Vandaag is het precies 520 jaar geleden dat Christoffel Columbus Jamaica heeft ontdekt en het aan de Spaanse kroon heeft gehecht.

Iedereen heeft wel al gemerkt dat de meeste teksten op deze blog reeds enkele jaren oud zijn. Ik tracht meestal wel om ze up to date te houden, maar dat lukt me niet steeds. Zo ook wat de onderstaande tekst over de reggae-muziek betreft. Voor het politieke luik wendde ik me altijd tot radiojournaliste Liesbeth Walckiers (waarvoor ik haar nog steeds zeer dankbaar ben), maar ik vond dat ik haar niet voortdurend kon blijven lastig vallen, dus ergens in de jaren negentig ben ik daarmee gestopt. Als dit artikel dus politiek niet meer correct is, is dit geheel en al mijn eigen verantwoordelijkheid en niet die van Liesbeth, dat wilde ik hier toch nog eens duidelijk stellen vooraleer me plechtig tot mijn toehoorders (lezers) te richten…
Jamaica, geachte leraar, beste medeleerlingen, is een eiland in de Caraïbische Zee, in 1494 ontdekt door de heer Columbus himself en reeds een tiental jaren later volledig in Spaanse handen. De oorspronkelijke Indiaanse Arawakkenbevolking was immers op korte tijd totaal uitgeroeid. In 1655 snoept Engeland het eiland af van Spanje, tevens een aanleiding om de reeds aan gang zijnde invoering van Westafrikaanse slaven nog wat op te drijven.
Hier ligt de oorsprong van het trauma dat de bevolking meer dan 300 jaar later nog steeds niet is kwijtgeraakt: een mensonwaardig bestaan in een land dat het hùnne niet eens is (denk aan het nummer van Third World, “Slavery days”). Voor de terugreis worden de schepen volgestouwd met suiker en rum. Zo kent het eiland een paar eeuwen een weliswaar zwaar te relativeren welvaart: op de rug van de negerslaven vergaren een tiental Engelse families immers massale rijkdommen.
Tijdens de 19de eeuw wordt de slavernij afgeschaft, waardoor het land in een diepe economische crisis wordt gedompeld. Tegelijk stijgt de zwarte invloed tot ze op dit ogenblik zowat 93% op een totaal van 2.500.000 inwoners uitmaken!
MULTINATIONALS
Ondertussen is Jamaica in 1962 onafhankelijk geworden en kan het politieke spel z’n gang gaan. De PNP (People’s National Party) moet het afleggen tegen de JLP (Jamaican Labour Party) en deze kiest resoluut voor het Amerikaanse model. Gevolg: de multinationals dringen Jamaica binnen en maken zich meester van de belangrijkste bestaansmiddelen: bauxiet, bananen, suiker en rum.
De grootste bron van inkomsten wordt dan ook het toerisme dankzij de vetgemeste Amerikanen die op het paradijslijke eiland komen uitblazen. De hoofdstad Kingston begint op die manier een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit te oefenen op de arme bevolking van het platteland, maar ook in de stad zijn de banen schaars. Gevolg: er treedt ghettovorming op.
Rond 1970 heerst er een ware noodtoestand. De inflatie bedraagt 30%, de helft van de bevolking is analfabeet, 30% van de beroepsbevolking is werkloos en nog eens 25% is halfwerkloos. Geen wonder dat “het goedkoopste vermaak ter wereld” welig tiert en dat driekwart van de geboortes bijgevolg buitenechtelijk zijn.
Het tweede goedkoopste vermaak is wellicht muziek maken en dat heeft dan nog het voordeel dat er wat mee te verdienen valt. De typische reggaemuziek wordt dan ook één van de voornaamste “industrieën” van het eiland.
De socialistisch gezinde Michael Manley heeft dit snel door en zet zijn verkiezingsslogan “Better must come” op plaat. Mede dankzij de steun van nationale held Bob Marley wordt Manley nummer één op de Jamaicaanse hitparade en wint hij ook de verkiezingen (of vice versa). Hij voert meteen landbouwhervor­mingen door, nationaliseert de belangrijkste industrietakken (en dus ook het toerisme), voert een minimumloon en de school­plicht in en zoekt toenadering tot het nabijgelegen Cuba.
