Vandaag is het 85 jaar geleden dat Hugo Claus werd geboren.

Hugo Claus is de zoon van Jozef Claus en Germaine Virginie Vanderlinden, die beiden uit een kroostrijk gezin stammen. Zijn ouders woonden in Kortrijk, maar omdat een van pa’s nichten, zuster Alphonse (*), in Brugge tewerkgesteld was in het Sint‑Jans‑hospitaal, gebeurde de bevalling daar op 5 april 1929 om 21.00 uur. Hugo Maurice Julien Claus werd dus geboren in het Teken van de Ram.
Tegen zijn zin weliswaar, want hij wilde er bij wijze van spreken niet uit. Er kwam, zoals het iemand met zijn Romeins profiel past, een keizersnede aan te pas! Dat is niet alleen symbolisch voor een moederbinding, het zou hem ook nog van pas komen, later als de Vijftigers hem kennis willen laten maken met drugs. Daaraan deed Claus immers niet mee. Simon Vinkenoog trachtte hem nog te overhalen door te zeggen: “Je krijgt de sensatie van geboren te worden.” “Maar dat wil ik helemaal niet!” antwoordde Claus. (Een echo van dit grappige incident vinden we in “De Geruchten” p.180.)
Naar verluidt zou de geneesheer, Dr.Verstraete, zijn studenten hebben gevraagd de toepassing van de keizersnede bij te wonen, maar vader Claus zou de aandacht hebben afgeleid door luid toeterend met zijn Chenal‑Walker, een sportwagen, de binnenplaats op te rijden. (Symbolisch een vader die reeds de aandacht op zichzelf wil vestigen of meer nog: van zijn zoon afleiden.)
De kleine Hugo groeit eenzaam op, want reeds van 29 september 1933 zou hij naar het Pensionnat Saint‑Joseph van de Zusters van Liefde in Aalbeke, nabij Moeskroen, worden gebracht, waar hij zou verblijven tot augustus 1939.
Aangezien het pensionaat vlakbij de Franse grens was gevestigd, spraken de kinderen afwisselend een dag Frans en een dag Nederlands (of eerder Vlaams). In een brief aan de eerste biograaf van Claus, Johan De Roey, schrijft de 75‑jarige zuster Gabrielle‑Marie: “Hij was uitstekend in taalkunde en opstellen. Hij verstond en sprak goed de Franse taal. Hij had een zeer getrouw geheugen en kon zijn handboek van geschiedenis in het zesde leerjaar bijna letterlijk opzeggen. Hij kende en begreep zeer goed de formules over de oppervlakte en het volume van de meetkundige lichamen en kon ze ook goed vervormen en toepassen. Er zat ook reeds een tekenaar in hem. (Hij was populair en) op een St.Jozefsfeest hebben ze hem als hun burgemeester gehuldigd en rondgevoerd.”
In werkelijkheid kwam Hugo in de finale uit tegen de zoon van de burgemeester van Aalbeke. Hij werd echter toch verkozen, kreeg een lauwerkrans om en werd in een geitekar rondgereden.
Op vierjarige leeftijd zou hij, met bijzondere toestemming van Mgr.Lamiroy, bisschop van Brugge, reeds zijn Eerste Communie doen (de normale leeftijd hiervoor is zeven jaar). Hugo Claus meent dat hij omwille van de komst van Guido in het eerste pensionaat belandde en dat hij daarna in Aalbeke op kostschool werd geplaatst omwille van de positie van zijn grootvader, die inspecteur was van de katholieke scholen. “Altijd gebeurde iets met mij om redenen van practische aard.”
Bij het begin van het schooljaar 1939 mag hij naar het Sint‑Amandscollege in Kortrijk (zevende studiejaar). Een jaar later beseft hij naar eigen zeggen reeds dat hij niet in God gelooft.
Vanaf september 1941 verhuist hij naar het Koninklijk Atheneum van Kortrijk. Wegens problemen, gekoppeld aan zijn opkomende puberteit zakt hij voor wiskunde en natuurkunde. Hij valt ook herhaaldelijk flauw. Zijn leraar Nederlands Jan Guillemin vertelt in Het Nieuwsblad van 21/3/2008 dat, als hij met de opstellen van zijn leerlingen thuiskwam, zijn vrouw steevast naar dat van Hugo Claus vroeg. “Hugo was soms een ambetanterik. Hij lette niet goed op in de klas. Had meer aandacht voor de meisjes dan voor mijn uitleg. Van studeren kwam niet veel in huis. Maar hij was wel intelligent. Hugo was een knappe gast. Hij was groot, had blonde haren en stak altijd een vulpen in zijn mond.”
In 1944 herbegint hij de vierde (= derde klas gymnasium) in het Sint-Hendrikscollege van Deinze, waarna hij bij wijze van spreken sneller van school verwisselt dan van onderbroek. Eerst is er het Koninklijk Atheneum van Gent, daarna het Provinciaal Taal‑ en Handelsinstituut, eveneens in Gent, net als een kortstondig verblijf aan de toneelschool (“in een krampachtige poging om bemind te worden”) om uiteindelijk te eindigen aan de Koninklijke Academie eveneens van Gent.
“Toen ik vijftien was, ben ik thuis weggelopen, in het gezelschap van een oudere dame. Ze was om en bij de 28. Ze was ook mooi, die dame, en veeleisend in de liefde: ik had mijn handen vol. Ze was een vriendin van mijn moeder, ze was weduwe geworden, haar man was in Duitsland omgekomen en ze stortte zich op mij. Ik had toen een huis in Sint-Martens-Leerne, en dat betaalde ze, en ze nam me mee naar feestjes, dure restaurants, leerde me wijn drinken. En ze leerde me ook de wellust, zoals ze moet worden bedreven.” (Humo)
In 1946 gaat Claus inderdaad in St.Martens‑Leerne wonen, waar hij samen met een schilder, een zekere De Clerck een hoevetje huurt om er te schilderen en te schrijven. Tevens woont hij in die periode bij zijn grootmoeder in Astene, bij Deinze. Hij werkt als gevelschilder in Gent en vervaardigt ook landschapjes in reeksen voor een meubelmaker, die deze doeken als premie aanbiedt bij salonstellen. Hij schrijft zijn eerste gedichten en verhalen (“Het huis in de struiken”), maar toch is zijn eerste echte publicatie de omslag voor… een bundel gedichten “voor school en haard” van een eerwaarde zuster, uitgegeven bij Aurora, de drukkerij van vader Claus.
