Vandaag is het ook al 45 jaar geleden dat de Russisch-Amerikaanse filmcomponist Dimitri Tiomkin is gestorven. Zijn bekendste werk is wellicht de muziek van “High Noon”, die met de tekst “Do not forsake me, oh my darling” in de hitparade belandde… (*)

Dimitri Tiomkin werd als Dimitri Sinovjevitsj Tjomkin geboren in Krementsjoek in Oekraïne. Desondanks kreeg hij zijn opleiding helemaal in het noorden, aan het conservatorium van wat toen nog (en nu opnieuw) Sint-Petersburg was. Daar werd hij de protégé van directeur Alexander Glazoenov, die hem onderrichtte in harmonie en contrapunt, maar die hem ook aan goedbetaalde pianolessen hielp. Daarnaast speelde Tiomkin ook pianobegeleiding bij stomme films.
Hij circuleerde echter ook in wat toen de avantgarde werd genoemd, meer bepaald de kroegen waarin Sergei Prokofiev zijn aanhang entertainde. Hij had ook een zwarte maîtresse, miss Ruby, genaamd, waardoor hij in contact kwam met de ragtime-muziek.
Aan dat luilekkerleventje kwam een einde door de Russische revolutie, maar vooral door een uitbraak van cholera in Sint-Petersburg. Tiomkin werd ingezet als ‘desinfectant’ en moest huizen, waar cholera geheerst had, met een team ontsmetten. Na twee jaar ondervoeding ontwikkelde hij een voortdurende hoest en was zeer bang tuberculose te krijgen. Daarom besloot hij Rusland te verlaten; er was geen emplooi meer voor een pianoleraar die prinsessen en graven onderwees.
Hij vertrok naar zijn vader in Berlijn, al viel het afscheid van zijn moeder hem zeer zwaar. In Berlijn ontmoette hij een groot aantal andere geëmigreerden en hij slaagde erin (gratis) bij Ferruccio Busoni te studeren wat hij als een grote eer beschouwde. (Busoni had de gewoonte enorm veel lesgeld te vragen aan mensen die steenrijk waren maar zonder talent, maar gaf mensen die geen geld maar wel talent hadden daarmee gratis les.) Tiomkin pakte zelf ook het leraarschap weer op en al gauw was hij in trek als leraar voor de kinderen van de rijke ex-Russen. Een belangrijk moment om door te breken als concertpianist was voor hem de mogelijkheid op te treden met het Berliner Philharmoniker; hij voerde met hen Liszts tweede pianoconcert uit en vertrok daarna naar Parijs.
In de Parijse salons ontmoette Tiomkin Fjodor Sjaljapin, dé beroemde bas aan de New Yorkse Metropolitan Opera. Hij overstelpte Tiomkin met enthousiaste verhalen over Amerika en de enorme mogelijkheden om veel geld te verdienen. Vooral de verhalen van de toen bekende rondtrekkende ‘vaudeville’-theaters trokken Tiomkin aan. Uiteindelijk besloot hij in te gaan op een aanbod van de Amerikaanse impresario Morris Gest voor zo’n theatertour.
De vaudeville waarmee hij rondtrok heette de ‘Keith/Albee and Orpheum circuit’ en daarbij hoorde ook een balletgezelschap dat onder leiding stond van Albertina Rasch, een van oorsprong Oostenrijkse ballerina en later choreografe. Eerst was er een spel van aantrekken en afstoten maar uiteindelijk eindigde de relatie toch in een huwelijk in 1927. In dat jaar maakte Tiomkin ook zijn debuut in Carnegie Hall met een recital van onbekende muziek (voor Amerikaanse oren) van Francis Poulenc, Maurice Ravel en enkele van zijn eigen composities. Hij maakte kennis met de Amerikaanse populaire muziek en hij deed grote moeite deze muziekstijl onder de knie te krijgen.
Ook produceerde hij met het balletgezelschap van zijn vrouw een ballet op muziek van George Gershwins Rhapsody in Blue. Een hoogste winstgevend aanbod trok het pas getrouwde paar even naar Parijs waar Tiomkin aan de Opéra optrad. Hij voerde zowel Gershwins Rhapsody uit als de Europese première van diens Concerto in F.
