Het expressionisme

Het expressionisme (van Latijn: expressio, uitdrukking) is een stroming in de Europese kunst en de literatuur van de 20e eeuw, die zich vooral manifesteerde in de jaren 1905 tot 1940. In het expressionisme tracht de kunstenaar zijn gevoelens, zijn ervaringen, voor de waarnemer uit te drukken door een zekere vervorming van de werkelijkheid. Belangrijk is daarbij vooral dat de gevoelswaarde, het onderbewuste, dat de kunstenaar ervaart naar aanleiding van het onderwerp, de boventoon voert. Dit in tegenstelling tot het impressionisme waarbij vooral het uiten van de werkelijkheid, zoals men die ervaart, voorop staat. Zo vervaagt in het expressionisme de band met de werkelijkheid vaak, soms valt die zelfs helemaal weg. Hierdoor krijgen onvoorstelbaar nieuwe vormen hun kans. Het expressionisme kent maar één wet: dat er geen wetten zijn, en dat die dan ook niet mogen worden opgelegd. (Wikipedia)

Expressionisme als stijl is vooral bekend in de schilderkunst, maar de vertegenwoordigers in de Vlaamse schilderkunst (Frits van den Berghe, Gustaaf de Smet, Rik Wouters, Albert Servaes, Georges Minne, Gustaaf van de Woestijne, Constant Permeke, Floris Jespers) zijn niet echt typisch, omdat ze anderzijds ook religieus-poëtisch zijn. Een beter voorbeeld is Wassili Kandinski.
In de muziek is er de invloed van de jazz en in het ballet gaat men terug op Rudolf von Laban (1879-1958). Hij is de grondlegger van een bewegingstheorie, die hij illustreerde met een heus toestel, de icosaëder of kortweg ico, waarop de twaalf punten zogezegd zichtbaar zijn (want ze liggen in het oneindige) in welke richting de danser zich kan bewegen. De danser staat immers op het kruispunt van drie vlakken en elk vlak heeft vier punten. Aan elk punt is een gevoelen verbonden en de danser moet die gevoelens tot expressie brengen. Daardoor houdt het expressionistische ballet zich niet aan de klassieke regels en wordt het ook wel eens “vrij ballet” genoemd. Volgelingen van von Laban zijn o.m. Mary Wigman, Kurt Jooss en dienst naaste medewerker Sigurd Leeder, Yvonne Georgi, Harald Kreutzberg en Albrecht Knust.
Als kenmerken van expressionistisch proza kunnen we stellen:
– schematisering (grote lijnen)
– zwart-wit tekening
– figuren zijn symbolen
– geen held (later anti-held)
– verhaal onderbroken door nieuwsberichten of commentaar (b.v.”Kapellekesbaan”)
– de werkelijkheid is enkel een vertrekpunt (men tracht niet ze weer te geven)
– nadruk op het innerlijke, de idee
– alledaags taalgebruik
– cynisme
– “banale” beelden (kindertaal)
– directe zegging (spontaan, zinlogica is zoek)
– experimenten met typografie
– collage-techniek
In de poëzie onderscheiden we achtereenvolgens:
1.Het humanitair expressionisme;
2.Het typografisch expressionisme;
3.Het organisch expressionisme.
Voor deze drie stromingen kan de poëzie van Paul van Ostaijen als een goed voorbeeld gelden.
Voor het toneel kan men het best terecht bij Bertolt Brecht of, als men het liever in onze eigen taal gaat zoeken, bij Anton Van de Velde.
En tenslotte is er de film. “Das Kabinett des Dr.Caligari” (1919) van Robert Wiene wordt over het algemeen als de meest expressionistische film beschouwd, al zat dit volgens sommigen enkel in het toneelmatige van de film (en met name in de bewust onrealistische decors) en niet zozeer in de film zelf.
