Vandaag wordt Hennie Kuiper 65 jaar. Aangezien hij de boezemvriend was van Temsenaar José De Cauwer heb ik hem destijds ook als “idool” geadopteerd. Het woord “idool” is overdreven, ik was toen al journalist en dan word je geacht geen “idolen” meer te hebben. Mijn houding tegenover Hennie Kuiper verschilt dan ook hemel en aarde van mijn enige echte wieleridool uit mijn jeugd, namelijk Rik Van Looy. Toch heb ik Hennie altijd graag gehad. Ik heb hem nooit geïnterviewd, maar uiteraard heb ik het in de talrijke interviews die ik van José heb afgenomen wel vaak over hem gehad. Hieronder vindt men het eerste voorbeeld. Ik heb ook geen eigen foto van Hennie (wel een dia, maar die is nog niet ingescand) en “beroemd” is de anekdote dat ik bij de start van de Omloop Het Volk in 1976 hem wel mijn zoon Roddy laat vasthouden om een foto te maken van… José De Cauwer. En dat terwijl Hennie op dat moment wereldkampioen was! Nog een bijzonderheid is dat mijn tweede vrouw Hennie kent uit de tijd van haar eerste huwelijk, maar ik ga hier niet verklappen hoe dat precies in elkaar zit…

Dit is dus mijn eerste interview met José De Cauwer, naar aanleiding van de start van de Ronde van Frankrijk 1977. Ik was toen nog losse medewerker bij De Rode Vaan en had dus geen controle op de wijze hoe het uiteindelijk in het blad is verschenen. Zo vraag ik me af of de titel wel van mij is. Ik heb José namelijk altijd als de knecht van één meester beschouwd, met name Hennie Kuiper uiteraard. Ik herinner me zelfs nog dat ik, toen ik enige tijd later op De Rode Vaan ging werken, expliciet tegenover Lode De Pooter (de rubriekleider sport op DRV) een vergelijking heb gemaakt, waarmee ik me juist tegen José afzette, maar me eerder vergeleek met iemand als Aad van den Hoek, die niet in dienst van één renner maar van de hele ploeg reed. Dat was met name naar aanleiding van een politieke kwestie. Want al heel vroeg werd ik op de redactie geconfronteerd met het feit dat Jef Turf, de politieke directeur van De Rode Vaan, heel wat tegenstanders telde op het hoofdkwartier van de partij. De redactie van De Rode Vaan werd uiteraard verondersteld als één man achter Jef te staan, maar Lode deed dat niét. Als Brusselaar (en ook nog wel om andere redenen) was hij vooral een supporter van Louis Van Geyt. Ikzelf doorzag als groentje op dat moment uiteraard nog niet hoe de vork werkelijk aan de steel zat en ik had vooraf (via televisie o.a.) een positief beeld, zowel van Jef als van Louis. Vandaar dat ik die vergelijking maakte met Aad van den Hoek. Ik “reed” niet zoals José De Cauwer voor één kopman, maar voor de hele ploeg. Zo’n tien jaar later, toen het conflict echt uitbarstte, zijn zowel Lode als ikzelf zeer ontgoocheld geweest door de houding van Louis Van Geyt in die periode.
De inleiding ontbreekt ook dus ik val maar meteen met de deur in huis:
– Dat is nu de derde keer dat je start in de Ronde van Frankrijk. Je hebt je telkens heel behoorlijk van je taak gekweten en bovendien heb je steeds de Ronde uitgereden. Ik vermoed dat daar een lange periode aan voorafging om zich “in te werken” in de wielersport, om dit resultaat te kunnen bereiken als men geen uitzonderlijk renner is.
J.D.C.:
Inderdaad. Het is steeds mijn betrachting geweest om grote Rondes te rijden. Ik begreep al gauw dat ik niet voor kopman in de wieg was gelegd en daarom heb ik er mijn loopbaan steeds op afgestemd om een goed betaalde job te krijgen bij een of andere ploeg.
– Als liefhebber behoorde je echter blijkbaar wel tot de top, want je werd in 1972 geselecteerd voor de Vredeskoers.
J.D.C.:
Dat was niet de absolute top. Het was in het jaar van de Olympische Spelen en de kern die daarvoor aangeduid was, mocht niet deelnemen, wellicht omdat de Vredeskoers als te lastig werd beschouwd.
– Heb je daar iets geleerd dat je nu van pas komt?
J.D.C.:
Ik heb daar leren afzien, want voor mij is het er niet van een leien dakje gelopen. Eeerst ben ik zwaar ten val gekomen en later werd ik erg ziek (een “negenoog”). Gedurende drie dagen reed ik van de aankomst naar het hospitaal en van het hospital naar de start. Toen het dan op de koop toe begon te regenen, vond de koersdokter dat het niet meer verantwoord was voor infecties en zo en die verplichtte mij op te geven. Anders was ik nóg verder gereden.
– Zou je de Vredeskoers met een rittenwedstrijd voor profs kunnen vergelijken?
J.D.C.:
Ze zal wel lastiger zijn dan vlakke ronden als die van België en Nederland, maar ze is toch veel lichter dan de Dauphiné Libéré of Parijs-Nice. Dat zie je ook wanneer de Polen, die ginds alles winnen, naar hier komen rijden. Ze komen er hier niet aan te pas. Ik heb zelf tweemaal met die jongens Parijs-Nice gereden: Szurkowski, die vier keer de Vredeskoers heeft gewonnen, bracht het niet verder dan eens een tweede plaats en dan nog in een massasprint. Vóór twee jaar waren de IJsboerkes uitgenodigd om de Ronde van Polen te rijden. Ze trokken daar naartoe met een ploeg neoprofs en toch reden ze de lokale renners van het kastje naar de muur.
– Heb je tijdens je eerste profjaar reeds een grote Ronde gereden?
J.D.C.:
Op het einde van het seizoen de Ster der Beloften, maar toen was ik al bij de ploeg van Lucien Van Impe. Ik ben dat jaar gestart in een lokale ploeg van Ritten De Wolf en heb toen zelfs een kermiskoers gewonnen in de sprint vóór Roger De Vlaeminck en Staf Van Roosbroeck. Maar die kermiswedstrijden waren bijzaak voor mij. Ik wilde me laten opmerken in een klassieker. Dat is dan gelukt in Parijs-Brussel, waar ik in de laatste kilometers nog alleen in de aanval trok. Diezelfde avond stelde De Wolf me voor aan Jean Stablinski en zo werd ik in de ploeg Van Impe opgenomen.
– Werd je dan al in die knechtenrol gedrongen?
J.D.C.:
Half en half. Ik was toen tamelijk snel en kreeg dus ook enige vrijheid. Knecht spelen kan je trouwens niet onmiddellijk, men moet het léren. Bij de liefhebbers ben je immers gewend zelfstandig te fietsen en dat is helemaal iets anders. Het is ook een soort geestesgesteldheid. Men moet zich kunnen realiseren dat dit voor je specifieke geval de enige manier is om verder te blijven rijden. Ik heb dat jaar alle kleine ronden meegedaan, zoals Parijs-Nice, Tour de l’Aude, Midi Libre, Indre et Loire… Dat was eigenlijk een goede overgang naar het zware rondewerk.
– Het jaar daarop zat je bij de ploeg van Hennie Kuiper en als eerste grote ronde heb je dan de Vuelta gereden, nogal onopgemerkt. Het vorige seizoen echter heb je daarin een etappe gewonnen, drie dagen de gele trui gedragen en zeven dagen de groene. Toch ben je niet meer gestart in de laatste tijdrit.
J.D.C.:
Ja, dat viel wel meer voor: Kuiper startte namelijk als leider en Post vroeg ons dan om naast de weg te gaan staan om tussenstanden te noteren.
– Vind je dat dan zelf niet spijtig dat je niet in de einduitslag voorkomt?
J.D.C.:
Nee. In het begin misschien wel, maar nu, een zestigste plaats of zo, neen, daar lig ik echt niet wakker van.
– Kuiper vertrekt bij jullie als kopman en niet Thurau. Hoe komt dat?
J.D.C.:
Thurau is een zeer goed renner, maar hij moet het toch nog steeds “bewijzen”. Hij koerst ten eerste niet erg intelligent. Hij wil ook naar geen raad luisteren. Ik denk overigens niet dat er veel renners zijn die bij hun eerste Tour potten breken.
– Merckx…
J.D.C.:
Ja, maar dat was dan ook Merckx! Een tiende plaats zoals Hennie in zijn eerste Ronde gehaald heeft, bewijst al genoeg dat men een klasserenner is.
– Als mijn geheugen me niet in de steek laat, dan meen ik me te herinneren dat Piet Liebregts niet zó in zijn nopjes was met Hennie’s prestatie als men zou verwachten. Hij had liever zijn poulain Fedor den Hertog op die plaats gezien. Ook Peter Post verwijt men nogal eens dat hij de kaart Thurau trekt…
J.D.C.:
Dat komt eigenlijk omdat Kuiper een anti-renner is, geen vedette. Hij moet het allemaal tijdens de wedstrijd bewijzen. Een Thurau die heeft meer allure, dat is ook beter voor de reclame van de firma.
– Maar Kuiper is toch erg geliefd?
J.D.C.:
Ja, omdat hij zo’n brave jongen is. Té braaf eigenlijk. Mijn rol bestaat er juist in hem zo veel mogelijk op te hitsen tijdens de wedstrijd (*). Anders laat hij zich nogal eens gemakkelijk “in de zak” zetten, zoals door Merckx in de Ronde van Zwitserland…
– En door Tony Houbrechts in Parijs-Brussel (zie hiernaast). Vorig jaar is Kuiper nogal vroeg weggevallen (letterlijk), hoe hebben jullie dan het koersverloop beschouwd?
J.D.C.:
Wij hebben dan vooral voor etappe-overwinningen gereden. En met succes: Karstens heeft er nog twee gewonnen, ikzelf was ook eens vierde. Maar die val van Kuiper was wel heel spijtig. Hij reed toen immers zeer sterk. Als hij dit jaar zó rijdt…

Ronny De Schepper

(*) “En dan Kuiper, die wil het nog wel eens te gemakkelijk opnemen. (…) Voor Kuiper heb ik speciaal José De Cauwer in dienst, die gaat menselijk tegen hem tekeer. In de Tour heb ik het een paar keer verdomd om naar Kuiper te rijden. Als ik me ergens aan ergerde, dan reed ik naar De Cauwer en die zei het dan woedend tegen Kuiper. De Cauwer moet zorgen dat Kuiper van voren zit. Na die twintig seconden wilde ik ’s avonds naar de kamer van Kuiper gaan. Ik was kwaad. Bij de deur hoor ik De Cauwer vreselijk tekeergaan. Toen heb ik het maar gelaten, dubbelop is overdreven en bovendien kan De Cauwer het beter doen dan ik.” (Peter Post in Vrij Nederland)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s