“Theater is saai. In 95 procent van de gevallen verlaat ik de zaal. Of neen, ik ga zelfs niet naar binnen. Omdat ik weet dat ik mij na vijf minuten al ga vervelen. Theater is strontvervelend.” (Arne Sierens in Het Belang van Limburg van 20/12/1999)
“Toen ik pas acteur was, speelde ik iedere voorstelling alsof mijn leven ervan afhing. Dat kan ik vandaag niet meer, omdat ik er niet meer in geloof. Sinterklaas is dood. De mythe bestaat niet meer. Tijdens mijn opleiding in Studio Herman Teirlinck hebben ze mij geleerd dat theater het centrum van de wereld is, maar vandaag weet ik dat acteren gewoon een job is en binnen de samenleving absoluut niks te betekenen heeft. Het theater heeft mij zwaar teleurgesteld, omdat ik zoveel van mezelf aan het theater heb gegeven, maar er uiteindelijk geen bal voor heb teruggekregen.” (Peter Van Asbroeck in Humo van 20/11/1998)
“Ik ben vooral bezig met wielrennen en tv, en daardoor merk ik aan de gesprekken onder acteurs dat ze geen contact hebben met een groot stuk van wat er in Vlaanderen gebeurt, terwijl ze denken dat ze dat contact wel hebben omdat ze zelf naar de bakker gaan. De wereld gaat voor hen niet verder dan Humo en De Morgen, terwijl er toch ook nog zoiets is als Het Laatste Nieuws.” (Mark Uytterhoeven in Humo van 7/9/1999)
“Eigenlijk vraag ik me al weken af of het in de kwestie van de Antwerpse toneelscholen en hun gebuisde voorzitter Beysen nog mogelijk is een genuanceerde mening te hebben zonder door de club van het correcte denken, geleid door Tom Lanoye en consoorten, meteen te worden ingedeeld bij het rechts-conservatieve Vlaanderen dat de kunstenaar niet de vrijheid zou gunnen waarop een kunstenaar recht heeft. (…) Gisteren sprak ik met een prominent lid van de raad van bestuur van de Antwerpse Hogeschool, die de haast Wagneriaans aandoende tragedie vanop de eerste rij heeft meegemaakt. Hij had hetzelfde gevoel. Het had iets van een sekte, zei hij me, waarin alle technieken van de dramaturgie en de intimidatie werden gebruikt. Hij heeft geen ongelijk. Als van 18-jarige studenten, voor ze worden ingeschreven, wordt nagegaan of hun persoonlijkheidsstructuur wel overeenstemt met die van hun lesgever, hoever staan we dan nog van Orwells 1984?” (Luc Van der Kelen in Het Laatste Nieuws van 25/5/2000)
“Men spreekt soms over een economie met twee snelheden, wel, iets dergelijks doet zich ook in de kunsten voor. Zeker in het theater, waar je een kleine groep zelfuitgeroepen intellectuelen hebt die eigenlijk vooral dingen voor zichzelf maken. Stany Crets heeft onlangs nog gezegd: ‘Theater is eigenlijk alleen belangrijk als je er zelf mee bezig bent.’ (…) Want ik ben ervan overtuigd dat er bij het Toneelhuis nog altijd mensen in shock zijn omdat de voorstellingen die zij hebben gemaakt, niet hebben bijgedragen tot een politieke kentering in Antwerpen. Die denken dat men door in zijn blote kont op het podium te gaan staan het fascisme een duidelijk en krachtdadig halt kan toeroepen. Dan vraag ik mij af of die mensen naïef of arrogant zijn.” (Jan Verheyen in Knack van 20/12/2000)