De bevoorrechte klassen laten dit echter niet zo maar gebeuren. De kapitaalsvlucht is enorm en het komt geregeld tot harde confrontaties. In 1976 worden er zo’n 300 mensen vermoord, waaronder 30 politieagenten. In dergelijke omstandigheden loopt uiteraard ook het toerisme zienderogen terug, ook al omdat de rijke blanken stilaan een doorn in het oog worden van de plaatselijke bevolking (10 CC: “Dreadlock holiday”).
RASTA
De mensen snakken naar vrede en via het a-politieke Rasta-geloof en de daarmee gepaard gaande reggaemuziek ontstaat The Peace Movement. Voor de oorsprong van het Rasta-geloof moeten we teruggaan naar Marcus Garvey. Geboren in Jamaica, heeft deze zijn werkterrein vooral in Harlem (VS). Zijn leuze is “Africa to the Africans” en met het oog daarop tracht hij van rijke zwarten geld te bekomen om de Black Star Liner, een schip dat de vroegere slaven terug naar hun thuisland zou brengen, te financieren. De rijke zwarten hebben evenwel allerminst zin om terug te keren naar de staat van armoede en paradoksaal genoeg ondervindt Garvey alleen medewerking van de Ku Klux Klan die deze “zwarte luizen” graag genoeg terug naar de jungle wil sturen.
In Jamaica zelf echter, waar de zwarten moeilijk nog armer kunnen worden dan ze al zijn, heeft zijn theorie wél bijval. Op de koop toe gaat Garvey zich als een Johannes de Doper voordoen die een Messias aankondigt: de eerst gekroonde koning van Afrika. Als in november 1930 Haile Selassie, wiens naam oorspronkelijk Ras Tafari was (vandaar de naam van het ge­loof), niet zo maar tot koning, maar meer nog tot keizer van Ethiopië wordt gekroond, heeft Garvey zichzelf buitenspel gezet. De aandacht voor hem gaat verslappen en alle heil wordt nu vanuit Ethiopië verwacht (Raymond van het Groenewoud: “Haile Selassie”).
Dat de heer Selassie een dictator was en een schender van zowat alle denkbare mensenrechten is volgens de rastafari’s quantité négligeable. Evenals het feit dat hij in 1975 het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld. Voor hen blijft hij een levende god.
Dat was hij in hun ogen ook al in 1966 toen hij Jamaica bezocht, al waren ze wel ontgoocheld dat hij met het vliegtuig kwam aangevlogen en niet op eigen krachten. Toch ging de massa zo uitzinnig te keer dat Haile zijn vlieg­tuig niet durfde te verlaten.
Verder is het Rasta-geloof niet gestructureerd, zodat er bij het gebrek aan geestelijke leiders verschillende sekten zijn ontstaan, die echter elkaar niet bestrijden en als gemeen­schappelijk kenmerk hebben zich te beroepen op de bijbel, maar die dan wel zo te interpreteren dat alle profeten, apostelen en ook Christus zelf zwart waren. Toch heeft het geloof veel bijgedragen tot de bewustwording van de armen, al was het maar dat ze door hun gezonde levenswijze (als vegetariërs eten ze enkel het fruit dat overvloedig in hun land aanwezig is) een lang leven zouden tegemoet gaan, ware het niet dat velen onder hen (waaronder Bob Marley zelf) kanker krijgen van het gebruik van een ander “natuurlijk” product, namelijk de ganja, de plaatselijk gekweekte marihuana. Niet helemaal ten onrechte worden ze dus door de “betere burgers” beschouwd als “hip­pies”, terwijl zijzelf de westerse manier van leven als Baby­lon bestempelen.
DISC-JOCKEY’S
Aangezien ze als zwarte slaven ook de typisch Afrikaanse vraag-en-antwoord-vorm in hun eigen muziek hadden behouden, viel de soulmuziek die ze uit het zuiden van de V.S. (vooral New Orleans) konden opvangen onmiddellijk in de smaak. Daar­naast was er ook de volksmuziek van het eiland, de Mento, die nog het meest te vergelijken valt met de Calypso van het nabijgelegen Trinidad. Toen in de late jaren vijftig de rhythm’n’blues echter meer en meer overladen vioolarrangemen­ten meekreeg, verslapte de belangstelling en begonnen plaatse­lijke disc-jockey’s zelf platen op te nemen.
