride en in “The honorary consul” van John Mackenzie. In 1985 is er de reeds eerder genoemde “Cotton Club” van Francis Ford Coppola.
Een reusachtige flop daarentegen was “King David” van Bruce Beresford (1985), een film die Richard Gere nochtans bewust wou maken, omdat het volgens hem over de noodzakelijke scheiding tussen kerk en staat gaat. Ook “Power” van Sidney Lumet en “No mercy” van Richard Pearce waren niet bepaald kassuccessen. Rond deze tijd verlaat Richard Gere Martins om met actrice Penelope Milford te gaan samenwonen.
Richard Gere draait nog “Miles from home” van Gary Sinise (1988) en verdwijnt dan een tijdlang van het toneel om vooral politiek actief te zijn (Tibet, Centraal-Amerika). Met zijn comeback, “Internal affairs” van Mike Figgis, heeft hij alvast de vuurproef doorstaan: moeders mooiste die de smerigste aller smerissen moet uitbeelden en toch populair blijven. Geef toe, we zien het Luc Appermont nog niet zo direct presteren. Voor Gere was zijn vertrouwde gigolo-aanpak (denken we aan de gelijknamige film, maar ook aan “Looking for mr.Goodbar” of “Breathless”) zelfs een conditio sine qua non om de rol van de corrupte politieman Dennis Peck te aanvaarden.
Eigenlijk stond het zelfs zo niet eens in het originele script. Volgens het oeroude recept van Hollywood, waarbij de goede cowboy een witte hoed draagt en de slechte een zwarte, was de schurk al vanop mijlen afstand te herkennen. Gere maakte echter van zijn supersterren-status gebruik om te eisen dat de rol zou worden herschreven, net zoals Sean Connery hem dat voor de vaderrol van Indiana Jones had voorgedaan. Op aandringen van Gere werd Dennis Peck dan ook van een eendimensionale corrupte politieman omgeturnd naar een ambivalente Shakespeariaanse schurk à la Jago of Richard III.
Op het eerste gezicht is het verband niet zo erg duidelijk, maar deze wijziging heeft veel te maken met Gere’s levenshouding als overtuigd Boeddhist. Ondanks de knokpartijen wilde hij op de eerste plaats immers een psychologische film draaien en geen goedkope seks-en-geweld-prent. Bovendien vond Gere het ook interessant op die manier de Boeddhistische levensfilosofie te illustreren, met name dat het innerlijke belangrijker is dan het uiterlijke en dat je dus ook niet afgaande op uiterlijke kenmerken conclusies kan trekken over goed en kwaad.
Het zou echter zeker overdreven zijn te stellen dat deze filosofie ook in de titel “Internal affairs” weerspiegeld wordt. Neen, als de titel dan al een woordspeling mag verbergen, dan is het niet déze, maar wel dat naast de “interne zaken” van de betrokken politieagenten, ook de “intieme relaties” van hun echtgenotes uit de doeken worden gedaan… Wellicht herkent u in deze invalshoek meer de Richard Gere zoals u zich hem had voorgesteld. De Boeddhist Gere beantwoordt immers veel minder aan het “American gigolo”-type, waarvoor hij toch bekend staat. Maar Richard zelf heeft daarvoor een uitleg. Volgens hem is dit te wijten aan het feit dat die gelijknamige film eigenlijk als aanklacht was bedoeld. Dat hij het bankroet van de Amerikaanse maatschappij moest aanduiden. De film werd echter – “helaas!” zucht Gere zonder blozen – bekeken als een handleiding om op de kortste keren gigolo te worden. Pech voor al diegenen die net zoals ik de haken waaraan normaal hun fiets wordt opgehangen in navolging van onze held naar hun slaapkamer hebben overgebracht om op die manier aan hun conditie te kunnen werken… Maar geen nood, als we dat niet geloven, dan maakt hij ons wel iets anders wijs. Net zoals er, naast de “Shakespeariaanse” ingreep op het scenario van “Internal affairs”, nog een andere versie bestaat van het verhaal waarom Gere zijn oude “gigolo”-type weer van stal heeft gehaald. Hij zou zich immers de laatste tijd zozeer met politiek hebben bezig gehouden dat hij de rol van Dennis Peck wel moest aanvaarden, omdat de bazen van Hollywood hem als het ware een ultimatum hadden gesteld. Toen hij rond die tijd bij Terry Wogan te gast was, gaf Gere trouwens zelf toe dat hij zijn vedettestatus stilaan was gaan gebruiken om in talkshows (zoals “Wogan”) zijn politieke overtuiging te kunnen ventileren. En eigenlijk had hij er dus wel begrip voor dat de filmbonzen hem op de man af vroegen of hij al dan niet nog iets van plan was met zijn carrière…
