Een examen voor streetbuskers!

In 2008 hield de Brusselse vervoersmaatschappij MIVB zowaar audities voor straatmuzikanten die willen optreden in de metro. In totaal werden er honderd vergunningen uitgereikt. Op zich is dit zo onzinnig als maar kan, maar anderzijds heb ik het eens meegemaakt dat, terwijl uit de luidsprekers van de metro het concerto voor twee violen van Bach weerklonk, een busker mij kwam vereren met een of ander melodietje op een krakkemikkig mondharmonicaatje. En dan werd ik nog verondersteld van hem hiervoor te betalen ook! Nooit heb ik zozeer het gezegde van Godfried Bomans verwenst dat “het beter is mondharmonica te spelen dan naar Bach te luisteren”!

Het is wel geen echte “seizoensarbeid”, maar het is toch logisch dat straatmuzikanten en andere animatoren vooral de zomerperiode uitkiezen om hun activiteiten te ontplooien. Bovendien werken ook de talrijke festivals die hier als paddestoelen uit de grond schieten dit verschijnsel in de hand. Vandaar deze terugblik. (*)
GEEN ROMANTIEK
In het kader van het jaar van het dorp, heeft men ook de straat willen herwaarderen. Denk maar aan een documentaire in die zin die door de BRT is uitgezonden. De straat als leefgemeenschap, niet meer als “kortste weg tussen twee punten”, huis en werk.
Op het eerste gezicht past de straatanimatie dus binnen deze nostalgische trend. Dat is echter slechts schijn. Straatanimatie is hoofdzakelijk een stedelijk verschijnsel. In Engeland en Frankrijk kiezen deze mensen trouwens bij voorkeur de metro uit als werkterrrein (veel volk en goede akoestiek), in België niet, misschien omdat de politie hier strenger optreedt (**) en ook wellicht omdat het “werken” (voor muzikanten althans) er onmogelijk wordt gemaakt door de industriële muziek die door de luidsprekers weergalmt.
De straat blijft dus gewoon een doorgangsweg. Overigens is dat juist de redenering van vele van de straatartiesten: als de mensen zich de tijd niet meer gunnen om naar een theater, concertzaal of museum te gaan, dan moeten wij het toneel, de muziek, de plastische kunsten naar hen toe brengen.
CONCURRENTIE
Mooie denkbeelden, maar het wil niet al te best lukken. De reacties variëren van onverschilligheid tot gewelddadige agressie. Over sympathieke reacties ook, natuurlijk. Maar is het wel de moeite waard?
Eerst en vooral moet je je terrein weten te kiezen. Plaatsen waar veel arbeiders komen, zijn aangenaam om werken. Vooral het “subproletariaat” dat nu weer uitbreiding neemt door de crisis, heeft nogal veel belangstelling voor dergelijke afwisseling in hun eentonig bestaan. Werklozen, gastarbeiders, gepensioneerden nestelen zich graag in de nabijheid van straatmuzikanten. Het vrolijkt hen wat op, zorgt voor wat gezelligheid. Maar anderzijds verdienen de muzikanten in kwestie daar niet veel mee natuurlijk.
Ook bedelaars komen dikwijls in de omgeving post vatten maar dan als “concurrenten”, om ook wat graantjes mee te pikken.
Overigens heb ik het hier dan over “zuivere” bedelaars, d.w.z. mensen (gehandicapt of niet) die gewoon om geld bedelen, zonder iets “terug te doen” (zingen, spelen, tekenen, enz.). Andere “bedelaars”, de voorlopers van de straatanimatoren en dus ook kunstenaars (in mindere of meerdere mate), zijn vijandiger gezind. Het komt zelfs voor dat deze de jonge indringers gaan verklikken bij de politie.
Dat is natuurlijk niet goed te keuren, maar we zouden daarvoor toch een beetje begrip moeten opbrengen. Waar zijn b.v. al die orgeldraaiers en straat accordeonisten naartoe? Zelfs al beweert Wiet van de Leest van RUM dat de mensen zijn “muzettekes” zo op prijs stellen omdat ze deze muziek steeds hebben gehoord “op kermissen en op koersen”. Als ik diep in mijn geheugen graaf, herinner ik mij dat zo’n jaar of vijftig geleden er een accordeonist door ons dorp trok, terwijl zijn vrouw en dochter “tekstbladen” verkochten, waaruit wij dan een lied konden kiezen dat hij dan speelde. Welke muziek dat dan precies was, kan ik men niet meer voor de geest halen, maar alleszins speelt men voor zover ik dat heb kunnen nagaan de jongste jaren op kermissen de “hits” van dat ogenblik.