Deze d.j.’s of toasters zijn veel belangrijker dan wij ons kunnen voor­stellen. In een land waar ontspanningsmogelijkheden niet voor het grijpen liggen omwille van het ontbreken van een techni­sche infrastructuur (de toeristische centra uitgezonderd natuurlijk, maar daar vindt men alleen maar blanken) vervullen zij een cruciale rol. Zij gaan de boer op met gammele busjes (sound systems) die via luidsprekers hun muziek over het dorpsplein laten galmen.
Wat wél overeenkomt met onze spraak­watervallen is dat zij de gedraaide platen overlappen met kreten, uitroepen, aanmoedigingen, commentaar bij de tekst. In tegenstelling met onze bleekneuzen hebben zij echter een verschrikkelijk gevoel voor ritme en met wat knip- en plakwerk slaagden zij erin met bestaande platen het gekaptstro-effekt van de latere reggae-sound te verkrijgen. Hun eerste zelf gemaakte platen lagen dan ook in die traditie, wat men noemt talk-over.
DUB
De Jamaicaanse platenproducer Lee “The Upsetter” Perry is één van de grondleggers van de reggae-rage, in die zin dat hij in niet beperkte mate heeft bijgedragen tot het bepalen van de specifieke sound ervan. Ook echter van de minder prettige kantjes van de zaak: hij heeft de rol van de producer zozeer opgevijzeld dat hij (en anderen in zijn navolging) er niet voor terugschrikt de opnemende artiesten met een kluitje in het riet te sturen en zelf het gros van de winsten binnen te rijven.
Perry is samen met King Tubby ook de “uitvinder” van de Dub. “Een magisch verhaal,” schrijft Hermann Haring, “dat nog niemand heeft kunnen overdoen. Originele banden van bekende reggaesongs worden in de studio van de zang ontdaan, opnieuw gemixed en tegelijkertijd fantasievol vervreemd met de hulp van speciale echo-effecten, plotse breaks en versterkte bas- en percussielijnen.”
Deze twee heren zijn dan ook aan het werk te horen op “At the grass roots of dub”. En dat gaat als volgt: Winston Edwards laat een groepje van het vijfde knoopsgat (The Natty Locks) er maar wat op los spelen in het typische reggaeritme en dan beginnen Perry en Tubby (elk op een kant van de plaat) met de knoppen te goochelen. Ik ken mensen die dergelijke platen kopen om te bewijzen hoe goed hun stereo-installatie wel is, maar persoonlijk geef ik dan toch liever de voorkeur aan Joe Gibbs. Op zijn “Majestic dub” bereikt hij een paar knappe effecten. Toch kan ik niet zeggen dat dergelijke muziek mij aanspreekt. Het is typisch studio-muziek, in tegenstelling tot rockmuziek, die op de eerste plaats toch nog altijd live-muziek is.
BACKBEAT
“Oh Carolina” van The Folkes Brothers is in 1960 de eerste productie van een andere legendarische producer Prince Buster en wordt als dusdanig ook als eerste reggae-plaat beschouwd, toch op de CD-box “Tougher than though, the story of Jamaican music” van Steve Barrow.
Anderen zullen misschien opteren voor “Time marches on” van Derrick Morgan uit 1961. Van bij het prille begin was er immers een verbeten strijd tussen deze twee producers, die al snel oversloeg op hun fans. In 1963 werden de rellen tussen de twee groepen zo intens dat de Jamaicaanse overheid zich genoodzaakt zag om in te grijpen: beide artiesten werden gedwongen tot een gezamenlijke fotoshoot om een einde te maken aan de ongeregeldheden.