Bij deze film, waarin Andy Garcia de brave flik was die door zijn stoute collega Richard Gere de duvel wordt aangedaan (o.m. via zijn vrouw Nancy Travis), gaf Richard Gere reeds aan dat Garcia in zijn voetstappen zou treden (“In Garcia zag ik een perfect beeld van mijzelf zo’n tiental jaren geleden”)
Ondertussen heeft Gere ook een tweede, minder extreem, “examen” met glans afgelegd: in “Pretty woman” (Garry Marshall) speelde hij voor het eerst de mannelijke hoofdrol in een zogenaamde “screwball comedy”. Hier, zowel als in de Verenigde Staten was “Pretty woman” nog succesvoller dan “Internal affairs”, ja zelfs dan eender welke andere film. Het script werd Richard Gere aangeboden na de uiterst vermoeiende opnames voor “Internal affairs” als zijnde een soort van moderne versie van “My fair lady”.
“Ik dacht uiteraard met een musical te maken te hebben,” zegt Gere, “maar buiten het feit dat de titel gebaseerd is op de bekende hit van wijlen Roy Orbison en dat ik er zelf ook een beetje piano in speel, was dit hoegenaamd niet het geval. Wat men werkelijk bedoelde, was dat deze film het aloude thema van ‘Pygmalion’ nog eens oprakelde. Ik vond het een leuk script, maar zeker niets voor mij. Zelfs toen mijn agent me zei dat ik door deze rol te weigeren een fortuintje liet liggen, dan nog hapte ik niet toe. Toen ik echter kennismaakte met Julia Roberts die mijn tegenspeelster ging worden, ja dan…”
Na “Pretty woman” kan er niets meer fout gaan. Zeker niet nadat hij scheep gaat met fotomodel Cindy Crawford. Lange tijd was er sprake van dat ze tesamen zouden te zien zijn in “Royal sins”, een film over de avonturen van Sarah Ferguson en “de Texaanse playboy” Steve Wyatt. De roddel dat Cindy Crawford eigenlijk een verhouding zou hebben met de lesbische zangeres k.d.lang of haar collega Naomi Campbell maakte een einde aan deze plannen. De roddelpers zag hierin juist een “bewijs” dat Gere toch homofiel zou zijn, want dat komt wel vaker voor dat twee homoseksuelen van beider kunne met elkaar een verbintenis aangaan om de schijn op te houden. Rond die tijd doet ook het hilarische verhaal de ronde dat Gere operatief een hamster uit zijn anus heeft moeten laten verwijderen. Dat was naar verluidt een manier waarop homoseksuele mannen zichzelf zouden stimuleren. Volgens interviewer Jay Leno had Gere echter een blanco blad getekend dat artsen hem onder de neus hadden geduwd en hebben ze daarop later ingevuld dat het om een hospitalisatie om die reden ging.
Wanneer in april 1994 geruchten opduiken dat het koppel uit elkaar gaat, officieel omdat zij kinderen wil en hij niet, stak de interpretatie dat beiden “gay” waren weer de kop op. Alhoewel zelfs toenmalig minister Wathelet zich druk begon te maken over de verloedering van de pers, reageerde ook het koppel nogal ongelukkig door een paginagrote advertentie te kopen in “The Times” (prijs: bijna een miljoen) om daarin te verkondigen “dat ze heteroseksueel en monogaam zijn”. Volledigheidshalve moet ik er wel bijvertellen dat ze tegelijk ook schrijven dat ze zich voor de rechten van homo’s en lesbiennes zullen blijven inzetten (en voor de strijd tegen aids, voor Tibet – uiteraard – en nog tal van andere goede doelen, al zijn ze wel de zeehondjes vergeten).