In 1947 verschijnt dan voor het eerst een dichtbundel van Claus zelf (“Kleine reeks gedichten”), op zo’n kleine oplage dat lange tijd het gerucht de ronde heeft gedaan dat het hier eigenlijk om een “hoax” ging. Maar hij bestaat dus wel degelijk. De uitgeverij ken ik niet, maar aan de kaft te oordelen, is het vermoedelijk opnieuw een uitgave van vader Claus. Eén van die gedichten is ‘Grauwvuur’, dat in 2008 werd verkocht voor 2.400 euro. In 2014 maakte Claus-kenner Georges Wildemeersch in “De Poëziekrant” bekend dat dit helemaal geen gedicht van zijn hand is, maar een vertaling van een gedicht van de dichteres Elisabeth Emundts-Draeger. Haar gedicht verscheen in maart 1942 in het nationaalsocialistische tijdschrift ‘DeVlag’. De moeder van Hugo Claus was in de oorlogstijd lid was van deze nationaal-socialistische vereniging. Het lidmaatschap van DeVlag kostte Claus’ moeder na de oorlog haar burgerrechten. De Duitse versie van ‘Grauwvuur’ verscheen in het maartnummer van het blad ‘DeVlag’. Het is aannemelijk, aldus Wildemeersch, dat Claus het gedicht aantrof, toen het blad thuis rondslingerde.
Claus was, zoals men weet, als dertienjarige zelf ook in de ban van het nazisme en was zelfs enkele maanden lid van het Nationaal-Socialistisch Jeugdverbond (NSJV). Ik breng even de anekdote in herinnering die Claus me in dit verband over Johan Daisne vertelde. Net als ikzelf kan Hugo Claus immers niet met de wagen rijden, zodat hij na een vergadering van het literaire tijdschrift De Gids in Brussel door Daisne naar Gent wordt gevoerd. Onderweg haalt Daisne een dolk uit het dashboardkastje. “Ken je dit?” vraagt hij mysterieus. “Jazeker,” antwoordt Claus, “dat is een dolk van de Hitlerjugend, ik had er ook zo één.”
“Jaja,”
repliceert Daisne, “maar weet je ook welk verhaal eraan verbonden is?” Hierop moet Claus het antwoord schuldig blijven, waarop Daisne hartstochtelijk begint te wenen: “Je leest mijn bijdragen niet! Ik heb daar in de vorige aflevering van De Gids een kortverhaal over geschreven.”
Claus is “not impressed”. Door de tranen van Daisne slingert de wagen over de autostrade, zodat hij droog opmerkt: “Ge zoudt beter zien waar we rijden!”
De collaboratie (van zijn familie) is uiteraard ook een van de thema’s in Claus’ roman “Het verdriet van België”.
In oktober 1947 gaat de 18‑jarige Claus naar Noord‑Frankrijk om er te werken in een suikerbietverwerkende fabriek. De weerspiegeling hiervan vinden we in zijn novelle “Suiker”, later omgewerkt tot het gelijknamige toneelstuk. Toen hij daar werkte, is er overigens een ongeluk gebeurd dat zo’n rotzooi met zich meebracht dat hij besloot nooit meer een baan aan te nemen. “Toen heeft hij zich voorgenomen nooit meer te werken, al moest hij er gigolo voor worden. Claus is dus nog altijd een broodschrijver. Iets anders dan schrijven zint hem immers niet, dus wil hij het ook niet doen.” (Georges Wildemeersch in de Standaard der Letteren van 6/5/1999)
Met de kerst van 1947 vertoeft hij in Parijs waar hij grote sier maakt met de centen verdiend in de bietenteelt. Hij bezoekt de Bar Vertin in de rue Jacob, een artiestencafé druk bezocht door o.m. de vrienden van Raymond Queneau en Jacques Prévert. Daar ziet hij nog in levende lijve Antonin Artaud die 4 maart van het volgende jaar zal overlijden. Artaud komt voor in de bundel die kort daarop verschijnt (1948), namelijk “Registreren”, uitgegeven door Carillon in Oostende, bij vader Claus.
Uit 1949 dateert het leuke verhaal over hoe Claus aan z’n legerdienst ontsnapte. Hij was namelijk gekazerneerd in Brussel en vond dat er ook een Vlaamse tegenhanger moest komen voor het Waalse soldatenblaadje dat reeds bestond. Omwille van dit lumineuze idee werd hij meteen tot hoofdredacteur benoemd van “Soldatenpost”, waardoor hij bijna steeds “op missie” was. Om zijn afwezigheid dan toch te verklaren, schreef hij fictieve besprekingen van tentoonstellingen en jazzconcerten, vaak zelfs met fictieve kunstenaars of musici. Zo is hij op een bepaald moment tegen de lamp gelopen bij Herman Liebaers, de latere hofmaarschalk. Deze bijdragen zijn overigens in 1989 verschenen in “Het teken van de ram”, het eerste jaarboek voor de Claus-studie o.l.v. Georges Wildemeersch.
De enige kunstvorm waaraan hij op dat moment reeds echt aandacht schonk was de film. Claus twijfelt er trouwens niet aan dat indien hij geboren was in een land met een echte filmcultuur hij in de film zou gegaan zijn i.p.v. in de literatuur.
Hugo Claus beschouwt zichzelf bovendien in de eerste plaats als een schilder (“Veel schrijvers waren tekenaars of schilders: Goethe, Victor Hugo, Faulkner. Mijn ideaal is de Chinese dichter die ook schilderde. Dat was heel normaal.”) Toch smeedt hij literaire plannen. Hij maakt kennis met Jan Walravens die hem betrekt in de plannen voor een tijdschrift, Janus, dat niet verschijnt. Wèl opgericht wordt Tijd en Mens met Louis Paul Boon, Remy C. Van de Kerckhove en opnieuw Jan Walravens, die als leider van de cultuurrubriek van Het Laatste Nieuws de nieuwe ideeën uitdraagt bij het grote publiek. (Kun je je dit nù nog voorstellen?)