Belangrijk in het Jamaicaanse ritme is de backbeat, waarbij de tweede en de vierde tel van een vierkwartsmaat worden benadrukt. Volgens sommigen kan het ontstaan hiervan als volgt worden verklaard. In hun poging om R&B na te spelen werden ook betere instrumenten ingevoerd, waaronder dus een heus drumstel. Naïef als ze waren dachten de Jamaicanen dat de grootste trom ook de luidste moest zijn, zodat er een ruimte werd geschapen tussen de luide basdrum en het ritme van de snaardrum. Die ruimte moest dan opgevuld worden. In de eerste periode die men SKA noemt, dit is de afkorting van “Shake it and Katch it Again” (begin jaren zestig), gebeurde dit door piano- en blazersaccenten. Een bekend voorbeeld was b.v. “Miss Jamaica” van Jimmy Cliff uit 1962. In die periode vormden zich ook vaak vocale trio’s, bestaande uit een voorzanger en een tweeledig achtergrondkoortje. Een voorbeeld hiervan waren de Skatalites met de legendarische trombonist Don Drummond. In deze pionierstijd was hij de stimulans, bezieler en vernieuwer. Hij was b.v. de eerste muzikant om zijn rasta-geloof, waarvan de aanhangers zich op dat moment nog in de bergen schuil hielden, te koppelen aan zijn muziek. Zoals genieën wel vaker overkomt, is hij echter gek geworden en vroegtijdig overleden. De stijl van The Skatalites werd o.m. nagebootst door The Maytals, The Heptones, Burning Spear en, als meest bekende, The Wailers met Bob Marley als voorzanger en verder Peter Tosh, Junior Braithwaite, Beverly Kelso en Bunny “Wailer” Livingstone. In die opstelling was één van hun eerste hits “Simmer down”. Bob Marley stierf niet zo heel lang daarna aan kanker, Peter Tosch werd doodgeschoten in 1987 en Junior Braithwaite in 1999!
Chris Blackwell (*), de zoon van een Engelsman die zich in Jamaica had gevestigd als eigenaar van een bananenplantage, had al vlug door dat SKA evenzeer een exportproduct kon worden als bananen. Hij vormde zijn eigen label “Island” en liet voor de Westindische gemeenschap in Engeland in 1964 Millie Small een cover van de R&B-hit van Barbie Gaye uit 1957 “My boy Lollipop” opnemen. De mondharmonikasolo zou volgens de meeste bronnen worden gespeeld door Rod Stewart, maar in werkelijkheid is het de leider van de groep The Five Dimensions, waar Rod toen deel van uitmaakte, namelijk Jimmy Powell die deze voor z’n rekening neemt.
In Engeland werd SKA in die tijd bekend onder de benaming bluebeat en onder die titel maakte niemand minder dan Anneke Soetaert dan ook een single, die als eerste blanke SKA-plaat de geschiedenis is ingegaan!
In de rocksteady- en reggae-periode werd de tegentijd meestal aangegeven door een scherpe gitaarriff. Men spreekt van rock­steady vanaf de zomer van 1966. Die was immers zo mogelijk nog heter dan de ‘normale’ Jamaicaanse zomers en daarom schakelde men op een iets trager dansritme over. De song die als naamge­ver optrad, was er een van Alton Ellis. Het werd de muziek van de zogenaamde rude boys, agressieve jonge streetpunks uit de sloppenwijken, zoals in het nummer “Shantytown” van Desmond Dekker (1941-2006) uit 1967.
Seks was natuurlijk de goedkoopste vlucht uit de ellendige realiteit en zo haalde “Wet dream” van Max Romeo een jaar later zelfs (ondanks of dankzij de banbliksems van de BBC) de Engelse top 20. In datzelfde jaar haalden ook nog “Hold me tight” van Johnnie Nash en “The Israelites” van Desmond Dekker internationaal sukses.
In 1969 was dit het geval voor “Wonderful world, beautiful people” van Jimmy Cliff. In dat jaar wijzigde het ritme zich alweer lichtjes en nu ging men echt van reggae spreken, ook al schrijft men het anders in de officiële versie van de plaat die de naam gaf: “Do the reggay” van Toots & the Maytals (**). Het is een productie van Leslie Kong, een Chinese platenhandelaar die in 1961 ook al Bob Marley had ontdekt. Niemand weet waar de term eigenlijk vandaan komt, al zijn er vermoedens dat het terugslaat op de Regga, een stam uit Tanganyika die heel lang weerstand heeft geboden aan de blanke invloed.