Enkele maanden later verklapte Crawford aan “Vanity Fair” dat zij eigenlijk die advertentie liever niet had zien verschijnen en op het einde van het jaar bleek waarom: ze gaan namelijk alweer uit elkaar, zij het niet omwille van partners van hetzelfde geslacht, enfin toch niet wat Gere betreft. Die zou het nu hebben voor Laura Bailey, een 22-jarige Britse collega van Crawford.
Daarna speelde Richard Gere een gastrol in “Rhapsody in August” van Akira Kurosawa. Ondertussen is hij ook meer en meer met zijn boeddhisme bezig. Dat leidde o.a. tot een rel op de oscar-uitreiking waar hij onaangekondigd de Chinese politiek i.v.m. Tibet aankloeg, zodat hij in de toekomst geen oscars meer zal mogen uitreiken (maar eventueel wel krijgen!).
Voor “Final analysis” (Phil Joanou) zit je met Kim Basinger en Richard Gere natuurlijk goed als je een erotische thriller wil maken… En in 1993 volgde “Sommersby”. Het dient gezegd dat Gere ook de producer was van de film en dat het dus zijn idee was om “Le retour de Martin Guerre” van Daniel Vigne uit 1982 te hernemen. Richard Gere zag meer dan tien jaar geleden wel wat in het boek “De vrouw van Martin Guerre”. Toen kwam echter de Franse film met Nathalie Baye in de hoofdrol en Gerard Depardieu als Martin Guerre en Gere borg het project op. In 1993 kwam Jon Amiel er opnieuw mee voor de pinnen, met het oorspronkelijke project, vandaar dat hij niet wil spreken over een “Amerikaanse remake”. Gere (die de Franse film opzettelijk niet wou gaan zien vooraleer hij zijn eigen interpretatie had neergezet) werd uiteraard aangezocht voor de mannelijke hoofdrol.
Datzelfde jaar wordt ook “Intersection” gedraaid door Marc Rydell, waarin Richard Gere als architect een zwaar auto-ongeval krijgt. Terwijl hij tussen leven en dood zweeft, ziet hij zijn hele bestaan voorbijtrekken, inzonderheid zijn aarzelen tussen een nieuwe verhouding (met Lolita Davidovich) en een hernieuwen van zijn gebroken huwelijk (met Sharon Stone). Voor filmliefhebbers is dit duidelijk: dit is een remake van “Les Choses de la Vie” van Claude Sautet uit 1970, waar Pierre (Michel Piccoli) aarzelde tussen zijn vrouw Cathérine (Léa Massari) en zijn minnares Hélène (Romy Schneider).
Richard Gere was dat jaar ook nog te zien in de film “Mr.Jones”, waarin hij net als R.V.H.G. en ikzelf een manisch-depressief iemand speelt en daar door psychiater Lena Olin vanaf wil geraken (ik ook! ik ook!). Hij wordt er uiteraard verliefd op. Mike Figgis (“Internal affairs”) regisseert, maar sommige scènes werden overgedaan door Jon Amiel (“Sommersby”).
Julie Burchill (die overigens – maar wat hier totaal niet terzake doet – een communistische vader had) ging in “The Sunday Times” opnieuw verontwaardigd in de aanval tegen de Hollywood-hypocrisie en alweer even terecht. Ter gelegenheid van “Mr.Jones” stelde zij vast dat krankzinnigheid nu “politically correct” als sexy werd voorgesteld. En met Richard Gere als Mr.Jones was dat zeker waar, al vindt zij dat blijkbaar ook van Tom Hanks in “Forrest Gump”. Maar ze gaat terecht uit de bol als de slogan waarmee de film wordt gelanceerd luidt: “Everything that makes him dangerous makes her love him even more.”