Ronny De Schepper

(*) Deze tante mag dus vanzelfsprekend niet worden verward die andere tante die hem later in de geneugten des vlezes zal inwijden.

5 gedachtes over “Hugo Claus: “Maar ik wil helemaal niet geboren worden!”

  1. Oswald Spruyt, Guy Jespers en Georges Vandendries zaten 8 jaar in dezelfde klas in Gent. Institut de Gand directeur Beterhams heb ik goed gekend en gevolgd nadien. Ik ben nu in Spanje sinds 1986… Getrouwd in Spanje in 1965 maar terug naar België en altijd de triestige omstandigheden van die twee schoolvrienden gevolgd en ook Willy de Clercq maar hij was en is 7 jaar ouder. Hij was ook mijn gebuur in de Vaderlandstraat 45 te Gent (de vader van Willy heeft ons nog naar school gevoerd met zijn Oldmobile) wil U meer nieuws, kan ik misschien antwoorden. Hoogachtend Georges Vandendries

    Like

      1. hugo claus ken ik niet maar de vader van guy jespers wel: tamelijk dik en gezond, zal ik niet vergeten. guy altijd de eerste van de klas, een woensdag namiddag was ik uitgenodigd in afsnee of de pinte ? bij de dikke en gezonde vader van guy, ik weet nog de namen van de leraars: roos, de france, moncomble en de rest ben ik vergeten

        Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.