VIJANDIGHEID
Een andere tamelijk gunstige standplaats is nabij de universitaire « ghetto’s ». Hier doen protestsongs het nog steeds best. Alleszins beter dan op het marktplein van een dorp b.v. Met een paar vrienden heb ik daar ook ooit eens straatmuzikant “gespeeld”. Met verkleumde handen (het was winter) trachtten we de mensen warm te maken voor de betoging tegen Brasil Export. We waren met vijf. Toen de bus vertrok waren we nog steeds met vijf. Is dit een grap of om te huilen ?
Naarmate men in de wijken van meer begoeden actief is, daalt de belangstelling en stijgt het politieoptreden. Maar eigenlijk kun je overal heibel krijgen.
Zo is er een onderlinge stilzwijgende overeenkomst omtrent prioriteiten qua optreden (zoals onder lifters). Als men b.v. na verloop van tijd genoeg verdiend heeft (en dat kan !), dan spreekt het als het ware vanzelf dat men de kans geeft aan iemand anders.
Jesus People echter, doen dit niet. En wanneer er “concurrentie” opdaagt, schrikken deze lieverdjes er niet voor terug geweld te gebruiken om de spelbrekers tot andere gedachten te brengen.
Maar ook gewone voorbijgangers schoppen soms herrie. Opmerkingen als “ze moesten ze allemaal tegen de muur zetten”, “ze hebben een nieuwe wereldoorlog nodig” of “onder Hitler zouden ze dit niet moeten riskeren” zijn schering en inslag. De artiesten laten dit meestal over zich gaan, want indien het tot een gevecht komt, zijn zij toch altijd de verliezende partij. Ofwel moeten hun instrumenten het ontgelden, ofwel grijpt de politie in. In het beste geval moeten ze dan gewoon opkrassen, in het slechtste worden hun instrumenten in beslag genomen en mogen ze ze weer komen ophalen tegen betaling van een boete.
Waarom deze mensen zo’n agressiviteit uitlokken, blijft een open vraag. Soms is zelfs hun lijfelijke aanwezigheid niet nodig. Terwijl beeldhouwer Paul Van Gijsegem met vakantie was, werden in een Gentse winkelstraat twee beelden van hem vernietigd. Het zogenaamde « anti-jongerenracisme » dat men dikwijis als reden aanvoert, komt hier dus niet aan te pas.
MOTIEVEN
Waarom komt men nu op straat? Er is geen vaste regel, Zowel financiële als artistieke motieven komen om de hoek kijken. Onder de plastische kunstenaars heeft men b.v. enerzijds de aloude kategorie van straattekenaars, zondagschilders, vervaardigers van gebruiksvoorwerpen (kransjes, ringen, enz.). Maar anderzijds zijn er ook kunstenaars die willen ontsnappen uit het elitesfeertje waarin de plastische kunsten bijna noodgedwongen zitten. Maar het voorbeeld van Van Gijsegem heeft alweer eens de relativiteit daarvan bewezen. De meeste plastische kunstenaars wenden zich dan ook tot de muziek om op die manier een breder publiek to bereiken (Walter De Buck, Benny Van Groeninghe) en nadien kan men dan eventueel terugschroeven.
Ook onder de muzikanten zijn er die bewust op straat willen blijven spelen. Uit artistieke overwegingen : tegen vedettencultus, tegen commercialisering; maar ook financieel. Zo speelt de New Yorkse mondharmonikaspeler Sugar Blue nog steeds in de Parijse metro na zijn sessie voor de elpee Some girls van The Rolling Stones, maar dan toch gewoon in afwachting dat hij kan inschepen naar de VS om daar een plaat te maken.

Ronny De Schepper

(*) Artikel in De Rode Vaan: “Met de straat als podium: kunstenaars of bedelaars?” (wellicht in de zomer van 1978)
(**) Blijkbaar is er dus op die dertig jaar een en ander veranderd (zie inleiding).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.