Na het Parijse avontuur keerden de Tiomkins terug naar Amerika, waar juist de Grote Depressie insloeg. Zij namen dan ook een uitnodiging om naar Hollywood te komen gretig aan. Albertina produceerde balletnummers voor films van MGM (Metro-Goldwyn-Mayer) en Dimitri componeerde hier muziek bij. Een paar voorbeelden: Devil-May-Care, The Rogue Song en Lord Byron of Broadway. In 1931 kreeg Tiomkin een contract bij Universal Studios voor muziek bij de film Resurrection.
Zijn filmcomponistencarrière maakte echter dé grote sprong toen hij in Hollywood Frank Capra ontmoette. De twee ontwikkelden een innige vriendschap en begrepen elkaar op artistiek gebied – zeker in de eerste jaren – volkomen. Eerst werkten zij samen voor de film Lost Horizon (1937) waar Tiomkin zijn eerste kans kreeg (en greep) muziek op grote en grootste schaal te componeren. De samenwerking met Capra resulteerde in meer films, zoals You Can’t Take It With You (1938), Mr. Smith Goes to Washington (1939), Meet John Doe (1941) en It’s a Wonderful Life (1947).
De concertimpresario’s herontdekten Tiomkin en hij werd weer voor concerten gevraagd. Zo speelde hij onder meer met het Los Angeles Philharmonic Rachmaninoffs tweede pianoconcert. Tiomkin hoopte beide zaken, componeren voor filmmuziek en concerten geven, te kunnen blijven combineren, maar tijdens een feestje bij een vriend maakte hij een val en brak zijn arm. Deze herstelde niet genoeg om ooit nog virtuoos piano te kunnen spelen. Hij kon de lokroep van het podium echter niet loslaten en begon zijn zinnen te zetten op dirigeren. Een van de stimuli daartoe kan zijn geweest dat hij ontevreden was met de kwaliteit van de studiodirigenten.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd Tiomkin voor actieve dienst afgekeurd. Hij kreeg wel de opdracht bij het Army Film Center te gaan werken waar men oorlogsdocumentaires maakte. Zijn bijdrage aan The Battle of Russia is vermoedelijk zijn beste werk. Hij gebruikte muziek van Glazoenov, Modest Moessorgski, Aleksander Borodin, Prokofiev en Nikolaj Rimski-Korsakov voor de muzikale ondersteuning.
Na de oorlog nam Tiomkins carrière als filmcomponist een enorme vlucht door het succes van de film High Noon (1952) en dan vooral door de song, gebracht door Tex Ritter. Gesteld kan worden dat hij aan de basis ligt dat het later standaard werd een popsong bij een filmsoundtrack te componeren.
Dat Tiomkin vanaf dan vooral geassocieerd werd als een componist voor westerns is ook niet verwonderlijk (**). Zo schreef hij voor Gunfight at the OK Corral (1956); Rio Bravo (1958) en The Alamo (1960) en hij was ook verantwoordelijk voor het openingsthema van de televisieserie Rawhide. De partituur van Rio Bravo bevat het angstaanjagende, onheilspellende thema “El Degüello”, dat meerdere keren te horen is. De melodie wordt ook wel eens “The Cutthroat Song” genoemd. Hij vertelt dat het lied werd gespeeld op bevel van generaal Antonio López de Santa Anna voor de Texanen die zich in de Alamo hadden verschanst, om aan te geven dat ze geen genade zouden krijgen. De melodie werd het jaar daarop gebruikt, tijdens de openingscredits van John Wayne’s film, The Alamo (1960). Componist  
Ennio Morricone herinnerde zich dat Sergio Leone hem vroeg omDimitri Tiomkin-muziek” te schrijven voor A Fistfull of Dollars  (1964).” En het trompetthema lijkt inderdaad op Tiomkins “Degüello” (de Italiaanse titel van Rio Bravo was Un dollaro d’onore, “Een dollar van eer”).