Cesare (Conrad Veidt) is een ‘somnambulist’: een slaapwandelaar die onder hypnose helderziend en totaal willoos wordt. Zijn meester Dr.Caligari (Werner Krauss) maakt misbruik van die slaafse gehoorzaamheid, wat de film zo kort na WO I laat lezen als een anti‑autoritaire fabel over het willoze Duitse volk dat door zijn heersers gemanipuleerd wordt. De pro‑ en epiloog, tot woede van de schrijvers aan het scenario toegevoegd, zwakken dit echter af. In tegenstelling tot de klassieke vertelstijl en statische camera waren de uiterst gestileerde expressionistische decors zeer modern. Deze vormgeving droeg sterk bij tot Caligari’s grote succes. Later claimden de scenaristen Hans Janowitz en Carl Mayer dat de hele film, inclusief het decoridee, louter hun verdienste was. Kracauer steunde dit verhaal, maar recent onderzoek bewijst dat het onrecht doet aan de inbreng van producer Meinert en regisseur Wiene.
In 1922 volgde “Nosferatu” van Friedrich Wilhelm Murnau dat vrij trouw het boek “Dracula” van Bram Stoker volgt, maar omwille van auteursrechten een andere naam kreeg. Murnau voltooide daarna in 1926 zijn eigen magnifieke “Faust”, vooral gebaseerd op Marlowe en Goethe. De film bevat nauwelijks een gewoon shot en is daarmee een toonbeeld van het Duits expressionisme. Elke opname lijkt uit een andere hoek te komen wat het dramatische impact van het verhaal visueel versterkt. Faust is de climax van het expressionisme, een weddenschap met de duivel tegen een decor van middeleeuwse miniatuurstadjes, schimmige natuurbeelden en een zuinige belichting die de demonische duisternis van Mefisto in een waas hult.
Maar volgens Johan Daisne zit er zelfs in “Heidi” van Luigi Comencini uit 1952 nog een post-expressionistisch vlekje. “Heidi wordt in een Frankforter herenhuis opgenomen, waar tante Dete keukenmeid is. Het kind blijft echter hunkeren naar haar Alpenhut bij grootvader, welke Sehnsucht nach der Heimat hier als maanzuchtig slaapwandelen wordt uitgebeeld. Ik betwijfel sterk of Dr. Caligari wel een aanbevelenswaardig pedagoog is. Mijn zoontje, van gelijke leeftijd als Heidi, is er in elk geval huiverig door geworden en vond de hele geschiedenis erg treurig, om niet te zeggen naar. (…) Niettemin, ik wil van goeden wille zijn (eerste eigenschap der cultuur) en dan vind je haast altijd een middel om een ander tegemoet te komen. In de stadsgezichten van Heidi slenteren dames en heren rond uit 1900, sjokt een allereerste automobiel voorbij, en defileert, in snelle paradepas, een rot blaaspoepende pickelhauben. Mijn dwaze gemoed heeft daarbij van genoeglijkheid zitten spinnen. Toen ik me dat bewust werd en ik in gedachte de zaak omkeerde, kon ik me enigszins Heidi’s hang voorstellen tot haar bergecho, haar bakbed en een kom geitemelk. De op het affiche aangekondigde oude bekenden Willy Birgel (Hert Sesemann) en Theo Lingen (zijn huisknecht), hadden geen gelegenheid om op het celluloid iets aan onze vroegere herinneringen toe te voegen. Het meisje Heidi (Elsbeth Sigmund) was aardig, onvermijdelijk ietwat te boers naar onze smaak, ook door haar harde Zwitserse tongval. Maar wat ben ik wreed tegenover een kind ! En ik kan het niet eens goedmaken door hieraan toe te voegen, dat ik (inderdaad) met groot genoegen, in de rol van het zieke stadsmeisje Klara Sesemann, de helft van Das doppelte Lottchen heb teruggezien. Want die Isa Gunther is… gegroeid, en belooft zo verleidelijk te worden als Hildegard Knef !” (Rolprenten, p.66-67)

Ronny De Schepper

Referentie
Johan Daisne, Over oude en nieuwe rolprenten: de dingen die niet voorbijgaan, Antwerpen/Amsterdam, Elsevier/Manteau, 1980

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.