Uiteraard zijn er ook blanken die op het wagentje springen: “Johnny Reggae” van The Piglets en zelfs The Beatles met “Obladi Oblada”.
SKINHEADS
In 1971 ontstond er in Engeland zelfs een regelrechte ska-rage met nummers als “Let your yeah be yeah” van The Pioneers. Deze simpele vorm van reggae sloeg vooral aan bij werkmanskinderen met kale knikkers en een ferme dosis agressiviteit, de zoge­naamde skinheads.
In Jamaica zelf bleef reggae meer links getint: zowel I Roy (“Black man time”) als Tapper Zukie (“Liberation struggle”) stelden hun platen in het teken van de sociale strijd en in de periode voor de verkiezingen van 1972 werden ze zelfs verboden op de radio. Toch is politiek in het popwereldje altijd een dubbeltje op z’n kant. De teksten van Steel Pulse b.v. zijn weliswaar links, maar hun onverantwoord gedrag, dat steeds op relletjes aanstuurt (o.a. op Torhout-Werchter), heeft juist het tegenovergestelde effekt.
In Engeland daarentegen was het een commercieel product gewor­den, wat o.a. betekent dat er weer viooltjes werden aan toege­voegd en dat “evergreens” een reggae-behandeling kregen (Grey­hound, Bob & Marcia, Black Slate, Althia & Donna, Judge Dread, Nicky Thomas, John Holt en de hele elpee die ikzelf in mijn platenkas heb staan met mensen als Byron Lee, Owen Gray en Mighty Sparrow). Betere producten waren Dillinger met “Cockane in my brain” en Johnny Nash met “Stir it up” van Bob Marley. Dit was in 1972, maar toch zou het nog tot 1975 duren vooral­eer de meester zelf wereldberoemd zou worden en dan ook nog dankzij een blanke cover, namelijk “I shot the sheriff” van Eric Clapton. Naast Marley zijn andere “authentieken”: Linton Kwesi Johnson, Third World, Ras Michael and the Sons of Negus, Inner Circle, Burning Spear, Merger, Matumbi, Culture en natuurlijk Toots and the Maytals.
In oktober 1980 lijdt Manley een zware verkiezingsnederlaag (slechts 9 van de 60 zetels) nadat de CIA een grote destabili­satie van het land had georganiseerd (dit werd door de Ameri­kaanse pers zelf uitgebracht). Meer dan 700 mensen werden vermoord en de publieke opinie werd zodanig bewerkt dat Manley als symbool voor die onveiligheid werd gezien. Bovendien werd het eiland ook nog geteisterd door de orkaan Ellen die voor miljarden schade aanrichtte. En op de koop toe stierf Bob Marley in 1981 aan kanker. Zo kwam er een einde aan “de derde weg” die Manley had voorgestaan.
Zijn opvolger werd Edward Seaga van de JLP, een travaillisti­sche partij, die zijn overwinning meteen ook een overwinning op “het communisme” noemde. De Cubaanse ambassadeur werd het land uitgezet, terwijl Seaga zelf op het Witte Huis wordt ontvangen door Ronald Reagan. Hij begon dan ook onmiddellijk een neoliberale koers te varen. Hij aanvaardde wél de anti-sociale maatregelen die het IMF (Internationaal Monetair Fonds) had opgelegd: de lonen werden bevroren en de staat zou geen nieuwe banen kreëren. Het IMF kende hem onder die voor­waarden een monsterkrediet toe en de multinationals kwamen opnieuw het land binnen.
Toch kon dit het economische tij niet keren en na verkiezingen in 1989 kwam Manley opnieuw aan de macht. Deze keer wél met de goedkeuring van het IMF en het is dan ook een gans andere Manley die we te zien krijgen. In feite voert hij enkel wat sociale korrekties door op het neoliberale beleid van zijn voorganger dat eigenlijk wordt verdergezet, wat tot verdeeld­heid leidt binnen de PNP. Als zowel in ’91 als ’92 de inflatie om en bij de tachtig procent blijft bedragen, stapt Manley “om gezondheidsredenen” op en wordt vervangen door Percival John Patterson, die een nieuw akkoord afsluit met het IMF en een privatiseringsprogramma doorvoert.
