In zijn bundel ‘Blinde wilg, slapende vrouw’ bundelde Haruki Murakami 24 verhalen, geschreven tussen 1983 en 2005. Ze tonen Murakami op zijn best, stuk voor stuk pareltjes. En niet alleen dat: ze bewijzen ook zijn enorme veelzijdigheid. Geen enkele tekst is identiek of lijkt zelfs naar een andere te verwijzen. Noch inhoudelijk (qua verhaallijn, personages, locatie… en sfeer), noch stilistisch – bizar.

Het start al bij het titelverhaal dat een schijnbaar nuchtere, afstandelijke beschrijving geeft van hoe een jongen zijn neefje vergezelt naar een oorarts, daaraan de herinnering koppelt van een ziekenhuisbezoek aan een vriendin die een tekening en gedicht maakt over een ‘blinde wilg’; deze zit vol vliegen die het oor van een vrouw binnendringen en haar opvreten. Een bizarre, bevreemdende tekst maar koel, nuchter benaderd.

Vaak laat hij het denkwerk aan de lezer over; hij trekt geen conclusies. In een andere tekst dwingt hij de lezer schijnbaar niet bij elkaar horende scènes die behoorlijk surreëel zijn, met elkaar te verbinden (New York Mining Disaster). Een verhaal kan hallucinant, bevreemdend zijn; een ander is ontroerend, meelevend terwijl een andere tekst via het anekdotische gebeuren heel banaal een relatie schetst.

Hij blijft ook een meester in het creëren van een sfeer: “Een tijdlang zwegen ze allebei. De koffie op tafel werd almaar troebeler en kouder. De aarde draaide om zijn as, de maan beïnvloedde subtiel de zwaartekracht en creëerde getijden. In de stilte stroomde de tijd en op het spoor gingen treinen voorbij.” (uit ‘Vliegtuig, of hoe hij in zichzelf praatte als hij een gedicht voordroeg’).

Soms is hij zo surrealistisch dat het (opzettelijk) komisch wordt (‘Dodaars’). Dan weer ontmoeten we een fascinerend liefdesverhaal waarin katten de leidraad vormen om ontreddering en paniek weer te geven. In details weet Murakami de lezer telkens weer te verrassen, te verbazen en mee te slepen. Ook wanneer hij meer theoretiseert in een tekst en fascinerend aanduidt hoe een idee, een gedachte uitgroeit tot een concept, tot een mysterieuze werkelijkheid (de schrijver die aan een onbestaande arme tante denkt over wie hij wil schrijven, blijkt plots zo’n tante op zijn rug te moeten meeslepen, zij zit er op vastgegroeid – aanleiding tot gedachten over schrijven, concept…).

Vaak zijn het schrijnende verhalen, de eenzaamheid van de mens is nooit ver weg. Zo laat hij in een verhaal spaghetti tot het symbool van vereenzaming worden. Intriest ook het verhaal waarin een man zijn echtgenote verliest, eerst haar (buitenissige hoeveelheid) kleding de deur uitgooit, dan afstand doet van zijn geliefde platencollectie, om pas dan echt alleen achter te blijven – een meesterwerkje van droefheid. Net als een tekst die eindigt met een vuurvliegje (ach die trouvailles van Murakami!): diepe weemoed, tristesse, afwezigheid… Dan weer laat hij een hallucinatie het leven ingrijpend veranderen.

Vaak spelen ‘toeval’, samenloop der omstandigheden een rol in zijn verhalen. En opvallend is ook dat dikwijls het zoeken zelf, of de zingeving van het zoeken an sich centraal wordt gesteld. Een moraal spreekt hij nooit uit. We worden geconfronteerd met portretten van mensen, in hun dagelijkse bezigheden, in hun eenzaamheid, of geconfronteerd met de hallucinante beelden en gebeurtenissen die Murakami hen opdringt. Met deze bundel bewijst hij zijn kunnen in vele genres.

Johan de Belie

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.