Het verschijnsel was trouwens niet nieuw: denk maar aan Kevin Kline in “Sophie’s choice” of Jack Nicholson in “One flew over the cuckoo’s nest” (en in zekere zin ook in “Wolf”) als voorlopers van Gere en aan Dustin Hoffman (“Rain man”) of Peter Sellers (“Being there”) als prille Tom Hanksen. Maar zijn er ook sexy krankzinnige dametjes? Vergeet het maar: die verliezen dan juist al hun charme en worden in het ergste geval zelfs gevaarlijk (wat krankzinnigen – mannen óf vrouwen – in werkelijkheid ook zijn natuurlijk). En ze somt op: eender welke vrouwenfiguur bij Tennessee Williams (diens homofilie mag ongetwijfeld aan misogynie of beter nog gynofobie, als dat woord al bestaat, worden toegeschreven), Anne Bancroft in “The Pumpkin Eater”, Sally Field in “Sybil”, Gena Rowlands in “A woman under the influence”, Joanne Woodward in “The three faces of Eve”, Kathy Bates in “Misery”, Olivia de Havilland in “The Snake Pit” en in “The Dark Mirror”, ja zelfs Catherine Deneuve in “Repulsion”, al wist ik niet dat dit een Hollywoodfilm was…
De reden waarom een vijs los bij vrouwen negatief wordt geïnterpreteerd is natuurlijk juist dezelfde als bij vrouwen en alcohol: ook geesteszieken houden zich niet in. Op die manier zijn ze gewoon al bedreigend als ze “zich aanstellen”. En dat kan helaas ook in de realiteit zijn: denk aan Frances Farmer.
Na “Intersection” was Richard Gere te zien in “Higgins and Beech”, waarin hij gestalte gaf aan de oorlogscorrespondent Keyes Beech, die samen met zijn partner, fotografe Marguerite Higgins (rol van Michelle Pfeiffer) het oorlogsgevaar trotseert. Maar daarvóór ging hij in Engeland “First Knight” draaien, samen met Sean Connery en Julia Ormond, in een regie van Jerry Zucker. Gere speelt daarin de rol van Lancelot. Hij profiteerde daar van de gelegenheid om in Cambridge het podium te beklimmen tijdens een optreden van Van Morrison om er mee te jammen in “Have I told you lately” en “Gloria”.
Na deze films is Richard Gere te zien in een échte Franse film, namelijk “Consentement mutuel” van Bernard Stora met verder nog Anne Brochet, en in de sequel op “Pretty woman”. Oorspronkelijk was een scenario voorzien, waarin Gere in de politiek gaat, maar het feit dat zijn vrouw een ex-prostituée is, bezorgt hem daarbij last. Het werd echter “Runaway bride”, een romantische komedie uit 1999 van Garry Marshall. Deze keer is Gere een reporter die een meisje op het spoor komt, dat telkens in het zicht van het altaar de benen neemt (Julia Roberts uiteraard). En je mag één keer raden hoe het afloopt…
Voor een andere film, “Julia Pastrana”, is echter nog steeds geen vrouwelijke hoofdrolvertolkster gevonden. Deze film gaat immers over een vrouw uit de 19de eeuw, die over heel haar lichaam met een bontvacht was bedekt. Gere speelt erin een weirdo die bij haar “het lelijkste kind ter wereld” wil verwekken.
“Primal fear” van Gregory Hoblit was bedoeld als een vehikel voor Richard Gere als succesadvocaat, maar zoals Rudy De Coninck schrijft in de Gazet van Antwerpen van 7/6/1996: “Zelden zo’n stelletje incompetentie in één rechtszaal bezig gezien. Op de duur bekruipt je de zin om luidkeels elke ‘onverwachte’ verhaalswending een half uur op voorhand aan te kondigen, of om schaamteloos te gillen bij elke domme hinderlaag. Richard Gere is voor de zoveelste keer zijn ijdele en arrogante zelf. Ondanks de hulp van de Dalai Lama blijft hij het moeilijk hebben om zijn zwalpende carrière op het rechte spoor te houden. In dit geval wordt hij van het doek gespeeld door nieuwkomer Edward Norton.”
Daarna waren Bruce Willis en Richard Gere voor het eerst samen in een film te zien (and after the filming of this movie, Bruce Willis and Richard Gere reportedly vowed to never work with each other again) en dan wel in “The Jackal”, een film van Michael Caton-Jones uit 1997. Zogezegd een remake van het fameuze “The day of the Jackal” van Fred Zinneman, maar eigenlijk blijft er nog weinig van over. Tot vlak voor zijn dood zou Zinneman zich trouwens tegen het gebruik van het woord “Jackal” in de titel blijven verzetten. Het scenario werd immers “aangepast” om generaal De Gaulle eruit te schrijven. Want who the fuck is generaal De Gaulle? Sic transit… Het Ierse accent dat Richard Gere hier wordt aangemeten, werkt overigens op de lachspieren. Richard Gere als een mannelijke Meryl Streep, stel je voor!