De reggae werd ook verder gecommercialiseerd tot zogenaamde “dancehall”, vol met technologische snufjes, zij het dat de “ouderen” toch nog deze vertakking liefdevol koesteren omdat de teksten nu belangrijker geworden zijn en er opnieuw volop gebruik wordt gemaakt van echo, iets wat doet terugdenken aan de oertijden van de dub. Voorbeelden? Shabba Ranks en Chaka Demus & Pliers.
Ook Mick Jagger nam met Peter Tosh “Don’t look back” op en natuurlijk waren er ook nog 10CC (“Dreadlock holiday”) en Sting. En Paul Simon trok voor de opname van zijn “Mother and Child Reunion” naar Kingston. Ter gelegenheid van zijn musical “Songs from the Capeman” (1997) werd er trouwens op gewezen dat hij destijds met Garfunkel nog gedebuteerd was als The Peptones, een duidelijke verwijzing naar de Jamaicaanse reggaegroep The Cleftones.
DE GRILLEN VAN EEN REGGAE-PROFEET
Alhoewel reggae nog altijd erg populair is (zoals we tijdens de recente Gentse Feesten nog konden ervaren) en in het kader van de opbloei van de wereldmuziek nog altijd een graantje meepikt, leek in de jaren negentig de evolutie wat tot stilstand te komen. Net zoals bij rock zal dat wel te maken gehad hebben met de opkomst van house en techno, die als dansmuziek alle andere genres hebben verdrongen. Maar in 1999 kwam dan toch Sizzla op de voorgrond als nieuwe naam om te onthouden. Gegeerd door alle platenfirma’s, radicaal en vernieuwend, predikt hij de zwarte emancipatie. “Indien Peter Tosh en Mutabaruka profeten waren, moet hij de nieuwe Messias zijn,” vindt Stijn Lauwers in De Standaard van 28/6/1999.
Sinds enkele jaren wordt de reggaemarkt gedomineerd door enkele rasta’s die opnieuw denken, spreken en zelfs zich kleden volgens de traditie van de Boboshanti. Sizzla, Capleton, Anthony B en Jah Cure voeren die nieuwe militante generatie aan. Ze dragen onbevlekt witte gewaden en hoofddoeken en verkondigen de leer van Prins Emmanuel en Marcus Garvey. Hun boodschap is onverbloemd racistisch tegenover de blanke onderdrukker. Te veel cultureel erfgoed van de zwarte ging al verloren. Volgens Sizzla is de tijd van gerechtigheid en vergelding aangebroken,” aldus Lauwers. “Babylon heeft zwarten systematisch onderdrukt en hen gedwongen om beschaamd te zijn om hun eigen cultuur. De zwarte is bijgevolg gedoemd om alleen in het zwarte continent nog enig heil te zoeken. Met een drievuldigheid, gevormd door Haile Selassie, Marcus Garvey en Emmanuel, als gids.”
De boodschap waarmee de jonge reggaegod Sizzla zijn volk opnieuw wakker schudt is kort, maar krachtig: “Reggae heeft te lang, smalend, een gemakzuchtig imago toebedeeld gekregen. De zinloze dancehall heeft vele niet‑Jamaicanen lang geleden doen afhaken. Rappers als Cutty Ranks en Shabba Ranks streefden enkel vedettenstatus naar Amerikaanse maatstaven na. Het vruchtbare patrimonium van Bob Marley dreigt braakgrond te worden en vertoont steeds meer gelijkenissen met het verderfelijke Babylon waarin wij leven.”
Sizzla is de jonge twintiger Miguel Collins. Afkomstig uit de randstad van Kingston, het landelijke August Town, en voorbestemd om zijn vader op te volgen als garagist. Maar op school ontdekten leraars al snel zijn speciale gave. Ze stuurden hem door naar talentspotters Dean Frazer en producer Philip Fattis Burrell van de Xterminator‑platenstal.
