Toen ik veertien was, was er Donovan. Voor de enen een Bob Dylan, net als zijn jeans in bleekwater gedrenkt, voor de anderen (voor mij) de hoop, de wissel op de toekomst, the boy next door, die de schoolbanken heeft ingeruild voor de wijde natuur, het lopen langs de spoorwegen, Woody Guthrie in Vlaanderen. De Golden Sixties gingen echter voorbij, de andere tijden kwamen niet, de economische crisis wel. Er was geen plaats meer voor “supersterren” in jeans. Zo stonden er immers massa’s aan te schuiven voor de stempellokalen. Wie het in de Seventies wou “maken” zou zijn jeans moeten inruilen voor een glitterpak. En dat deed een zanger met een rotsige, roestige stem die tot dan toe redelijk verdienstelijk maar anoniem actief was geweest in diverse beatgroepjes. De single “Maggie May” kwam net op tijd. Donovan was niet langer een “hurdy gurdy man”, maar ik had opnieuw een “reason to believe”: Rod Stewart.

In tegenstelling tot wat men zou kunnen afleiden uit zijn vurige liefde voor Schotland is Roderick David Stewart op 10 januari 1945 geboren in het noorden van Londen. Zijn familie was wel pas uit Schotland overgekomen, zijn twee broers Don en Bob en zijn zussen Mary en Peggy zijn er zelfs nog geboren.
De cliché-adjectieven voor Schotten zijn “gierig” en “koppig”. Het eerste zal later in dit verhaal nog aan bod komen, maar voor het tweede moeten we reeds van bij de aanvang stellen dat Rod Stewart zijn Schotse afkomst niet verloochent. Voor het grootste deel is zijn latere succes immers op rekening te schrijven van zijn koppige ambitie. Een ambitie die gegroeid is in zijn jeugd, namelijk op het moment dat hij geselecteerd was voor het nationale voetbalelftal van de scholieren. Daar scholieren in de letterlijke zin van het woord moet worden opgevat, werd Rod in zijn doorbraak gedwarsboomd door zijn wegzending van school.
Zoals zovele andere jongelui vond hij zijn compensatie in de “rebelse” popmuziek. Of, zoals hij het zelf uitdrukt: “Ik wist dat ik beroemd moest worden in iets, wat precies dat deed er niet toe: geneeskunde, van de Eifeltoren springen, eender wat… Ik moest en zou beroemd worden!”
Het is een typisch geval van compensatie, want van nature was (en is) Rod nogal schuchter. Zo had hij als knaap bijvoorbeeld een goede sopraanstem, maar dat hij daarom steeds vooraan in de klas moest staan zingen, hinderde hem enorm. Hij moest voor zichzelf dus een barrière doorbreken en het is niet denkbeeldig dat de hele hype rond zijn figuur juist nodig is om die latente schuchterheid, die voor een superster zo goed als dodelijk is, te onderdrukken. In “Every picture tells a story” drukt Rod zelf dit zeer poëtisch uit: “Soms voel ik mij minderwaardig als ik in de spiegel kijk.”
Nu goed, in dat voetbalelftal had hij kennisgemaakt met Ray en Dave Davies en Pete Quaife, die net als Rod in Muswell Hill woonden (*) en dus grote fan waren van de lokale voetbalploeg Arsenal (**). Toen Ray The Kinks stichtte, dacht hij eerst nog aan Rod Stewart als frontzanger (“Rod werd de Elvis Presley van Muswell Hill genoemd,” zei Ray in “De Laatste Show” van 3/11/2010), maar uiteindelijk besloot hij toch zelf zijn eigen composities te brengen. (***)

Ronny De Schepper

(*) Eigenlijk woonde Rod Stewart in Archway Road (Highgate), maar hij ging wel naar dezelfde school als de Davies-broertjes, ook al zijn ze daar maar achter gekomen toen ze al goed en wel “vedetten” waren. (Dat is te vergelijken met Raymond Thielens en mij: wij gingen ook naar dezelfde school, maar hebben elkaar pas leren kennen toen we al “ouw’mannen” waren.)
(**) Alhoewel vader Stewart Rod ook geregeld meenam naar de thuiswedstrijden van Arsenal, zou Rod zoals we later kunnen vernemen in de song “You’re in my heart”, als “Schot” eerder een supporter van Celtic Glasgow blijven, maar daarnaast ook van Manchester United. Dit laatste is op het eerste zicht onbegrijpelijk, maar dat komt omdat zijn grote idool, de Schotse midvoor Denis Law, daar speelde. Bij George Tremlett (The Rod Stewart Story, 1976) leren we verder nog (p.24) dat de vermeende carrière van Rod als profvoetballer bij tweedeklasser Brentford een “hoax” is: “Signing was my Dad’s idea. I signed on as a professional, and they paid me £8 for a seven-day week. I cleaned the first team’s boots and cleaned out the lockers and that was about all. I gave it up after three weeks never having kicked a ball…” Rod Stewart was overigens een rechtsback, al moest hij ook soms extreem-rechts spelen.
(***) Dat is wel een vreemde uitspraak. Ten eerste omdat Stewart in die tijd helemaal niet van Presley hield en ten tweede omdat hij, zoals gezegd, veel te beschaamd was om (alvast in het openbaar) te zingen. Hoe kan hij dan aan die bijnaam geraken?

Referentie
Ronny De Schepper, “Soms voel ik mij minderwaardig als ik in de spiegel kijk”, De Rode Vaan, 30 oktober 1980
Jan Segers, “Soms voel ik mij minderwaardig als ik in de spiegel kijk”, De Voorpost, 8 juni 1979

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.