Daarna volgde “Unfaithful”, een Amerikaanse thriller uit 2002 van Adrian Lyne. De film is een teken aan de wand voor Richard Gere. Waar hij vroeger altijd de held was, is hij nu zowaar een bedrogen echtgenoot, die op wraak uit is.
Datzelfde jaar is Richard Gere nog te zien als een “gladde” advocaat Billy Flynn in “Chicago”, de bekende musical van Bob Fosse en Fred Ebb, zoals hij in 2002 werd verfilmd door Rob Marshall. Met in de vrouwelijke hoofdrollen Catherine Zeta-Jones als de gevestigde ster Velma Kelly en Renée Zellweger als het opkomend sterretje Roxie Hart.
Twee jaar later is Richard Gere – surprise, surprise – nogmaals te zien als de “gladde” advocaat John Clark in “Shall we dance?”, de romantische komedie van Peter Chelsom. Met in de vrouwelijke hoofdrollen Jennifer Lopez als de danseres Paulina en Susan Sarandon als zijn echtgenote (?).
In 2005 is hij een onuitstaanbare joodse vader in “Bee season” van David Siegel en Scott McGehee. Hij legt zijn kinderen een veel te hoge druk op. Ik heb mij al tientallen keren geërgerd aan films over onhandelbare kinderen, zodat ik nooit had gedacht dat een film over mooi binnen de lijntjes kleurende kinderen evenzeer op de zenuwen kon werken. Zijn zoon (Max Minghella, de zoon van de bekende regisseur) speelt cello en leest de kabbala in het hebreeuws, maar zal juist daardoor in het web van een sekte terecht komen. Maar de hoofdfiguur is zijn dochtertje (Flora Cross) die meedoet aan de nationale “Spelling Bee”. Met haar zet hij zelfs een kabbalistisch experiment op dat uiteraard ook slecht afloopt. Moeder Juliette Binoche tracht de kinderen nog wat rust te geven, maar zij heeft dan weer met haar eigen demonen te kampen.
In “The hoax” van Lasse Hallström speelt Richard Gere de rol van Clifford Irving, de auteur van de fictieve autobiografie van Howard Hughes in de jaren zeventig. Irving tekende zelf voor het scenario van deze film waarin hij af en toe wel een poging doet om zichzelf te vergoelijken, maar waaruit toch vooral blijkt wat voor een onbeschrijflijke klootzak hij is geweest. Irving had ondertussen zijn gevangenisstraf uitgezeten en kon dus opnieuw als schrijver aan het werk gaan. Richard Gere speelt zijn rol met irritant veel zwier, zoals het hoort waarschijnlijk.
In 2009 werkte Gere opnieuw samen met Lasse Hallström, deze keer voor “Hachi, a dog’s tale”, een verhaal dat Gere blijkbaar moet hebben aangesproken, want hij was ook één van de producers van de film, een remake van een Japanse film uit 1925, “Hachiko monogatari” van Kiyoshi Masamoto. Deze film vertelt het ware verhaal van de Japanse hond die negen jaar op zijn overleden baasje bleef wachten. Het merkwaardige is dat die hond is gestorven in 1935. Hoe kan er in 1925 dan al een film over hem zijn gemaakt? Hoe dan ook, Hallström transponeert het verhaal naar hedendaags Amerika op een zodanig efficiënte manier dat ook nu de tranen met beken blijven vloeien…
In 2013 verving Richard Gere Al Pacino in “Arbitrage”, en film van Nicholas Jarecki over het decadente leven van Amerikaanse zakenlui, met als merkwaardige twist dat op het einde alles goed afloopt voor iedereen. Het mag dan nog als kritiek bedoeld zijn (“ze komen ermee weg”), het is toch een beetje vreemd.

Referentie
Ronny De Schepper, Nog altijd de “American Gigolo” bij uitstek, Steps magazine mei 1990

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s