Daarnaast componeerde Tiomkin ook voor drie Alfred Hitchcock-films: Strangers on a Train (1952); I Confess (1953) en Dial M for Murder (1954). (In 1943 had hij al de muziek geschreven voor een andere Hitchcock-film, “Shadow of a doubt”, met Joseph Cotton, Teresa Wright en Hume Cronyn. De muziek is gebaseerd op de wals uit “De Lustige Weduwe”, omdat het over een moordenaar van weduwen gaat, even cynisch maar minder grappig als “Monsieur Verdoux”.)

Dimitri Tiomkin zorgde ook voor de orkestratie van “Carmen Jones”. Hoewel de originele Broadway-productie een standaard orkestbak had gebruikt met Georges Bizet’s orkestraties voor de opera “Carmen” lichtjes aangepast door orkestrator Robert Russell Bennett, werd de filmmuziek gemaakt door Herschel Burke Gilbert, de muziekdirecteur, met behulp van een volledig symfonieorkest (variërend van ongeveer 90 tot meer dan 105 muzikanten), waardoor hij de muziek kon presenteren met de gevoeligheid van de meeste van Bizet’s originele orkestraties uit 1875 zoals ze bedoeld waren om te worden gehoord, hoewel aangepast om te passen bij de verhaallijn en overgangen van de film. Omdat Marilyn Horne vrij laat in de productie in de zingende cast kwam, en vanwege een aantal niet-gerelateerde vertragingen, moest Gilbert de productie kort voor het einde verlaten, omdat hij een verbintenis had voor een originele score van een andere film. Dimitri Tiomkin, een senior bij Fox Studio, stapte in om de laatste stukjes opname samen te stellen en de laatste muziekbewerking te superviseren. Technisch gezien, vooral gezien zijn anciënniteit bij Fox en zijn status in de industrie, had hij erop kunnen staan ​​dat zijn naam aan de credits werd toegevoegd. Hij erkende echter vriendelijk Gilberts verantwoordelijkheid voor meer dan 95% van het werk en koos ervoor om zichzelf niet officieel te laten crediteren. Gezien zijn veel grotere bekendheid zou zijn naam in de credits de jongere, minder bekende Gilbert hebben overschaduwd en de indruk hebben gewekt dat Gilbert meer een assistent was, wat verre van het geval was. (Internet Movie Database)
Uit de film Friendly Persuasion (1956) haalden niet minder dan zes songs de hitparade: ‘Thee I love’, ‘Marry Me’, ‘Lead her like a pigeon’, ‘The mockingbird in the willow tree’, ‘Coax me a little’ en ‘Indiana holiday’. Tiomkin vond een goede samenwerking in het tekstschrijversduo Ned Washington en Paul Frances Webster die al zijn songs van tekst voorzagen.
Toch leefde er daarnaast nog altijd de ambitie om grootse epische films te gaan scoren en dit resulteerde in Land of the Pharaohs (1955); Giant (1955); The Guns of Navarone (1961); The Fall of the Roman Empire (1964) en 55 Days at Peking (1965). The $50,000 fee paid for The Guns of Navarone was the highest fee paid to a composer for a single feature film score up to that time. Ook zijn muziek bij de verfilming van Hemingways roman The Old Man and the Sea (1958) maakte grote indruk en leverde hem een Oscar op.
Hij is ook de componist van ‘The Green Leaves of Summer’ (Oscarnominatie in 1960).
Tiomkins leven kwam tot stilstand door het overlijden van zijn vrouw in 1967. Tot overmaat van ramp werd hij op weg naar zijn huis, na de begrafenis, overvallen. Hij verkocht alles wat hij in Hollywood had en vertrok naar Londen, waar hij in 1972 hertrouwde en in 1979 overleed.

Ronny De Schepper

(*) Alhoewel “Rio Bravo” eigenlijk het conservatieve antwoord was op “High Noon” schreef Dimtri Tiomkin ook voor deze film de muziek. En ook hier kwam er een “hitje” uit voort (zij het veel kleiner): “My Rifle, My Pony and Me” sung by Dean Martin and Ricky Nelson was adapted from “Settle Down”, the theme for Red River (1948) (another John Wayne / Howard Hawks western)

(**) Hij had vroeger ook al wel muziek gecomponeerd voor westerns. Zo b.v. voor “Duel in the sun” van Charles Vidor uit 1946. Hiervoor maakte hij o.m. gebruik van een oud Stephen Foster-nummer, Beautiful Dreamer, geschreven in 1862, in de 1920s opgenomen door The Silvertone String Orchestra, gecoverd van Bing Crosby tot The Beatles, van Al Jolson tot Jerry Lee Lewis en het titelnummer (door Raul Malo) van een Stephen Foster tribute cd. De filmmuziek zelf is echter veel te zwaar en overladen voor een western en leunt eerder aan bij Tiomkins “epische” werk.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.