Sindsdien is het allemaal snel gegaan. Tegen een razendsnel tempo toverde Sizzla Kalonji ontelbare krachtige songs uit zijn strottenhoofd. Sizzla is niet enkel een dj. Hij rapt, zingt, bidt, orakelt, predikt en worstelt zich doorheen een berg al dan niet vertrouwde dancehall‑riddims uit de archieven van Studio One.
Toch is de muziek bij Sizzla slechts ondergeschikt. “Het is tijd dat de jeugd opnieuw kennismaakt met rastafari. Rastafari is niet zomaar een bijna uitgestorven levenstraditie. De blanke wereld heeft het ons inderdaad willen afnemen. Maar het geloof zal altijd overleven. Rastafari was aan facelift toe. En de boodschap is krachtiger dan ooit voordien.”
Opnieuw heeft reggae een artiest die zich volledig in dienst van zijn muziek wil stellen. Sizzla en co kiezen opnieuw voor traditionele waarden, verafschuwen een moderne ‑ lees: scheef gegroeide ‑ maatschappij, en binden de strijd aan tegen uitbuiting, onrecht en onderdrukking. Journalisten zijn niet welkom. Toch prijkt de ongrijpbare Sizzla bovenaan op het verlanglijstje van elke producer en platenlabel. Zelden was de interesse voor een artiest zo groot.
De toewijding waarmee Sizzla zich voor reggae en rastafari blijft inzetten is immers uniek. Kenners beamen dat Sizzla nu reeds acteert op eenzame hoogte waar ook Bob Marley, James Brown of Fela Kuti vertoeven. En het is geleden sinds Peter Tosh dat iemand zo koppig bleef weigeren om te buigen voor politiek en de lokroep van Westerse weelde.
Zijn productiviteit kent geen grenzen. De veelzijdige rasta leverde op amper twee jaar tijd maar liefst vier tijdloze langspelers af. Praiseye Jah en Kalonji op het Xterminator‑label, een verzameling singles verscheen op het Britse Jet Star en via Greensleeves kregen we “Black Woman and Child”, het resultaat van een geslaagde samenwerking met legendarisch producer Bobby Digital. Een verrassend veelzijdige plaat als bewijs van Sizzla’s talent. En een eerbetoon aan de zwarte moeder “who first gave birth to mankind”.
Op de al even geïnspireerde opvolger Royal Son of Ethiopia, maakt Sizzla zich op voor de ultieme reis naar Afrika, het vruchtbare rijk van Keizer Haile Selassie van Ethiopië. “Als we nog vooruit willen, moeten we de oorlog verklaren aan negativisme. Mensen vertellen me dat ze zich aangesproken voelen door mijn songs. Omdat ik de pijn van hen overneem en het in een muzikale vorm giet, verlicht ik hun leed. Dat geeft hen opnieuw hoop.
Sizzla ziet zichzelf uitsluitend als een instrument voor zijn volk. Muziek is een opoffering. “Maar hij hoedt zich tevens voor de aantrekkingskracht die met zijn succes gepaard gaat en laat zich verstandig omringen door mensen die het grote geld keurig in Jamaicaanse handen houden,” aldus Stijn Lauwers.

Ronny De Schepper
(met dank aan Liesbeth Walckiers)

(*) Blackwell is (sinds 1977) ook de eigenaar van Goldeneye, het domein in het noordoosten van Jamaica dat Ian Fleming na de Tweede Wereldoorlog voor zich liet opknappen. Hij ging er vanaf 1946 elk jaar overwinteren en schreef er alle dertien James Bond-verhalen. Grappig is wel dat Blackwell ooit als locatiescout voor de eerste Bond-film werkte. Hij is het dus die het strandje ontdekte waar Ursula Andress in haar witte bikini uit het water komt.
(**) Volgens Leo Blokhuis in zijn “Plaatjesboek” (p.135) komt deze eer toe aan Byron Lee met zijn “Reggay eyes” uit datzelfde jaar.

Referentie
Herman Portocarero, Jamaïca, de smeltkroes van het Caraïbisch gebied, Snoecks 87
Ronny De Schepper, Jamaïca, sex, ganja en reggae, Nitro maart 1994Ma

Een gedachte over “520 jaar geleden: Columbus ontdekt Jamaica

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s