Geert Sels in “De grote Parade” van 14/10/1998: “In journalistiek en documentaire is er van langsom meer de neiging om de werkelijkheid te dramatiseren. We herinneren ons dat een Vlaams journalist bij de Volkskrant ontslagen werd voor een spectaculaire, maar helaas gefingeerde reportage. (…) Iemand als Jerry Springer benut de realiteit om er een televisieshow van te maken. In het theater is net het omgekeerde aan de gang. Daar sluipt de laatste tijd steeds meer realiteit binnen. (…) Na de esthetische jaren ’80 is het theater er opnieuw emotioneler op geworden, minder kunstmatig ook. (…) We kregen portretten van de kleine man, sympathiek, beetje anti-held, zeer innemend en kwetsbaar. De man die zijn verhaal vertelde. De man zoals hij was. Denk aan Ward Comblez van Josse De Pauw, aan de monologen van Peter De Graef, aan de teksten van Eriek Verpale door Bob De Moor. Je moest maar naar die man kijken en je zag bijna de werkelijkheid. Bijna, want de teksten waren van een hoog literair gehalte. Veel van die lijnen hebben zich afgewikkeld tot wat we nu reality theatre zijn gaan noemen. Toevallig of niet speelt veel daarvan zich in het Gentse af, rond productiehuizen als Victoria, Nieuwpoorttheater en Les Ballets C. de la B. (…) Enige kennis van de Gentse tongval is een voordeel. Met deze kenmerken onderscheidt de Gentse variant zich van de Nederlandse. Die ruikt vaak wat naar new age, gaat diep in zichzelf graven, is daardoor mogelijk wat narcistischer of individueler en op het podium krijgen we niet zelden een confessie te zien. Onze noorderburen noemen steevast Nieuw West en Mug met de Gouden Tand als voortrekkers.”
Geert Sels citeert ook Nan van Houte, van het festival (ON)ze keuze: “We hadden een voorstelling over de verhalen die migranten te vertellen hebben. Die moeten we in het theater vertellen. Op straat krijg je die niet te horen, want daar loop je door. Veel mensen zegden me na afloop dat ze op een andere manier met dit lijden geconfronteerd waren dan normaal op straat. In het toneel ben je nog bereid om te luisteren.” Of zoals Sels het zelf samenvat: “Op een theaterpodium wordt alles tegen wil en dank theater.”
Maar ook daarnààst zo blijkt. Want de katholieker-dan-de-paus krant “De Standaard” (waarvan “De Grote Parade” de cultuurbijlage is) mag dan nog positief tegen deze voorbeelden aankijken, in “De Morgen” lezen we bij Clara Van den Broek over Nico, de acteur met fatale spierziekte uit “Jezus/Liefhebber”, het stuk dat zowat symbool staat voor dergelijk reality theatre: “Wanneer je buitengaat staat Nico, intussen straalbezopen, nog steeds te masturberen in de buurt van een deel van het publiek.”
Bert Verhoye kan daar natuurlijk alleen maar de draak mee steken in zijn rubriek “Minimaal” in “Het Laatste Nieuws” van 23/10/1998: “Masturberen met een fatale spierziekte, wat levert dat op behalve een hoop gekreun? Die jongens en meiskes zouden eens een voorbeeld moeten nemen aan het echte, klassieke theater. Oidipous bijvoorbeeld. Oidipous sloeg zijn vader dood, neukte zijn moeder, verwekte bij haar vier kinderen en stak aan het einde van het stuk zijn ogen uit. (…) Of Hamlet. Aan het einde meer lijken op de scène dan op heel Père Lachaise. En reken maar dat Hamlet geen fatale spierziekte had. En dat Oidipous nog niet al te veel masturbeerde. Ah neen, hij had daar geen tijd voor. Hij zat hele dagen op zijn moeder. Kortom, ik vind dat theatergedoe van vandaag een beetje flauwkes. En meestal wordt het dan nog gespeeld door een acteur met een puist op zijn kont en een actrice met menstruatieklachten. Ga daarmee naar de catwalk! Ge moet toch al veel goesting hebben om daar geld voor te betalen. Niet te verwonderen dat er crisis is in het theater.”
Citaten verzameld door Ronny De Schepper
(Foto Arne Sierens uit 2009 door Michiel Hendryckx – Eigen werk)