Vijftig jaar geleden: première van “A hard day’s night”

52Vandaag is het precies een halve eeuw geleden dat de eerste film met The Beatles in de hoofdrol, “A hard day’s night”, in Londen in première ging. Geregisseerd door avant-garde regisseur Richard Lester (“The Knack”) betekende de film een revolutie in de geschiedenis van de muzikale film. Natuurlijk bestonden er al filmvehikels voor popvedetten als Elvis Presley of Cliff Richard, maar meer dan een amoureus verhaaltje dat het kader moest scheppen om enkele songs te vertolken waren deze films niet. Lester gooide het roer helemaal om en was een voorloper van de videoclip, die pas een kleine kwarteeuw later ingang zou vinden.

1964 was een zwak jaar in Cannes. De winnaar is “Les parapluies de Cherbourg” van Jacques Demy met Catherine Deneuve (Delphine), Françoise Dorléac (Solange), Danielle Darrieux (Yvonne), Michel Piccoli (Simon Dame), Jacques Perrin (Maxence) en Gene Kelly. Met deze film maakt Jacques Demy een Europese interpretatie van de Amerikaanse musical. De tweelingzussen Delphine en Solange (gespeeld door de zussen Catherine Deneuve en Françoise Dorléac) dromen elk van hun ideale liefde en van een zang‑ en danscarrière in Parijs. Elders dromen twee mannen van hun ideale vrouw. Ze ontmoeten elkaar. De vonk slaat over. En dan duurt het nog een hele film eer het onvermijdelijke gebeurt: de geliefden worden herenigd. De boodschap is overduidelijk: het geluk woont vlak achter de hoek maar we missen het ‑ ongeweten ‑ telkens op een haar.
Voor “My fair lady” (George Cukor, 1964) werd Audrey Hepburn verkozen boven Julie Andrews, die de rol in het theater had gecreëerd. Dit maakte zoveel ophef dat de producers “voor alle zekerheid” nadien de stem van Audrey voor de liedjes vervingen door die van Marni Nixon. Met alle sympathie voor mooie Audrey (zéker tegenover Andrews), maar haar muzikale exploten in “Breakfast at Tiffany’s”, waarin ze “Moon river” kweelde, waren toch niet echt om over naar huis te schrijven. Ondertussen bestaat er trouwens ook een kopie van “My fair lady”, waarin men wél haar stem kan horen. Julie Andrews werd bovendien getroost met “Mary Poppins” (Robert Stevenson, 1964).
In 1965 het jaar dat iedereen tenminste tien keer naar “The sound of music” van Robert Wise ging kijken, keek ik liever naar “Help” van Richard Lester. Tegen de gangbare opinie in vind ik deze tweede film van The Beatles ook beter dan “A hard day’s night” (1964).
Mark Lester is daarna te zien in “Oliver!” van Carol Reed, een Engelse musical naar het boek van Charles Dickens over de weesjongen Oliver Twist. Met verder: Ron Moody, Oliver Reed, Harry Secombe e.a. In 1966 was er “Sweet Charity” van Bob Fosse (naar “Le Notti di Cabiria” van Fellini) met Shirley MacLaine en een jaar later was er “Les demoiselles de Rochefort” van Jacques Demy met in de titelrollen opnieuw de zusjes Catherine Deneuve en de helaas veel te vroeg overleden (auto-ongeval) Françoise Dorléac.
EASY RIDER
The Beatles zelf (vooral Paul McCartney eigenlijk) draaien “The magical mystery tour”, maar veel belangrijker was “Easy Rider” (1969, Dennis Hopper). Deze “road movie” vertelt het verhaal van twee hippie motorrijders (Peter Fonda en Dennis Hopper zelf) op weg naar New Orleans. Ze willen er op tijd zijn voor Mardi Gras. Onderweg wordt het tweetal in motels geweigerd om hun uiterlijk, worden ze meegetroond naar een commune door een autostopper en nemen ze deel aan een te nette stoet in Texas. Gearresteerd ontmoeten ze de dronken burgerrechtenadvocaat George Hanson (gespeeld door Jack Nicholson). De vijandigheid die Billy en Wyatt op hun hele reis begeleidt, kent een climax in New Orleans, waar ze tevens met drugs experimenteren op het graf van Marie Lavaux. Uiteindelijk stelt het tweetal vast dat hun reis hen toch niet gebracht heeft wat ze zochten. “Easy Rider” leek ten tijde van zijn release het toppunt van rebellie. Het is de prototypische jongerenfilm waarin getracht wordt een tegencultuur te recupereren voor de filmindustrie.
“Paint your wagon” uit 1969 was veel grappiger, al was dat dan eerder aan Lee Marvin en het doldwaze scenario toe te schrijven dan aan Clint Eastwood.
“The man of La Mancha” van Arthur Hiller zat een beetje op de wip tussen ernst en luim met Peter O’Toole als Cervantes/Don Quichote, Sophia Loren als Dulcinea/Aldonza en James Coco als Sancho Panza. Met “Something funny happened on the way to the forum” geeft Richard Lester de musical een nieuwe dimensie.
In 1973 was er “Jesus Christ Superstar” met de Amerikaanse acteur en zanger Carl Anderson als Judas. Hij is op 23 febuari 2004 op 58‑jarige leeftijd in een ziekenhuis in Los Angeles aan leukemie overleden. Ondanks zijn ziekte was Anderson tot voor enkele weken druk in de weer met het plannen van een wereldtournee, te beginnen in het Vaticaan, waarin hij scènes uit de rockopera zou opvoeren. Anderson was overigens niet de eerste keus van componist Andrew Lloyd Webber en tekstschrijver Tim Rice: hij nam in 1971 de Judas‑rol over van de zieke Ben Vereen bij de vertoningen op Broadway. Twee jaar later kon hij zijn rol als slechte apostel nog eens overdoen in de succesvolle Hollywoodverfilming door veteraan Norman Jewison. Daarin praat en zingt hij Ted Neeley als Jezus Christus aan het kruis. Zijn acteerprestatie leverde hem nominaties voor de Golden Globes als beste debutant en beste musicalacteur op. Later manifesteerde Anderson zich vooral als musicalacteur op Broadway, al kennen filmfanaten hem tevens van een bijrol in Steven Spielbergs “The Color Purple”. In de jaren tachtig en negentig ontpopte Anderson zich ook als succesvol zanger, onder meer met hits als “How Deep Does It Go” en “Pieces of a Heart”.
Maar veel baanbrekender was “Cabaret” van Bob Fosse met Liza Minelli (Sally Bowles), Michael York (Brian Roberts), Helmut Griem (Max von Heune), Joel Grey (ceremoniemeester), Marisa Berenson (Elsie) en Fritz Wepper (Fritz Wendel). Sally’s biseksuele minnaar Brian is bedoeld op de schrijver Christopher Isherwood, zoals dit reeds in het toneelstuk “I am a Camera” van John Van Druten was verwerkt. De muziek is van Fred Ebb en John Kander en de fotografie van Geoffrey Unsworth. Men zou kunnen stellen dat het eerder een anti-musical is, in die zin dat de film scherpe kritiek levert op het escapistische van dat genre.
In 1974 volgde “Tommy” (Ken Russel) en “That’s entertainment” , een heerlijke compilatie van Jack Haley jr (1934-2001). De zoon van de Tinnen Man uit “The wizard of Oz” was in die tijd getrouwd met de dochter van Dorothy (Liza Minnelli dus), maar het huwelijk hield slechts tot 1979 stand.

Referenties
Rick Altman (ed.), Genre: the musical, British Film Institute/Routledge Kegan Paul, London, 1981
Lukas De Vos, Inleiding bij de tentoonstelling ‘Notenkrakers. De Gloriejaren van de Musical Verbeeld (1950-1959), Antwerpen, IPV, 2 september 2010

2 gedachtes over “Vijftig jaar geleden: première van “A hard day’s night”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s